|
|
DE
INZETTING VAN DAVID VOOR HET VERDELEN VAN DE BUIT.
Een
toespraak gehouden op 7 juni 1891 door C.H. Spurgeon.
Printversie: 
(Noot
van de vertaler:
Dit is de laatste toespraak, die Spurgeon in de Metropolitan
Tabernacle heeft uitgesproken.)
De
tekst is 1 Samuël 30:21 t/m 25.
“Toen David bij de tweehonderd mannen kwam, die te uitgeput waren
geweest om hem te volgen, zodat hij hen bij de beek Besor achtergelaten
had, gingen dezen David en het volk dat bij hem was, tegemoet. En David
kwam bij de manschappen en vroeg hun naar hun welstand. Daarop begonnen
alle slechte en nietswaardige onder de mannen die met David meegegaan
waren, te spreken: Omdat zij niet met ons meegegaan zijn, geven wij hun
niets van de buit die wij gered hebben, behalve aan ieder zijn vrouw en
zijn kinderen. Laten zij die meenemen en weggaan. Maar David zeide: Zo
moet gij niet doen, mijn broeders, met wat de Here ons gegeven heeft; Hij
heeft ons bewaard en de bende die ons overviel, in onze macht gegeven. Wie
zou hierin naar u luisteren? Neen, het deel van wie bij het pakgoed
blijft, zal hetzelfde zijn als van wie ten strijde trekt; gelijk op zullen
zij delen. En zo is het geweest van die dag af; hij stelde het tot
inzetting en regel voor Israël tot op deze dag.”
Zij,
die zich verenigen met hun leider moeten delen in zijn lot. Zeshonderd
mannen hadden hun woning in Judea verlaten. Omdat ze de tirannie van Saul
niet konden verdragen, hadden ze zichzelf verbonden met David en hem tot
hun aanvoerder gemaakt. Sommigen van hen waren de beste en sommigen de
slechtste onder de mensen: hierin lijken ze op onze samenkomsten. Sommigen
van hen waren uitgelezen zielen, die David zou hebben uitgezocht, maar
anderen waren ongewenste personen, die hij veel liever kwijt was geweest.
Hoe het echter ook zij, ze moesten staan of vallen met hun leider en
bevelhebber. Toen hij de stad Ziklag kreeg, hadden ze daarin een huis en
toen Ziklag met vuur werd verbrand, ontkwamen hun huizen niet. Toen David
temidden van de rokende puinhopen stond, als een arme man zonder vrouw,
stonden ze daar in dezelfde toestand. Deze regel is van toepassing op ons
allen, die zich verbonden hebben met Christus en Zijn zaak; wij moeten
Zijn deelgenoten zijn. Ik hoop dat wij voorbereid zijn om deze regel
vandaag te handhaven. Als er minachting en smaad voor het evangelie van
Christus is, laten wij dan bereid zijn smaad te ondergaan ter wille van
Hem. Laten we blij delen in Zijn vernedering en er nooit van dromen ons
terug te trekken. Dit houdt een groot voorrecht in, omdat zij, die met Hem
zijn in Zijn vernedering, ook met Hem zullen zijn in Zijn heerlijkheid.
Als wij delen in Zijn smaad temidden van een boos en verkeerd geslacht,
zullen we ook zitten op Zijn troon en Zijn heerlijkheid delen op de dag
van Zijn verschijning. Broeders, ik hoop dat de meesten van ons kunnen
zeggen dat we alles op alles zetten, erop of eronder met Jezus. In leven
of dood, waar Hij is, daar zullen wij, Zijn dienstknechten, zijn. Wij, die
bij onze Here Jezus Christus horen, aanvaarden blij zowel het kruis als de
kroon: we verlangen ernaar ons volledige deel van de schande te dragen,
opdat we mogen deelhebben aan Zijn vreugde.
Het
gebeurt herhaaldelijk, dat wanneer een schare mensen een grote ramp
overkomt, er een muiterij op volgt. Hoe weinig het ook de fout van de
leider mag zijn, toch geven de verslagenen hem de schuld van de nederlaag.
