|
|
“ZIJ
ZATEN ERBIJ”
Printversie:
Een
toespraak bedoeld om te lezen op zondag 13 november 1887, gehouden door C.H.
Spurgeon, op zondagavond 29 mei 1887.
De
tekst is Lucas 5:17 (King James Version). “En het geschiedde op een dier
dagen, terwijl Hij bezig was te leren, dat ook Farizeeën en wetgeleerden
erbij zaten.”
Een
SAMENKOMST is een vreemde verzameling: het is als het bijeenbrengen met
een net, of het verzamelen met een dreg. Als het een erg grote verzameling
is, dan is het bijzonder opmerkelijk. Wat voor een vreemde variëteiten
van schepsels komen bij elkaar in een vol huis van gebed, net als in de
ark van Noach! Als iemand de geschiedenis van allen die hier bijeen zijn
kon beschrijven, dan zou het
resultaat een bibliotheek zijn met merkwaardige verhalen.
U,
geliefde vrienden, die gewoon bent hier in de dienst te komen, hebt
waarschijnlijk geen idee van de vreemde mengeling van volkeren, rangen,
beroepen, omstandigheden en godsdiensten, die worden vertegenwoordigd in
één van de grote samenkomsten van deze Tabernakel. Ik ben zelf vaak
enorm verrast wanneer ik mensen tegen kom, die me helemaal onbekend zijn,
behalve dan uit de krant; en die zich hebben gemengd onder de bezoekers
van deze enorme samenkomsten. Ik had me niet kunnen voorstellen, dat ze
ooit een plek zouden hebben bezocht, waar het evangelie wordt gepredikt.
Het is opvallend, dat God altijd bepaalt, wie er aanwezig zijn in onze
samenkomsten en Zijn besturing is altijd wijs. Ik heb vaak tegen mezelf
gezegd: “Ik zal vanavond een uitgekozen gezelschap hebben” ; en in
bepaalde opzichten is dit zeer bijzonder het geval geweest. Personen zijn
hierheen gekomen, die er zelf helemaal niet aan dachten om te komen,
totdat een speciale reden hen trok; vervolgens was het gesproken woord zo
duidelijk van toepassing op hun situatie, dat het hen verwonderde. Als zij
een bericht van hun komst hadden gestuurd en de prediker alles over hen
had geweten, zou hij het misschien niet hebben gewaagd om vrijuit zo
persoonlijk te zijn; want hij is onwetend ingegaan op precieze details en
geheime punten, die hij, als hij ervan geweten had, nooit openbaar zou
hebben gemaakt. De Here, Die weet wat er gedaan wordt in de binnenkamer,
weet ook hoe Hij Zijn dienende knecht moet leiden, zodat hij zonder
omwegen tot het hart zal spreken.
In
de huidige samenkomst hebben we een groot gezelschap van mensen die de
Here reeds lang kennen en al jarenlang zich in Zijn Naam verheugen. We
hebben een ander gezelschap van mensen, die de Here niet tot hun redding
kennen, maar toch zijn ze goed bekend met het evangelie en zijn ze niet
ver van het Koninkrijk Gods. Ze zijn bijna overtuigd; ze treuzelen in het
grensgebied. O, dat ze het grensgebied zouden oversteken en bewoners van
het land Immanuël zouden worden! We hebben ook sommigen in ons midden,
die ver verwijderd zijn van het geloofsleven; een volk waarvoor we weinig
of geen hoop hebben. Toch oogsten we onder hen de rijkste buit voor
Christus, want Hij heeft erbarmen met de onwetenden en met degenen, die
van de weg zijn geraakt. Ik hou van dat woord “van-de-weg”. De Here
redde u allen, die van-de-weg bent!
In
elke samenkomst hebben we een vierde klasse, die überhaupt zou weigeren
geclassificeerd te worden; er kan van hen gezegd worden, hier te zijn en
hier niet te zijn. Ze zijn eerder toeschouwers dan toehoorders. Zoals de
heren, die in onze tekst worden genoemd, “zitten ze erbij”.
Ze zijn te respectabel om gerekend te worden tot de gewone menigte. Nee,
nee; zij zijn slechts bezoekers, ze “zitten erbij”. Ze zouden niet
graag willen hebben dat er gedacht werd, dat ze regelmatige toehoorders
zijn, laat staan bekeerlingen: zij “zitten erbij”. Ze hebben geen
berouw; ze geloven niet; zij gaan helemaal niet in op de waarheid, maar
zij “zitten erbij”. Ze zijn gekomen om rond te kijken, dingen te
noteren en opmerkingen te maken. Ze bevinden zich aan de rand van het
gevecht, maar ze vechten helemaal niet mee; zij “zitten erbij” en ze
hopen dat ze daar buiten schot blijven.
Het
is over dezen, die “erbij zitten” dat ik nu zal spreken; want ik ben
bang dat ze zich veel te gemakkelijk gaan voelen op de stoel, die ze
hebben uitgekozen. Ze zitten zoals Gods volk zit en toch behoren ze niet
echt bij hen, maar ze “zitten er slechts bij”. Ze vormen een erg
irritant en teleurstellend deel van onze samenkomsten, maar toch, ze zijn
er en we zouden ze niet buiten de deur willen zetten, als we dat konden.
We zijn blij, dat we deze personen hebben om er stenen uit te hakken, want
wie weet of God, in Zijn oneindige genade uit hun midden misschien
individuen kiest, die nooit weer erbij zullen zitten, maar die met hart en
ziel bij Christus en Zijn volk zullen zijn en zelfs leiders zullen worden
van de legerscharen van God?
Laat
me vrijuit tot u spreken over sommigen van hen die erbij zaten. Zij dienen
helemaal niet veracht te worden, want sommigen van hen waren uitnemende
personen. Zij waren Farizeeën, leden van de afgezonderde sekte, die
helemaal op zichzelf stonden en die erg secuur waren wat betreft de
uiterlijkheden van de godsdienst. Inderdaad waren deze Farizeeën erg
superieur en u kon aan hun gezicht zien, dat zij zichzelf belangrijke
personen vonden. Verder waren er doctors in de wet, geleerde mannen, die
de Schriften erg nauwkeurig bestudeerd hadden. Ze telden de woorden van
elk heilig boek en vonden de middelste letter ervan. Deze wetgeleerden
waren de ongeletterde landman van Nazareth gaan beluisteren, over Wie ze
een uitgesproken mening hadden, die helemaal niet gunstig was. Ze hadden
over Hem gehoord en ze waren zo neerbuigend om Hem een keer te
beluisteren, half rood vanwege hun eigen gezichtsverlies toen ze dat
deden. Nee, het sprak vanzelf dat Hij hen niets kon leren; ze
“zaten er alleen maar bij” en niets meer. We zien niet veel van deze
grote mannen temidden van onze menigten en misschien zijn er hier bij deze
gelegenheid ook niet zulke mensen, maar we kunnen er niet zeker van zijn.