Als het gevecht wordt gewonnen, “dan was het het gevecht van
soldaten”; iedere man onder de wapenen claimt zijn deel van de eer. Maar
als de strijd wordt verloren, dan wordt de bevelhebber afgedankt! Het was
helemaal zijn schuld; als hij een betere generaal was geweest, had hij de
slag kunnen winnen. Zo praten mensen: eerlijkheid is niet aan de orde. Zo
was het tijdens de grote ramp van Ziklag, toen de stad met vuur werd
verbrand en vrouwen en kinderen gevangen werden weggevoerd; we lezen dat
ze ervan spraken David te stenigen. Waarom David? Het is moeilijk om in te
zien waarom David eerder dan iemand anders gestenigd zou worden, want hij
was niet in Ziklag, niemand van hen. Ze voelden zich zo gekweld, dat het
voor hen een opluchting zou zijn om iemand te stenigen en waarom David dan
niet? Broeders, het overkomt zelfs de dienstknechten van Christus, dat
wanneer zij vervolging en verlies ondergaan ter wille van Christus, de
verleider hen toefluistert hun belijdenis er maar aan te geven. “Sinds
je christen bent, heb je alleen maar ellende gehad. Het lijkt alsof de
honden van de hel meer dan ooit naar je hielen happen sinds je de naam van
Christus aannam. Daarom, geef er de brui aan en verlaat de wegen van het
geloof.” Wat een smerige suggestie! Muiterij tegen de Here Jezus? Durft
u dat te doen? Sommigen van ons kunnen dat niet doen, want wanneer Hij ons
vraagt: “Wilt gij ook niet heengaan?”, kunnen we alleen maar
antwoorden: “Here, tot wie zullen we heengaan? U hebt woorden van eeuwig
leven.” Geen andere leider is het waard gevolgd te worden. We moeten de
Zoon van David volgen. Muiterij tegen Hem is niet aan de orde.
“Door de vloed of door de
vlammen, als Jezus leidt,
Zullen we volgen waar Hij gaat.”
Wanneer een hond een man volgt, kunnen we ontdekken of de man zijn baas
is, door te kijken wat er gebeurt, wanneer ze bij een bocht in de weg
komen. Als het dier bij alle bochten dicht bij zijn meester blijft, hoort
het dier bij hem. Zo nu en dan komen u en ik bij bochten in de weg en
velen van ons zijn door genade bereid onze onderdanigheid te bewijzen door
Jezus te volgen, zelfs wanneer de weg het moeilijkst is. Al staan er
tranen in Zijn ogen en in de onze; al huilen wij samen, totdat we geen
kracht meer hebben om te huilen, toch zullen we aan Hem vasthouden,
wanneer velen zich afwenden; we zullen getuigen dat Hij het levende Woord
heeft en verder niemand op aarde. God geve ons genade om getrouw te zijn
tot de dood!
Als
we zo onze Leider volgen en Zijn smaad dragen, zal het einde en de afloop
een heerlijke overwinning zijn. Het was een triest gezicht om David te
zien, die tweehonderd man achterliet en doormarcheerde met zijn sterk
gekrompen legermacht; hij wist nauwelijks waar de vijand was heengegaan.
Wie weet, misschien was die wel tien keer sterker dan zijn kleine troep en
zou die degenen verslaan, die hem achtervolgden. Het was een droefgeestig
schouwspel voor degenen, die achterbleven, om hun leider daar te zien als
een gebroken man, afgemat en moe zoals zijzelf, terwijl hij zich achter de
wrede Amelekieten aan haastte. Hoe anders was het schouwspel, toen hij als
meer dan overwinnaar terugkeerde naar de beek Besor! Hoort u niet het lied
van hen die vreugde bedrijven? Een hele groep mannen vooraan drijven
enorme kudden vee en schapen voor zich uit en zingen onder het lopen:
“Dit is de buit van David!” Dan ziet u de gewapende mannen, met David
temidden van hen, allemaal beladen met buit en u hoort hen nog een ander
lied zingen; zij die de achterhoede vormen, roepen geestdriftig: “David
bracht alles terug! David bracht alles terug!” Zij, de vermoeiden die
bij de beek Besor bleven, horen het gemengde zingen en doen met de eersten
mee en daarna met de anderen, terwijl ze zingen: “Dit is de buit van
David! David bracht alles terug!”
Ja,
we twijfelen niet aan het resultaat van onze oorlogsvoering. Wie trouw is
aan Christus zal met Hem worden verheerlijkt. Dat Hij de buit met de
sterken zal verdelen, is nooit een punt van discussie geweest. “Het
welbehagen van de Here zal voorspoedig zijn in Zijn hand.”
De
oude waarheid, waardoor wij staan, zal nooit uitgewist worden.
“Gegraveerd als in eeuwig koper
schijnt de machtige belofte;
De machten der duisternis zullen nooit
die eeuwige regels uitwissen.”
We zijn er volkomen zeker van, dat de verbannen waarheid haar blijde
terugkeer zal vieren. Het geloof, dat eenmaal de heiligen is overgeleverd,
kan een tijdlang vertreden worden, maar verheug u niet over ons, o onze
tegenstanders: hoewel we vallen, we zullen weer opstaan. Daarom hopen we
geduldig, wachten rustig en geloven kalm. Onderweg drinken we bij de beek
Besor en heffen ons hoofd op.
Deze
morgen wil ik door God gegeven woorden van troost uitspreken tot diegenen,
die zwak en moe zijn in het leger van de Here. Moge de Goddelijke Trooster
ze zo maken!
I Ik zal beginnen met
eerst te zeggen, dat DE ZWAKKEREN ZELFS IN HET LEGER VAN ONZE KONING
VOORKOMEN. Onder de uitgelezen manschappen van Davids leger – helden die
krijgslieden waren vanaf hun jeugd – waren er handen, die omlaag hingen
en zwakke knieën die versterkt moesten worden. Zulken zijn er ook bijna
altijd in het leger van Christus. We hebben onder ons soldaten, van wie
het geloof echt is en van wie de liefde brandende is en toch, ondanks dat
alles, wordt hun kracht nu onderweg verzwakt en zijn ze zo
terneergeslagen, dat ze verplicht worden achter te blijven bij de bagage.
Misschien
zijn sommigen van deze vermoeiden zwak geworden, omdat ze heel erg
in de war waren. David had zich zo verkeerd verbonden met de
Filistijnse koning, dat hij zich verplicht voelde om met Achis te vechten
tegen Israël. Ik durf te zeggen, dat deze mensen bij zichzelf zeiden:
“Hoe zal dit eindigen? Zal David ons werkelijk leiden om tegen Saul te
vechten? Toen hij hem gedood kon hebben in de spelonk wilde hij niet, maar
verklaarde dat hij zijn hand niet zou opheffen tegen de gezalfde des
Heren; zal hij ons nu meenemen om te vechten tegen de gezalfde van God?
Deze David, die zo’n enorme vijand was van de Filistijnen en hun
kampvechter versloeg, zou hij voor hen oorlog voeren?” Ze waren in de
war wat betreft de beslissingen van hun leider. Ik weet niet of u het met
me eens bent, maar ik ben van mening, dat een half uur in de war zijn meer
van een mens vergt dan een maand werken. Wanneer u zich niet kunt oriënteren
en niet weet wat u moet doen, is dat een zware beproeving. Wanneer, om
eerlijk te zijn voor God, het lijkt dat u in geloof moet breken met mensen
en wanneer u, om het ongelukkige verbond met het kwade in stand te houden,
daarmee uw christelijk getuigenis vervalst, dan worden de dingen
verwarrend. Als u niet voorzichtig loopt, kunt u gemakkelijk in een strik
terecht komen. Als christenen langs een rechte lijn lopen, is het naar
verhouding gemakkelijk voortgaan, want het is gemakkelijk om uw weg te
vinden langs een rechte weg, maar wanneer goede mensen een nieuwe route
uitzoeken, dat binnenpad door het weiland, dan komen ze vaak in sloten
terecht, die niet op de kaart staan en vallen ze in struikgewas en
moerassen, waar ze nooit op hadden gerekend. Dan is de tijd voor
neerslachtigheid gekomen. Deze krijgslieden kunnen heel goed in de war
zijn geweest; misschien vreesden ze, dat God tegen hen was en dat nu hun
zaak te schande zou worden. Toen ze bij Ziklag kwamen en merkten dat het
met vuur was verbrand, kwam er bij de verwarring van hun denken nog de
intense bitterheid van hun verdriet en voelden zij zich terneer gebogen in
het stof. Ze speelden geen toneel door hun zwak zijn, maar ze waren dat
echt, want het denken kan spoedig reageren op het lichaam en het lichaam
begeeft het geheel, wanneer de geest gebukt gaat onder vragen en angsten.