Het kan me niet zoveel schelen te weten of de geleerden en diepzinnigen
hier zijn; maar zij komen soms in ons midden, al is het alleen maar om
“erbij te zitten”. Ik zal op dit moment niet meer zeggen over deze
opmerkelijke mensen, want vele anderen komen in de samenkomsten om er
alleen maar bij te zitten. Ze zijn niet gekomen met de wens om te leren,
om te begrijpen, om te voelen, of om gered te worden: ze “zitten er
alleen maar bij”.
I Laat ons eerste punt
de vraag beantwoorden – WAT WAREN DEZE MENSEN AAN HET DOEN? Ze “zaten
erbij”. Daar ligt heel veel in opgesloten. Ten eerste, ze gaven
toe aan hun nieuwsgierigheid. Ze waren uit elke stad van Galilea,
Judea en Jeruzalem gekomen, om te weten te komen waar deze opschudding
over ging. Ze hadden van de grote vermaardheid van Christus gehoord, dat
Hij wonderen bewerkte en dit bracht hen in de menigte, die Hem voortdurend
omringde. Bovendien, de menigte zelf trok hen aan. Waarom was er zo’n
groot gezelschap? Waar kon dat allemaal over gaan? Ze wilden het graag
weten uit nieuwsgierigheid. Ze wilden de Man één keer horen, opdat ze
zouden kunnen zeggen, dat ze Hem gehoord hadden, maar ze waren niet van
plan beïnvloed te worden door wat zij hoorden; ze wilden Hem horen als
buitenstaanders, die “erbij zaten”. Ze waren nieuwsgierig, maar niet
verlangend. In de regel levert dit soort aandacht op plaatsen van de
godsdienstoefening weinig op; toch zou ik liever mensen zien komen vanuit
dit motief dan helemaal niet. Nieuwsgierigheid kan een opstap zijn naar
iets beters; toch, op zichzelf, wat voor goeds ligt erin? Mensen gaan op
zondag naar de Sint Paul’s, naar de Westminster Abbey, naar de
Tabernakel, naar deze plaats of naar die en ze denken dat ze God dienen,
terwijl ze net zo goed een show waren kunnen gaan zien; in feite is het
een gaan naar een show en wat betreft hun motief niets meer. Vlei uzelf
niet; als u naar plaatsen van de godsdienstoefening gaat om alleen maar
rondom u te kijken of om muziek te horen, dan dient u God niet. Als u naar
dit grote huis komt om uw fantasie te behagen, dan dient u God niet meer
dan wanneer u in de velden zou lopen. U “zit er alleen maar bij”, op
een erg armzalige en kruiperige manier.
Er
komen velen in onze samenkomsten en zitten erbij in dit opzicht – dat
ze helemaal onverschillig zijn. Ik veronderstel niet dat deze
schriftgeleerden en Farizeeën goed genoeg waren om helemaal onverschillig
te zijn: ze helden over naar de andere kant en boden bittere tegenstand.
Te velen doen alsof ze zeggen: “Ik kom om een beroemde prediker te
horen, maar wat zijn leer is, weet ik niet en ik geef er ook niet om.”
Ze stellen geen vragen: wat is deze leer van de zondeval? Wat is deze
verdorvenheid van het hart? Wat is dit werk van de Geest? Wat is dit
plaatsvervangende offer? Ze geven er niet om te weten of zij iets te maken
hebben met iets, waarover gesproken wordt; ook vragen ze niet: wat is deze
nieuwe geboorte, deze overgang van de duisternis naar het licht, deze
heiligmaking van de natuur? Ze horen een theologische term en zetten die
van zich af, alsof ze er geen belang bij hebben. Ze willen niet teveel
weten. Dit verzoenende offer – ze horen er zoveel over; dit vergieten
van het kostbare bloed van Jezus, dit wegdoen van de zonde door het offer
van Jezus – ze willen niet luisteren naar dit reddende geheimenis, maar
behandelen het als een zaak van weinig of geen gevolg. Het is niets voor
hen, dat Jezus moest sterven. O beste heren, het moet wel iets voor u
zijn! Als er iets de moeite waard is om er navraag naar te doen, dan is
het uw eigen toestand voor God, uw positie wat betreft de eeuwige dingen,
uw toestand op dit ogenblik met betrekking tot de zonde – of het u rood
kleurt, of dat u ervan gewassen bent in de bron, die Christus heeft
geopend. Als er iets de moeite waard is om door een mens onderzocht te
worden, dan is het de zaak wat betreft zijn eigen ziel ten opzichte van de
eeuwigheid. Wat zou ik graag willen dat u niet alleen maar gewoon “erbij
zit”, maar dat u serieus zou ervaren: “Er is hier iets voor mij.
Misschien is er voor mij een vrede, die ik nooit heb gekend, een vreugde,
die ik me nooit heb voorgesteld. Ik zal het voor mijzelf gaan onderzoeken.
Misschien is er voor mij een hemel waaraan ik tot nu toe heb gewanhoopt.
Ik zal een onderzoek instellen en zien of het zo is of niet.” Moge dat
uw besluit zijn en moge u niet langer behoren bij degenen die er in een
gevoelloze onverschilligheid bij zitten!