Dit is één reden waarom sommigen van de getrouwe aanhangers van onze
Here op de patiëntenlijst staan en een poosje in de loopgraven moeten
blijven.
Misschien
was ook het tempo moordend voor deze mannen. Ze maakten drie
dagen lang snelle marsen van de stad Achis naar Ziklag. Deze mannen konden
prima een dag lang marcheren net als een ieder, maar ze konden dat niet de
hele dag door met een dubbele snelheid doen. Er zijn een heleboel
christenen van dat soort – goede, stabiele mannen, die het volhouden
onder de gewone druk en hun dagelijkse plicht goed uitvoeren en gewone
verzoekingen dapper weerstaan, maar als de druk groot wordt, gaat het
slecht met hen: bij wie van ons gaat dat niet zo? Er kan een hele stapel
werk op ons afkomen en we falen, omdat onze kracht klein is.
Het
ergste van alles was, dat op dat moment hun verdriet erbij kwam.
Hun vrouwen waren weg. Hoewel, zoals later bleek, ze niet werden
gedood, noch enig ander kwaad werd aangedaan; konden ze dat toen niet
zeggen en vreesden ze het ergste. Het is geen gering probleem voor een man
om te weten, dat zijn vrouw in de handen van rovers is. Dat hij haar
misschien nooit terug ziet, is geen klein verdriet. Hun zonen en dochters
waren ook weg: geen kleuters klommen op de knie van hun vader, geen
aardige dochters kwamen hem “welkom thuis” zeggen. Hun huizen brandden
nog steeds, hun spullen waren verteerd. Zij verhieven hun stem en huilden:
is het wel zo wonderlijk dat sommigen van hen aan hun eind waren na het
zingen van zo’n treurig klaaglied? Waar zou u zijn als u vanmorgen naar
huis ging en zag dat uw huis verbrand was en uw gezin weg, wie weet
waarheen? Ik ken veel christenen die erg zwak worden bij buitengewoon
grote problemen. Dat hoort niet zo, maar ze worden het wel. We hebben
reden om God te danken, dat ons geen buitengewone verzoeking is overkomen
en toch lijkt het misschien niet zo, maar we voelen het misschien zo aan,
alsof we speciaal werden beproefd, zoals Job. Boodschapper na boodschapper
bracht ons slechte tijding en ons hart was niet gericht op de Here, zoals
het behoorde te zijn. Voor degenen, die zwak zijn door verdriet, spreek ik
nu. U kunt dit zijn en toch kunt u een waar volgeling van het Lam zijn en
omdat God beloofd heeft u uit uw moeiten te leiden, zal Hij ook zeker Zijn
woord houden. Bedenk, dat Hij nooit beloofd heeft, dat u geen smarten zult
hebben, maar dat Hij u uit die alle zal verlossen. Vraag daarginds de
heiligen in de hemel! Vraag hen uit de rijen naar voren te treden, die
daar kwamen zonder beproeving. Wil één van de leiders van de glanzende
legerschare het bevel geven, dat diegene naar voren zal stappen, die zijn
klederen heeft gewassen en wit gemaakt in het bloed van het Lam, maar die
nooit wist wat beproeving inhield, terwijl hij hier beneden was? Er is
niemand die zich beweegt in heel die legerschare, die in het wit gekleed
is. Komt er niemand naar voren? Moeten we hier voor altijd blijven wachten
zonder antwoord? Zie! In plaats van dat er iemand in hun rijen zich
beweegt, hoor ik een stem die zegt: “Deze zijn het die kwamen uit de
grote verdrukking.” Zij allen weten, niet slechts van verdrukking, maar
van grote verdrukking. Een belofte van het Nieuwe Testament
wordt zeker vervuld voor onze ogen – “In de wereld lijdt gij
verdrukking.” Toen de moeiten zo zwaar op de mannen van David drukten,
ervaarden ze hun zwakheid en moesten ze aan de rand van de beek blijven
stilstaan.
Misschien
was ook de kracht van de stroom te groot voor hen. Zoals ik
u heb verteld, was naar alle waarschijnlijkheid de beek Besor slechts een
laagte en in gewone tijden meestal droog; maar in de tijd van grote
regenbuien vulde die laagte zich plotseling met een snelle modderige
stroom, waarin slechts sterke mannen konden blijven staan. Deze mannen
konden het misschien volhouden op het droge, maar de stroom was te woest
voor hen en ze waren bang, dat die hen van hun voeten zou sleuren, zodat
ze zouden verdrinken. Daarom gaf David hen permissie om daar te stoppen en
de goederen te bewaken. Veel van de dienstknechten van onze Here blijven
stilstaan voor bepaalde zware taken: ze worden niet geroepen om datgene te
doen, wat hun sterkere kameraden met vreugde ondernemen. Ze kunnen iets
doen, maar zij falen om meer te doen; ze kunnen ook bepaalde beproevingen
verdragen, maar ze zijn niet in staat om nog meer te dragen; ze zijn aan
hun eind, omdat ze nog niet gekomen zijn tot die volheid in de groei der
genade. Hun hart staat recht voor God, maar ze zijn niet in de toestand om
een bepaalde moeilijkheid te overwinnen. Je moet hen niet opjagen, want zij
zijn de zwakken van de kudde. Velen zijn te zwak voor het niet te
vermijden conflict. Ik heb de laatste tijd een heleboel van dat soort
mensen ontmoet: de waarheid is erg belangrijk, maar zij houden van vrede.
Het is erg noodzakelijk, dat sommigen van ons op gaan staan voor het
geloof, dat éénmaal aan de heiligen is overgeleverd, maar zij schieten
daarin te kort. Ze kunnen het niet aan van mening te verschillen met hun
metgezellen; ze houden liever hun mond dan dat ze strijden voor de
waarheid. Er zijn oprechte harten, die niettemin het evangelie niet kunnen
verdedigen. Ze wensen de kampvechters het allerbeste toe, maar ze zoeken
zelf de achterste rijen op. En sommigen kunnen niet verder komen wat
betreft de kennis; ze kennen de fundamentele waarheden en voelen zich zo,
alsof ze niets meer aankunnen. Het is een grote zegen, dat ze het
evangelie kennen en ervaren, dat het hen zal redden, maar de heerlijke
geheimenissen van het eeuwige verbond, van de soevereiniteit van God, van
Zijn eeuwige liefde en onderscheidende genade, kunnen ze niet bevatten –
deze zijn als een beek Besor, die ze nog niet over kunnen zwemmen. Het zou
hen onvoorstelbaar goed doen, als zij zich erin konden wagen, maar zij
kunnen er niet toe verleid worden in deze gezegende diepten te gaan. Het
horen van deze dingen maakt hen eerder moe dan dat het hen iets leert: ze
hebben geen geesteskracht genoeg voor de diepe dingen van God. Ik zou
graag willen, dat ieder christen wenste alles aan de weet te komen, wat
hij van de geopenbaarde waarheid kan weten. Iemand fluistert, dat de
geheime dingen niet aan ons toebehoren. U kunt er zeker van zijn, dat u ze
nooit zult kennen als ze geheim zijn, maar al datgene wat geopenbaard
wordt, dient u te weten, want deze dingen behoren aan u en aan uw
kinderen. Zorg ervoor, dat u weet wat de Heilige Geest leert. Geef niet
toe aan lafhartige onwetendheid, opdat u daardoor geen grote verliezer
wordt. Datgene wat geschikt voedsel voor baby’s is, moet niet genoeg
zijn voor jonge mannen en vaders: we moeten krachtiger voedsel eten en de
melk aan de kleintjes laten.