De
schriftgeleerden en de Farizeeën zaten er in een andere en slechtere
betekenis bij; want ze waren daar om in een onvriendelijke geest
kritiek te leveren, door òf fouten te ontdekken, òf ze uit te
vinden. Ik zie ze hun notitieboekjes tevoorschijn halen om een woord op te
schrijven dat de Heiland zei, waarvan zij dachten dat het verdraaid kon
worden. Wat stootten ze elkaar aan als Hij iets zei, dat ongewoon klonk en
moedig! O, als ze Hem maar te pakken konden krijgen! Toen Hij tenslotte
tot de zieke zei: “Uw zonden zijn u vergeven”, toen flikkerden hun
ogen, naar ik denk, met boosaardig vuur. “Nu hebben we Hem te pakken! Nu
hebben we Hem te pakken! Deze Man lastert God.” Ze hoopten dat Hij nu
meer gezegd had dan Hij kon verantwoorden en ze vroegen triomfantelijk:
“Wie kan zonden vergeven dan God alleen?” Zij “zaten erbij” en
hielden de Heiland in de gaten, zoals een kat loert op een muis. Hoe
begerig besprongen ze Hem!
Mijn
toehoorders, dit was een treurige zaak, nietwaar? Het is een erg slechte
zaak om naar het huis van God te gaan om een medesterveling te
bekritiseren, die oprecht probeert ons goed te doen. Het zal in de huidige
situatie de prediker niet erg beïnvloeden, want zijn huid is gehard en
hij voelt de klappen van de gewone censuur niet. In geen enkel geval kan
negatieve kritiek iets goeds doen, maar het trieste ervan is dat, terwijl
wij vurig verlangen u de weg tot de redding te laten zien, sommigen van u
ons lastig vallen door kleinzielige opmerkingen over een onjuiste
voordracht, een kleine vergissing, een verkeerde uitspraak van een woord,
of een onnauwkeurig accent. Helaas, wat voor een kleine dingen zetten de
eeuwige waarheid aan de kant! Ik weet het niet en ik zou het ook niet
graag willen zeggen, als ik het wist, wat voor kleine beuzelarijen mensen
oppikken en bespreken, nadat we voor hen een ernstig pleidooi hebben
gehouden over de hemel, de hel, de oordeelsdag, de toekomende toorn en de
manier om eraan te ontsnappen. Was het Carlyle, die sprak van de krekel
die tjilpte midden op de oordeelsdag? Ik ben geneigd te denken dat veel
mensen zijn als die krekel; ze gaan door met hun ijdele geklets, wanneer
Christus Zelf hen wordt voorgesteld aan het kruis. Zeker is dit treurig
werk. Ik ben hongerig; ik ga naar een feestmaal, maar in plaats van mij
goed te doen aan de spijzen, begin ik de kleren van de obers te
bekritiseren, af te geven op de inrichting van de feestzaal en de
levensmiddelen af te keuren. Ik zal even hongerig naar huis gaan als ik
kwam en wie zal er de schuld van krijgen? De beste kritiek die u
mogelijkerwijs kunt geven op het onthaal van uw vriend, is door van harte
deel aan te nemen aan het feestmaal. De grootste eer die we Christus Jezus
kunnen geven, is ons te voeden met Hem, Hem te ontvangen, Hem te
vertrouwen, door Hem te leven. Alleen maar vitten en in twijfel trekken
zal de knapste van u geen goeds brengen. Hoe zou dat kunnen? Het is voor
uzelf een droevige verspilling van tijd en een beproeving van het humeur
van anderen. Toch zijn er velen, die net als de schriftgeleerden en de
Farizeeën, op deze manier “erbij zitten”.
Nu,
ik wil liever niet verder ingaan op deze verschillende vormen van “erbij
zitten”, maar ongetwijfeld zijn er sommigen, die vriendelijk
bewonderen, maar er geen voordeel van hebben. Honderden mensen
“zitten erbij”, die aandachtige toehoorders en warme vrienden zijn en
toch part noch deel hebben aan de zaak. Ze zijn meer of minder regelmatige
bezoekers van dit huis van gebed gedurende, laten we zeggen twaalf,
veertien, vijftien, twintig jaar en toch zijn ze er geen greintje beter
aan toe. Sommigen gaan van de godsdienstoefening naar het café en toch
zouden ze voor geen enkele prijs de kerk of kapel overslaan. Velen zijn
thuis niets beter om alles wat ze hebben gehoord: hun vrouwen zijn trieste
getuigen van dat feit. Wel, voor sommigen van u is al ik weet niet hoe
lang gebeden; er is voor u ook gepreekt en toch “zit u erbij”. Ik kan
niet ontdekken waarom u zo trouw komt en er zo weinig voordeel van hebt.
Het zou voor allen die u kennen een hele rare zaak lijken, als ze u
anderhalf uur op een bepaalde dag van de week, twintig jaar lang in een
bepaalde winkel zagen rondhangen en dat u nooit spullen kocht die een
stuiver waard waren. Waarom hangt u in de evangeliewinkel rond en koopt u
toch niets? Naar wat u zelf laat zien, bent u een dwaas. Ik houd er niet
van om een hard woord te gebruiken, maar toch wordt het in de bijbel
gebruikt voor mensen zoals u. Wie gelooft dat iets zo belangrijk is, dat
hij een dag in de week eraan besteedt om erover te horen en het toch niet
belangrijk genoeg vindt om het te aanvaarden als een gave, verklaart
zichzelf voor gek door zijn eigen daden. Hoe wilt u daar verantwoording
van afleggen op de laatste grote dag wanneer de Rechter zal zeggen: “U
geloofde genoeg om over de redding te gaan horen; waarom geloofde u niet
genoeg om die te aanvaarden? U geloofde genoeg om er ruzie over te maken;
u wilde standhouden voor de leer van het evangelie; en toch kwam uzelf om
in uw zonden.” Wat voor antwoord zult u geven, u die “erbij zit”? U
zult één of ander antwoord moeten geven. Wat zal het zijn? O, dat u een
beetje gezond verstand zou gebruiken voor uw ziel en de stoel van de
dwazen zult verlaten voor de stoel van de berouwvollen en dat u niet meer
iemand bent van degenen die “erbij zitten”.
II Ten tweede, laten
we nagaan WAT ER GEBEURDE, TERWIJL DEZE MENSEN “ERBIJ ZATEN”. Ze waren
de kamer binnengekomen, waar Jezus aan het prediken was, waar menigten aan
het luisteren waren, waar wonderen van genade werden bewerkt. Ze waren aan
het bekritiseren, aan het vitten, maar wat gebeurde er de hele tijd met
hen?