Toch
waren deze uitgeputte mannen wel degelijk in het leger van David. Hun
namen stonden in het register van hun bevelhebber, evenzeer als de namen
van de sterken. En zij verlieten het vaandel niet. Ze hadden dezelfde
bevelhebber als de dapperste mannen van het hele regiment; ze konden naar
waarheid David “Meester” en “Heer” noemen, evenzeer als de
dapperste man met leeuwenmoed onder hen. Ze hadden met dezelfde gevaren te
maken, want als de mannen aan het front verslagen waren en zich
teruggetrokken hadden, zou de vijand diegenen aanvallen die de goederen
bewaakten. Als de Amelekieten de vierhonderd hadden verslagen, zouden ze
korte metten hebben gemaakt met de tweehonderd. Ze moesten een werk doen,
wat even nodig was als dat van de anderen. Hoewel ze niet hoefden te
vechten, moesten zij voor de goederen zorgen; dit maakte het gemakkelijker
voor de strijdende mannen. Ik zal geneigd zijn om te zeggen, dat het een
grote beproeving voor hen was om niet toestemming te hebben op te trekken
naar het gevecht. Het moet een misselijk makende aanblik zijn geweest voor
een dapper man om de troepen langs zich te zien trekken en de laatste
voetstap van zijn kameraden te horen. Wie zou met plezier kunnen zeggen:
“Ik ben er buiten gelaten. Er komt een heerlijke dag aan en ik zal er
niet bij zijn. Totdat ik sterf zal ik mezelf een vervloekte vinden, omdat
ik daar niet was en ik zal mijn manhaftigheid gering achten, omdat ik niet
met hen vocht op die glorieuze dag.” Het is moeilijk voor dappere mannen
om in het ziekenhuis te moeten blijven en niet op de vijand af te kunnen
gaan. De vermoeide wenste, dat hij aan het front kon zijn, waar het oog
van zijn bevelhebber hem zou zien. Hij snakt ernaar de vijanden te
verslaan en de buit voor zijn kameraden terug te winnen.
Genoeg
hierover. Ik zal slechts mijn eerste punt herhalen: zelfs in het leger van
onze Koning zijn er die het opgeven.
II Ten tweede, DEZE
ZWAKKEN VERHEUGEN ZICH HUN LEIDER TERUG TE ZIEN KOMEN. Ziet u, toen David
terugkeerde, gingen zij uit om hem en het volk, dat bij hem was, te
ontmoeten. Zo voel ik me erg vaak. Dat was één reden, waarom ik deze
tekst nam. Ik voelde me, na mijn ziekte, erg gelukkig om te voorschijn te
komen en mijn Here in het openbaar te ontmoeten. Ik hoopte, dat Hij hier
zou zijn en Hij is hier. Ik ben ook blij u te ontmoeten, mijn kameraden.
We worden nog steeds gespaard voor de oorlog. Hoewel we een poosje
terzijde gelegd zijn, zijn we weer onder onze broeders. Dank God! Het is
een grote vreugde u te ontmoeten. Het spijt me zo velen van onze
gemeenteleden, die er niet zijn, mis te lopen vanwege deze ziekte, maar
het is een heerlijke zegen zo velen van onze familie in Christus te
ontmoeten. We zijn nooit gelukkiger dan wanneer we in gemeenschap met
elkaar zijn en met onze Here.
David
groette de thuisblijvers. O, dat Hij een ieder van ons vanmorgen
mocht groeten, vooral degenen die rust moeten houden! De begroetingen van
onze Koning zijn wonderlijk vanwege hun hartelijkheid. Hij gebruikt geen
lege complimenten of ijdele woorden. Elke lettergreep van Zijn lippen is
een zegen. Elke blik van Zijn oog is een inspiratie. Wanneer de Koning
Zelf naderbij komt, is het altijd een feestdag voor ons! Zelfs voor de
zwakste van ons is het een feestdag, wanneer we Zijn stem horen. Ze gingen
dus uit om David te ontmoeten en hij kwam om hen te ontmoeten en er was
grote vreugde. Ja, ik waag het dat te verbeteren en te zeggen, dat er nu
een grote vreugde onder ons is. Ere zij Zijn heilige naam, de Here is
hier! We zien Hem en we verheugen ons met een onuitsprekelijke vreugde.