Wel,
ten eerste, ze kregen veel te verantwoorden. Heren, u kunt
niet het evangelie gaan horen, het weigeren, en dan toch blijven zoals u
was. U bent òf beter òf slechter na het horen van het evangelie. Het
wordt voor u òf tot een levensgeur ten leven, òf tot een doodsgeur ten
dode gemaakt. Bedenk dat het draaglijker zal zijn voor Sodom en Gomorra op
de dag van het oordeel dan voor Bethsaïda en Chorazin, die het evangelie
hadden gehoord. De weigering van het evangelie is een topmisdaad: er is
geen zonde zoals die. Zegt het Woord van God het niet zo? Dit is geen
somber spreken van mij. De Here Jezus leerde dat de mannen van Ninevé de
mannen van Jeruzalem zouden veroordelen, omdat zij de waarschuwing
aannamen en Jeruzalem niet. O u, die het evangelie zo lang hebt gehoord en
de hele tijd “erbij hebt gezeten”, wat voor een berg schuld is er op
u! Hoe zult u ontsnappen? Wat moet er van u terechtkomen na zo’n
laaghartige ondankbaarheid?
Verder
werd hun hart steeds meer verhard. Elk uur dat u naar het
evangelie luistert en uw hart ervoor afgrendelt, wordt de kans kleiner dat
u het toelaat. De bout, die verroest is, is moeilijk van zijn plek te
krijgen. Het pad, dat lang betreden is door het dagelijkse verkeer, is
hard geworden, alsof het geplaveid was met steen: harten, waar het
evangelie vaak doorheen getrokken is, zijn onder haar voetstappen geworden
als ijzer. Ik vrees dat uw geweten verhard is geworden door het verkeer
van het evangelie. Ik weet dat het bij velen zo is. De Here vergeve hen.
Als ik een samenkomst kon hebben, die nooit eerder het evangelie had
gehoord, zou ik hoopvoller gestemd zijn dan wanneer ik spreek tot u, die
het jaren hebt gehoord. Wat zal u waarschijnlijk nog raken? Welke nieuwe
argumenten kan ik naar voren brengen? Ik kan u misschien één of ander
nieuw verhaal vertellen, maar wat helpt dat? U hebt al veel te veel
verhalen gehoord. Het is niet zo gemakkelijk om uw aandacht vast te houden
vergeleken met vroeger: de stem is bekend geworden en de manier van
spreken is afgezaagd voor u. Kan ik hopen dat ik nu de harten zal
bereiken, waar ik zoveel pijlen op heb afgeschoten, die allen het doel
hebben gemist? O God, wees diegenen genadig, die er al zo lang “bij
zitten”!
Nogmaals,
laat me u eraan herinneren dat diegenen die “erbij zaten” Christus
zoveel mogelijk tegenwerkten. Er is iets – elke prediker heeft
het gevoeld – er is iets in een samenkomst zelf dat de prediker beïnvloedt,
zoals hij de samenkomst beïnvloedt. Ik ervaar spoedig, wanneer gelovige
mensen voor me aan het bidden zijn en roepen: “O Here, help hem om te
prediken!” Ik kan u niet zeggen hoe het is, maar het is zo, dat sommige
samenkomsten mij bevriezen en andere mij in vlam zetten. Wanneer de
wetgeleerden en de Farizeeën “erbij zitten”, trekken ze ons naar
beneden en we kunnen niet veel machtige werken doen. Als mijn oog de blik
van één van deze ijs-mensen opvangt; als ik zijn ellendige
onverschilligheid in de gaten krijg en zijn half verborgen minachting
ontdek, dan word ik erdoor verzwakt. Ik verbeeld me dat ik zulke mensen
hoor zeggen: “Het kan ons niets schelen wat u zegt. Wij behoren niet tot
diegenen die u kunt beïnvloeden. We zijn bekleed met een pantser tegen uw
wapens.” Dit verkilt iemand tot op het bot. Nu, dit is het effect van uw
gedrag als u “erbij zit” – u verkilt de prediker en door de prediker
te verkillen doet u de samenkomt onmetelijk veel kwaad aan. Weet u niet,
dat het zelfs van Jezus werd gezegd: “Hij deed daar niet vele krachten
vanwege hun ongeloof”? Zelfs Hij, als mens, was in een bepaalde mate
afhankelijk van degenen die Hem omringden: toen Hij hun geloof zag, genas
Hij de zieke van zijn verlamming; en op een ander moment, keek Hij, toen
Hij hun ongeloof zag, met verontwaardiging rond. Het is een vreselijk
feit, dat sommigen van u zich zo gedragen, dat u de redding van anderen
verhindert door uw onverschilligheid voor de heilige boodschap. Ik geloof
dat dit in het bijzonder het geval is bij u, die in alle dingen erg goede
mensen bent, behalve in het ene noodzakelijke. U vreest God niet en juist
uw goedheid heeft een slecht effect. Het voorbeeld van een vuile en
bedorven losbol zal bepaalde mensen niet beïnvloeden, want ze hebben een
afkeer van de grofheid ervan en worden gedreven om iets beters te zoeken.
Maar wanneer jonge mensen een uitnemend persoon zien zoals u, zo zedig en
beminnelijk zonder godsdienst, dan trekken ze uit uw voorbeeld de
conclusie, dat godsvrucht niet absoluut noodzakelijk is en nemen dan de
vrijheid het er zonder te doen. Dus u, die “erbij zit”, kunt een vloek
zijn, waar u dat maar weinig vermoedt: u kunt bezig zijn anderen aan te
moedigen om te proberen zonder de Heiland te leven.
Maar
toch, laat me dit punt niet afsluiten zonder de opmerking te herhalen, dat
we blij zijn dat deze mensen “erbij zitten” in plaats van helemaal
niet te komen. Terwijl ze onderweg zijn, kan de Here hen ontmoeten. Als u
ergens bent waar kogels rondvliegen, kunt u één van deze dagen gewond
raken. Het is beter te komen en het evangelie te horen vanuit een laag
motief dan om helemaal niet te komen. Denk aan het vreemde verhaal van
Hugh Latimer, toen hij al zijn toehoorders aanspoorde om het evangelie te
gaan horen. Hij prees zelfs die slapeloze mevrouw, die een slaapmiddel had
genomen, maar ontdekte dat er geen geneesmiddel sterk genoeg was om haar
te laten slapen, tot zij tenslotte zei: “Als u mij naar de parochiekerk
zou brengen, dan weet ik, dat ik zou kunnen gaan slapen; want ik heb daar
vele jaren lang elke zondag geslapen.” Ze werd naar die rustplaats
gebracht en was spoedig vredig in slaap. “Wel, wel,” zei Latimer,
“ze kon maar beter komen om te slapen dan helemaal niet komen.” En zo
zeg ik het ook: zelfs als u hier komt om te slapen, kan de Here u wakker
maken om de Heiland te gaan zoeken en vinden. Toch is het een droevige
zaak – dit “erbij zitten”.