Davids
gunst was even vrij als oprecht. Het is mogelijk, dat degenen, die
achterbleven half bang waren, dat hun leider zou zeggen: “Kijk eens
hier, nietsnutten, wat wij voor jullie hebben gedaan!” Nee, hij
begroette hen, maar berispte hen niet. Misschien dachten ze: “Hij zal
ons verwijten maken, dat we er niet in geslaagd zijn toch nog aan de
strijd deel te nemen.” Maar nee; “Hij geeft eenvoudigweg en zonder
verwijt.” Hij spreekt geen woord van verwijt, want zijn hart heeft
medelijden met hen en daarom begroet hij hen – “Mijn broeder, God is
ons genadig geweest. Weest allen gegroet!” David wilde, dat zij zich
samen zouden verheugen en eer zouden geven aan de Allerhoogste. Hij wil
geen druppel bitterheid in hun beker werpen. O, moge onze Here ons
begroeten op dit goede uur! Wanneer Christus in een gezelschap komt, maakt
Zijn aanwezigheid een hemels verschil. Hebt u nooit een samenkomst naar
een spreker zien luisteren, terwijl ze allen onbewogen en gevoelloos
waren? Plotseling viel de Heilige Geest op de spreker en de Koning Zelf
was in het midden van de samenkomst hen zichtbaar voor ogen gesteld en
allen hebben het ervaren, alsof ze overeind konden springen en roepen:
“Halleluja, Halleluja!” Dan kloppen de harten snel en zielen springen
op, want waar Jezus wordt gevonden, vervult Zijn aanwezigheid de plaats
met vreugde. Nu dan, u vermoeiden, als u hier bent, mag een ieder van u
zich verheugen, als u nu uw Leider ontmoet en uw Leider Zich aan u
openbaart! Als niemand anders een lied heeft, ik heb er wel één. Hij
moet, Hij zal geprezen worden. “U bent de Koning der heerlijkheid, o
Christus! De hele hemel en aarde aanbidt U. U zult voor eeuwig en eeuwig
regeren.”
III Ten derde,
VERZWAKTEN HEBBEN HUN LEIDER ALS ADVOCAAT. Luister naar die gemene taal
van de mannen van Belial, die slechte mensen: hoe ze schimpen op degenen
die God heeft beproefd! Ze gingen naar David toe en begonnen te razen –
“Deze zwakkelingen die niet in het gevecht waren, zullen niet een deel
krijgen van de buit. Laten ze hun vrouwen en kinderen nemen en weggaan.”
Deze kerels spraken met een luide harde stem en bedroefden de zwakkeren
enorm. Wie zou het voor hen opnemen? Hun leider werd hun advocaat.
Ten
eerste, is het u opgevallen, dat hij hun eenheid bepleit? De
volgelingen van de zoon van Isaï zijn één en onafscheidelijk. David
zei: “Dat zult gij niet doen, mijn broeders, met dat wat de Here ons
heeft gegeven, Die ons heeft bewaard.” “We zijn allen
één”, zei David, “God heeft de buit gegeven, niet alleen aan u, maar
aan ons allen. We zijn allen één gezelschap van
broeders.” De eenheid van de heiligen is de troost van de zwakke.
Broeders, onze Here Jezus Christus wilde graag Zijn vermoeiden verfrissen
door de gedachte, dat we alleen één zijn in Hem. Ik kan de voet zijn,
helemaal stoffig en bevuild door de reis en u kunt de hand zijn, die een
kostbaar juweel vasthoudt, maar toch zijn we één lichaam. Die gindse
vriend is het voorhoofd van de heilige gedachte en iemand anders is de lip
van de overtuiging en een derde is het oog van de waakzaamheid, maar toch
zijn we allen één lichaam in Christus. Niemand van ons redt het zonder
zijn metgezel; een ieder dient het welzijn van allen. Het oog kan niet
zeggen tot de hand: “Ik heb je niet nodig.” We zijn allen één in
Christus Jezus. Dit dient zeker om diegenen van u te troosten, die zich
vanwege zwakheid zo voelen, alsof ze erg minderwaardige leden van het
lichaam zouden zijn: u bent nog steeds levende leden van het verborgen
lichaam van Jezus Christus, uw Here en laat dit voor u voldoende zijn. We
hebben één leven, we hebben één liefde en één hemel zal de onze zijn
in onze ene Heiland.