III Laten we ons
vervolgens afvragen: WAT WAS DE OORZAAK WAAROM DEZE MENSEN “ERBIJ
ZATEN”? Waarom kwamen ze om Jezus te horen en werden ze niet een deel
van de werkelijk aandachtige samenkomst, maar hielden ze zich op aan de
buitenkant ervan en “zaten ze erbij”? Ik zou niet onnodig sommigen van
degenen willen kwetsen, die deze keer hierheen gekomen zijn, maar laat me
rustig een paar dingen zeggen, die op hen van toepassing kunnen zijn.
In
de eerste plaats, in de zaak van de schriftgeleerden was het eigendunk
die hen erbij deed zitten. Ze waren afgezonderd van de gewone menigte
door een gevoel van superioriteit. Ze zeiden: “Wat hebben we te maken
met het horen van Jezus van Nazareth en Zijn boodschap over de vergeving
van zonde?” “Wel,” zeiden ze, “we zijn hoog opgeleide mensen en we
hoeven niet naar zo’n eenvoudige prediker te luisteren. Zijn redding
hebben we niet nodig, want we zijn niet verloren.” Jezus Zelf zei:
“Zij, die gezond zijn hebben geen geneesheer nodig, maar zij die ziek
zijn.” Hij gaf daarmee aan, dat het hun goede opvatting van zichzelf
was, die hen bij Hem vandaan hield. Dat is de reden waarom zo velen erbij
zitten: naar hun eigen mening zijn ze even goed als de besten en hoeven ze
geen grote verandering te ondergaan. Ze zijn erg achtenswaardige mensen en
ze geloven ook, dat ze oprecht en mild zijn. Op een avond verliet er een
man dit gebouw. Hij werd aangesproken door één van onze vrienden, die
hem toevallig kende vanuit het zakenleven en hem hoog achtte. “Wat! Bent
u vanavond onze prediker gaan horen?” De goede man antwoordde: “Ja,
het spijt me te moeten zeggen, dat ik dat heb gedaan.” “Maar,” zei
onze vriend, “waarom spijt u dat?” “Wel,” zei hij, “hij heeft me
binnenstebuiten gekeerd en mijn denkbeeld over mezelf bedorven. Toen ik de
Tabernakel binnenging, dacht ik dat ik de beste man hier in Newington was,
maar nu ervaar ik, dat mijn gerechtigheid waardeloos is.” “O,” zei
de vriend, “dan is alles in orde; u zult nog een keer komen; daar ben ik
zeker van. Het Woord heeft uw hart geraakt en u de waarheid laten zien: u
zult spoedig troost ontvangen.” Die vriend kwam nog een keer en hij is
hier vanavond: hij heeft behagen in precies die waarheid, die hem
binnenstebuiten keerde. Hij komt met het doel, dat het Woord des Heren hem
mag doorzoeken en beproeven en voor hem mag zijn als het vuur van de
zuiveraar. Wie het bangst is om binnenstebuiten gekeerd te worden, is de
man, die het het meest nodig heeft dat proces te ondergaan. Helaas! Velen
willen niet, dat het Woord hen doorzoekt. Ze zeggen bij zichzelf: “Dat
is goed, erg goed, maar niet voor mij.” Dat zijn zij, die erbij zitten;
zij zitten in een hoek, uit de wind, die aan het wannen is. Ziet u ze niet
keurig rechtop zitten en erg ernstig kijken naar andere mensen, alsof ze
tegen hun buurman willen zeggen: “Daar, pak jij die maar aan! Die leer
is goed voor jullie, zondaren, maar de prediker heeft het niet over
mij.”
Deze
mensen “zaten erbij” omdat er in hen geen gevoel van
persoonlijke nood was, geen waarneming van hun eigen naaktheid,
die Christus alleen kan bedekken, geen gevoel van innerlijke honger, die
Jezus alleen kan wegnemen. Ze hadden geen Heiland voor zichzelf nodig,
hoewel ze het prima vonden Hem tot anderen te horen prediken; zij
behoefden geen genade voor zichzelf, al waren ze blij dat zondaren erover
hoorden. Zij konden zien en daarom was het niet nodig dat hun ogen geopend
zouden worden. Zij hadden alle dingen en hadden geen armoede om op te
pleiten. Zo zal het altijd zijn bij de prediking van het Woord; zij, die
in de gaten hebben, dat ze nodig hebben wat het hen aanbiedt, zullen het
met blijdschap horen, maar anderen zullen er geen belang in stellen.
Bewuste nood neigt het oor om te horen en totdat de Geest van God in ons
werkt, zullen we doof als kwartels zijn voor de stem der liefde en door
blijven gaan met het “erbij zitten”.
Er
zat bij deze mensen ook een heleboel vooroordeel. Hun
conservatieve neiging hield hen afzijdig. In beperkte mate doorgevoerd is
deze neiging goed, maar het kan een mens veranderen in een zoutpilaar en
voorkomen, dat hij vlucht voor zijn leven. Omdat ze de oude wijn gedronken
hebben, verlangen deze onbeweeglijke mensen niet naar nieuwe wijn. Ze zijn
er zeker van, dat de oude beter is. Maar toch, als de oude wijn zuur en
muf is en de nieuwe wijn zoet en goed, is het jammer de slechte te
verkiezen boven de goede. De oude vergiftigende wijn van de redding door
menselijke verdienste of door ceremoniën wordt door velen verkozen boven
de eigen wijn van onze Here, de nieuwe wijn van Zijn Koninkrijk, namelijk,
rechtvaardigmaking door Zijn gerechtigheid door middel van het geloof.
“Geloof en leef” wordt aan de kant gezet voor “de mens, die deze
dingen doet, zal daardoor leven”. Ze geven de voorkeur aan Sinaï boven
Golgotha, aan hun eigen vuile lompen boven de volmaakte mantel der
gerechtigheid van de Here. Ze houden vast aan het oude verbond, dat
weggenomen is en kunnen het eeuwige verbond der genade niet verdragen. Het
vooroordeel van de trotse menselijke natuur is moeilijk te overwinnen; de
mensen zijn niet bereid de Schriften te onderzoeken en te zien of zij
juist zijn of niet, maar ze houden vast aan hun overgeërfde leugens.
Velen
“zitten erbij” vanwege resoluut ongeloof en vastbesloten
zelfvertrouwen. O vrienden, het is ons van nature aangeboren om in
onszelf te geloven. Wat is dat anders dan klinkklare afgoderij? Pas als we
wedergeboren worden, gaan we in Jezus Christus geloven en vertrouwen zo op
de levende God en ontvangen een levende hoop. Moge de Here ons verlossen
van dat oude, waardeloze vertrouwen op onszelf, vertrouwen op werken,
vertrouwen op uiterlijke ceremoniën, vertrouwen op het vlees! O, dat we
de oude en muffe wijn op de grond mogen gieten en van de nieuwe wijn mogen
proeven, die geperst is uit de druiventros door de stervende Zoon van God;
de nieuwe wijn van de redding door genade, door het geloof, tot de eer van
God! Wat zou ik graag wensen dat zij die “erbij zitten” als gevolg van
hun ijdele vooroordelen, gebracht mogen worden tot het huwelijksfeest van
de genade en bereid gemaakt mogen worden het bruiloftskleed te dragen en
Hem te eren, Die het gereed gemaakt heeft! Vooroordeel is de ondergang van
duizenden. Ze hadden ziende gemaakt kunnen worden, als ze maar niet
dachten dat ze reeds zagen; ze hadden gelukkig in de Here kunnen worden,
als hun niet gefundeerde eigendunk hen er niet toe gebracht had “erbij
te zitten”.
IV WAT ZULLEN WE
ZEGGEN VAN DEZE BIJZITTERS? Gewoon een woord om een oordeel te vormen over
hen en dan zal ik klaar met hen zijn. O dat de Here Zelf met hen zou
handelen door Zijn Heilige Geest! Deze “bijzitters”, deze mensen die
zich niet echt bemoeien met de waarheid en het geloof van het evangelie,
maar het horen en ermee spelen en erover praten en erdan mee klaar zijn,
wat zal ik van hen zeggen?
Wel,
ten eerste lijken ze me totaal niet op de juiste plek, wanneer u
denkt aan de Here, Die aan het prediken was. Hoe konden zij
onverschillig zijn in Zijn tegenwoordigheid? Hij was witheet en zij waren
blokken ijs. Hij was één en al energie en zij “zaten erbij”. Hij
matte zich af en raakte uitgeput en zij “zaten erbij”. Hij was de hele
nacht bezig in gebed met Zijn Goddelijke Vader en Hij kwam nu naar voren,
gekleed met Goddelijke kracht om te genezen en zij “zaten erbij”. Ze
deden net alsof ze geleerden en leraren van het volk waren en daarom een
grote verantwoordelijkheid droegen; toch waren ze ermee tevreden “erbij
te zitten” toen Jezus Zijn ziel uitstortte. O heren, niemand van ons
dient onverschillig te zijn in de tegenwoordigheid van de Christus van
God. Hij is bekleed met ijver als met een mantel; hoe kunnen wij lauw
zijn? Hij legde Zijn leven af voor de schapen; hoe kunnen wij voor onszelf
leven! Hij leeft nog steeds voor Zijn volk en neemt geen rust, maar door
Zijn onophoudelijk pleiten bewijst Hij Zijn eeuwig belang in onze zaak en
als wij “er dan bij zitten” zal dat een vreselijke ondankbaarheid
zijn! Mensen, die de grote redding hebben ontvangen “zitten erbij”
terwijl de Heiland sterft; of zelfs mensen, die in het gevaar verkeren
meteen naar de hel te zinken, “zitten er zorgeloos bij” terwijl de
poort der genade voor hen opengezet wordt door de doorboorde hand van
Jezus! O, het is een droevige, vreemde zaak! Here, leer deze dwaze
generatie wijsheid! Laat hen er niet steeds “bij blijven zitten”!
Het
was evenzeer ook niet in overeenstemming met de toestand van de rest van
de samenkomst. Zie, wat voor een menigte rondom de Here Jezus is.
Als ze iemand naar binnen willen brengen, die ziek is vanwege een
verlamming, kunnen ze hem niet in de buurt krijgen. Niemand wil aan de
kant gaan; ze zijn allemaal zo begerig om te horen en een zegen te
krijgen. Tenslotte nemen ze de verlamde man mee bovenop het dak; ze breken
werkelijk de tegels op en ze laten de man met touwen naar beneden boven de
hoofden van de mensen; ja, precies tussen de geleerde wetgeleerden en de
trotse Farizeeën. De stukken tegels vallen overal naar beneden, het stof
ligt op de wetgeleerden en de godgeleerden. Zie, hoe begerig, hoe vurig,
hoe opdringerig de mensen zijn! Toch “zitten deze heren erbij” met
koude onverschilligheid! Zie hen hun notitieboekjes pakken om een
uitdrukking te noteren, waarin ze misschien een fout kunnen vinden! Zie
hoe koel zij de details observeren van wat wordt gedaan! Zij worden niet
bewogen, zij niet! Een man, die lang verlamd is geweest, staat op het punt
genezen te worden en zij behandelen het alsof het een interessant geval in
het ziekenhuis is, waar omheen een gezelschap van medische studenten
samenkomt als rondom een show. Hoe kunnen ze zich zo gedragen? Zijn ze
gemaakt van steen of van ijzer? De gewone menselijkheid zou hen kunnen
raken, zou iemand denken, maar nee, zij willen niet ingaan op iets dat
Jezus zegt of doet; zij “zitten er alleen maar bij”.
Het
zal voor sommigen van u een vreselijk iets zijn om voor altijd verworpen
te worden en zich dan te herinneren, dat u naast mensen zat die werden
gered, naast hen zat op het moment, dat zij hoorden ten eeuwigen leven.
Hoe zult u het verdragen om te weten dat deze mensen werden gered door die
machtige toespraak, die zelfs u op uw knieën bracht? Maar u schudde de
indruk van u af, werd zorgeloos en bleef weer doorgaan in uw zonde. Deze
gedachte zal u bijten als een slang wanneer u alle hoop kwijt bent en voor
altijd wordt verdreven uit de tegenwoordigheid van God. Het zal zijn als
de worm, die nooit sterft, wanneer u tegen uzelf zegt: “Ik was erbij,
toen Jezus door Zijn genade harten van mensen vernieuwde. Ik was erbij,
toen mijn metgezel hoorde, geloofde en werd gered, maar ik heb eigenzinnig
geweigerd om te horen en heb me afgekeerd van de enige Heiland.” Wat zal
ik zeggen tot gindse echtgenoot, die zich zou moeten herinneren dat zij,
die in deze wereld aan zijn boezem lag, om hem huilde, hem vertelde dat
zij een Heiland had gevonden en hem smeekte aan zijn onsterfelijke ziel te
denken en zich tot de Here te wenden? U zult zich herinneren hoe u uw hart
van staal maakte tegen die gezegende invloed en de heilige tranen weigerde
van degenen, die u zozeer liefhad. Of is het zo, dat uw liefste kind
thuiskwam uit de zondagsschool en huilde ten gevolge van de zonde en u, de
moeder, die God had moeten danken voor de zegen over uw nakomelingen, het
berouw van uw kind belachelijk hebt gemaakt? Dit is “erbij zitten” op
de meest afschuwelijke manier – “erbij zitten” om te spotten en
tegenstand te bieden. Terwijl anderen worden gered, “zit u erbij”.
Wel, als ik vanavond ziek was vanwege een verlamming, als ik hier lag en
zag dat de Meester u, die ziek bent, genas, dan denk ik, dat ik tenslotte
zo goed als ik kon zou uitroepen: “Jezus, Meester, heb medelijden met
mij.” Ik spoor een ieder van u, die onbekeerd bent, aan deze woorden uit
mijn mond te nemen en met uw hele hart ze in het gebed te gebruiken. Roep:
“Here, heb medelijden met mij. Christus, heb medelijden met mij!”
V Ik had nog veel meer
toe te voegen aan dit punt, maar de tijd vermaant mij. Laat me in een paar
zinnen spreken tot sommigen, DIE NIET THUISHOREN TUSSEN DEGENEN DIE
“ERBIJ ZITTEN”. U, die de ziekte van uw ziel erkent,
zult niet bij die groep horen. U voelt uw schuld: u voelt uw behoefte aan
Christus: u bent vanavond verbroken: ga daarom geen ogenblik “erbij
zitten”. Sta op, Hij roept u! Worstel u door de menigte heen naar Jezus.
Geloof in Hem en leef. Moge Zijn Geest u leiden om dat nu meteen te doen!
Voordat ik de Heiland vond, bezocht ik bijna elke plaats van
godsdienstoefening in de stad waar ik woonde, maar ik vond geen volledige
redding in één van hen. Ik geloof dat het kwam door mijn eigen
onwetendheid. In de kleine kapel van de Primitieve Methodisten, waar ik
Christus hoorde prediken en waar mij gevraagd werd alleen op Hem te zien,
vond ik rust voor mijn ziel; maar de reden waarom ik Hem vond, was, omdat
Zijn genade me had laten weten, dat ik Hem nodig had. Ik veronderstel
niet, dat de preek die voor mij bruikbaar was gemaakt iets opmerkelijkers
in zich had dan andere evangelietoespraken. Het speciale punt was, dat de
Here mij had voorbereid om de boodschap van het evangelie te ontvangen.
Men zegt dat het water van de Nijl erg zoet is. We hebben een aantal van
onze landgenoten horen verzekeren, dat een klein beetje ervan te veel voor
hen was en dat ze wensten het nooit weer te drinken. Het heeft geen zin om
over smaak te twisten, maar mensen kunnen het zeker wel eens worden over
de kwaliteit van het water. Toch prijzen sommigen dit Nijlwater de lucht
in, terwijl anderen het een modderig goedje noemen. De reden waarom het
water van de Nijl zo aangenaam voor Egyptenaren is, komt door het feit,
dat hun klimaat droog is en de mensen dorst hebben en ander water schaars
is. Onder een brandende zon is een slok water erg verfrissend. Voor de
ziel, die dorstig is naar genade, verzoening en eeuwig leven, is elke
belofte van de Here heerlijk. Niets geeft meer geur en smaak aan het
evangelie dan dat werk van de Heilige Geest, waardoor we onze grote
behoefte eraan gaan ervaren.
O,
als u Christus niet hebt gevonden – u, die Hem zoekt – ga dan naar
elke plaats waar Christus wordt gepredikt, totdat u Hem wel vindt. Als u
de hemelse zegen niet op de ene plaats krijgt, ga dan naar een andere;
blijf niet ergens heengaan, waar er geen zegen is, enkel en alleen omdat
het uw regelmatige plaats van samenkomen is. U hebt brood nodig en als de
ene bakker het niet heeft, ga dan naar een andere. Zoek de Heiland zoals
mensen graven naar goud of zoeken naar diamanten. Ik heb gehoord van een
man, die heel lang één van de kerken in Schotland had bezocht en omdat
hij er geen enkel goeds vond, ging hij weg om naar een bepaalde prediking
te luisteren, die niet volgens de kerkregels was. Daar vond hij vrede met
God. De oude prediker waarschuwde hem voor zijn goddeloosheid omdat hij
wegbleef van de kerk en zei in het Schots, wat ik in het Engels moet
vertalen: “Donald, je had niet naar die man moeten gaan luisteren; hij
is niet van de oude kerk.” “Wel,” zei Donald, “maar ik had een
zegen nodig en ik vond dat ik overal naartoe moest gaan om die te
krijgen.” “Wel,” zei de predikant, “Donald, je had bij het
badwater moeten blijven wachten zoals de man in het evangelie totdat het
water werd bewogen.” “Wel meneer,” zei de man, “maar u ziet dat
die man zag, dat het water soms bewogen werd en hoewel hij er zelf niet in
kwam, wist hij toch dat anderen erin gestapt waren en waren genezen en dat
moedigde hem aan nog een poosje te wachten in de hoop dat zijn beurt nog
zou komen. Maar ik heb deze veertig jaar bij uw badwater gelegen en ik heb
nooit het water bewogen gezien, of iemand daarin genezen zien worden; dus
dacht ik, dat het tijd voor mij werd om ergens anders te kijken.” Dat
was het inderdaad. We kunnen ons niet veroorloven verloren te gaan vanwege
kapellen of kerken. O mijn toehoorder, zoek toch de Here met heel uw hart;
blijf Hem zoeken, totdat u Hem vindt. Wees niet nog langer alleen maar een
bijzitter; maar gehoorzaam de roep, die u gebiedt om naderbij te komen.
Wees niet tevreden in één of ander pretentieus huis van gebed te zitten,
waar het gebed niet wordt gehoord en zielen niet worden gered. Laat uw
emmer niet neer in nog meer droge putten. Ga waar Jezus is. Doorkruis alle
denominaties en blijf niet treuzelen, totdat u kunt zeggen: “Ik heb
Jezus gevonden.” Als Hij op de ene plaats niet wordt gepredikt, haast u
dan naar een andere. Houd uw oren en uw harten open. “Zoek de Here
terwijl Hij Zich laat vinden; roep Hem aan terwijl Hij nabij is.” Verval
niet in de gewoonte om naar een plaats te gaan, omdat u daar altijd heen
ging en van plan bent om daar altijd naartoe te gaan. Wel, sommigen van u
zijn bijna vastgegroeid aan uw stoelen en zijn evenzeer van hout als
datgene waarop u zit. O u, die alleen maar bijzitters bent, ik smeek u
dringend, blijf niet in deze ellendige toestand. Moge op dit ogenblik uw
roep tot de Here zijn:
“Geef
mij Christus, of anders sterf ik!”
Moge
God u helpen uw horen tot werkelijkheid te maken, uw zitten onder het
evangelie tot een echte aanvaarding ervan!
U,
die in groot verdriet bent, ik denk niet, dat het mogelijk
is dat u überhaupt bijzitters kunt zijn. U bent teleurgesteld in de
liefde; u bent een wereld van problemen tegengekomen, of u bent alle
amusementen langs gegaan en u hebt geen einde aan de vrolijkheid gezien,
maar u bent er misselijk van en moe van de wereld en van uzelf. U ervaart
dat u evengoed zou kunnen proberen uw buik te vullen met wind, als uw ziel
te vullen met het amusement van de wereld en u bent hierheen gekomen,
afgemat en vol walging. Uw hart is in barensnood en is zwaar beladen en u
snakt naar rust. Kom en probeer mijn Meester. Hij nodigt u uit; Hij smeekt
u om te komen. Hij roept tot u: “Kom tot Mij, allen die vermoeid en
belast zijn en Ik zal u rust geven.” Hij meent wat Hij zegt. U hebt
genoeg gezwoegd voor de wereld en haar loon was de moeite van het hebben
niet waard. Kom nu tot Hem, Wiens gave eeuwig leven is. Moge Zijn Heilige
Geest u leiden om meteen te komen en niet langer uit te stellen! U bent
één van degenen die zich niet kan veroorloven om “erbij te zitten”,
want de zonde vervloekt u, de dood bedreigt u en de eeuwige toorn
achtervolgt u. Ik weet hoe het met u zal zijn, tenzij de genade het
voorkomt: u zult naar huis gaan en de toespraak zal voorbij zijn en velen
van u zullen nog steeds “bijzitters” zijn, want u zult de overtuiging
van u afschudden en onverschillig zijn. Herinner u, ik heb u gewaarschuwd.
Wilt u de waarschuwing minachten?
Er
is hier op dit ogenblik een arme gevallen vrouw, afgemat door haar
misdaden. Verlangt zij ernaar om de Heiland te kennen? Laat haar haar
zonde belijden en die opgeven, dan zal ze “er niet bij zitten”. Er is
hier een jongeman met een gebroken hart, die de wilde haver begint te
oogsten die hij heeft gezaaid. Zal hij erbij zitten? Wenst hij te weten,
hoe zijn hart veranderd kan worden, zijn zonden vergeven en zijn ziel
getroost? Laat hem opstaan en naar zijn Vader gaan en niet langer “erbij
zitten”.
En
zo sluit ik af met een volledige en vrije evangelie-oproep. Kom en wees
welkom, u die graag tot Jezus zou willen komen. Kom juist nu, met al uw
zonden bij u en zie het Lam Gods, Dat de zonde der wereld wegneemt. Als u
wilt weten, wat het is om tot Hem te komen, weet dan dat het is: Hem
vertrouwen. Ga naar uw kamer, zie omhoog en zeg: “Jezus, ik
kan u niet zien, maar u bent overal waar een gebroken hart is. Zie, ik
zoek U; openbaar Uzelf aan mij. Ik vertrouw U, dat U mij vergeeft en dat U
mij vernieuwt.” Jezus zal u niet weigeren, want Hij werpt niemand uit
die tot Hem komt. Ik zei: “Ga naar huis” , maar ik zal dat woord
veranderen. Blijf op uw plaats en zoek Hem waar u bent en zoals u bent.
Vertrouw uzelf, voordat u deze plaats verlaat, aan die geliefde hand toe,
die werd doorboord voor de schuldigen en die altijd gereed is een zondaar
te grijpen. Zoals de parelvisser gelukkig is wanneer hij een handvol
parels vindt, zo is Jezus gelukkig, wanneer Hij Zijn hand legt op arme
zondaren en hen neemt om van Hem te worden. Geef uw ziel over aan Zijn
bewaring. Vertrouw Hem volledig! Vertrouw Hem alleen! Vertrouw Hem nu.
Ontsnap vanavond om uws levens wil en vind een schuilplaats in de Rots der
Eeuwen. Jezus roept: “Zie op Mij en wordt behouden, alle gij einden der
aarde.” O Here, breng al deze zondaren ertoe op Jezus te zien door Uw
Heilige Geest, ter wille van Uw genade! Amen.
©
Copyright vertaling 2005 B. Kroeze, Doldersum. Alle rechten voorbehouden. info@mannavoorpelgrims.nl
Zie voor copyrightregels: www.mannavoorpelgrims.nl
|