David
pleitte verder op vrije genade, want hij zei
tot hen: “Dat zult gij niet doen, mijn broeders, met datgene wat de Here
ons heeft gegeven.” Hij zei niet: “Met dat wat u hebt veroverd en
eerlijk verdiend in de strijd,” maar “datgene wat de Here ons heeft
gegeven.” Zie elke zegen als een gave en u zult er niet langer aan
denken om iemand buiten te sluiten, zelfs uzelf niet. De gave van God is
het eeuwige leven; waarom zult u die niet krijgen? Ontzeg niemand van uw
broeders enige troost uit het verbond der genade. Denk niet van iemand:
“Hij dient niet zoveel blijdschap te hebben.” Het is allemaal vrije
genade en als vrije genade de baas is, kan de geringste het even goed
krijgen als de grootste. Als het allemaal uit vrije genade is, dan mag u,
mijn arme worstelende broeder, die zich nauwelijks zeker kunt voelen ,dat
u gered bent, toch, als u een gelovige bent, elke zegen van het
genadevolle verbond van de Here claimen. God geeft zowel u als mij, gratis
de voorzieningen van Zijn liefde; laten we daarom blij zijn en niet
onszelf oordelen op de manier van de wet der veroordeling.
Toen
pleitte hij op hun onmisbaarheid. Hij zei: “Deze mannen
bleven bij het pakgoed.” Geen leger vecht goed, wanneer het kamp niet
bewaakt wordt. Het is iets groots voor een gemeente om te weten, dat haar
voorraad goed wordt bewaakt door een groep bidders. Terwijl sommigen van
ons aan het onderwijzen zijn in een school of aan het prediken op straat,
worden we erg getroost door te weten dat er een bepaald aantal van onze
vrienden voor ons aan het bidden is. Voor mij is het een grenzeloze
troost, dat ik leef in de gebeden van duizenden. Ik zal niet zeggen wat
meer helpt – de man die predikt, of de man die bidt; maar ik weet dit,
dat we het beter kunnen stellen zonder de stem, die predikt, dan zonder
het hart dat bidt. De smeekbeden van onze zusters, die het bed moeten
houden, zijn de rijkdom van de gemeente. Het soort dienst dat het meest
gewoon lijkt onder mensen, is dikwijls het kostbaarst voor God. Ontzeg
daarom diegenen, die niet vooraan kunnen staan bij de oorlog, de erezetels
niet, omdat zij wel degelijk iets groters kunnen doen. Denk aan de
inzetting: “Gelijk op zullen zij delen.”
Let
erop, dat David een inzetting toevoegt aan zijn pleiten. Ik
vind het fijn om eraan te denken, dat onze grote Bevelhebber, de Here
Jezus, inzettingen instelt. Voor wie maakt Hij wetten? Voor de eerste
drie? Voor de bevelhebbers van duizend? Nee. Hij maakt een inzetting voor
diegenen, die gedwongen worden thuis te blijven, omdat ze zwak zijn.
Geprezen zij de naam van onze Here Jezus; Hij ziet altijd naar de belangen
van degenen, die niemand anders hebben om voor hen te zorgen! Als u voor
uw eigen zaak zorg kunt dragen, dan kunt u dat, maar als u zo gelukkig
bent, dat u zwak bent van uzelf, dan zult u sterk zijn in Christus.
Diegenen, die Christus hebben om voor hen te zorgen, zijn beter af dan
wanneer ze voor zichzelf zouden zorgen. Hij, die zijn belangen bij
Christus kan laten, heeft ze in goede handen gelaten. IJdel is de hulp van
het ik, maar geheel toereikend is de hulp van Jezus.
Om
alles samen te vatten wat ik bedoel: ik geloof, dat de Here een even grote
beloning zal geven aan de zieken en de lijdenden als aan de actievelingen
en de mensen vol energie, als ze evenzeer op Zijn eer uit zijn. De Here
zal ook een heerlijke verdeling maken tussen hen die in de schaduw staan
en onbekend zijn en degenen die bekend zijn en geëerd zijn, als ze even
vurig zijn. O vertel me niet dat zij, die haar jongen voor Christus
opvoedt, haar beloning zal mislopen van Hem, door Wie een apostel wordt
beloond. Vertel me niet, dat de vrouw die haar huishouding zo leidt, dat
haar dienstmeisjes God gaan vrezen, vergeten zal worden op de dag wanneer
het “Goed gedaan” wordt uitgedeeld aan de gelovigen! Onopgemerkt
dienstwerk thuis zal even zeker eer krijgen als het dienstwerk, dat in de
wereld weerklinkt.
Sommigen
van Gods volk kunnen niet lezen en ze hebben maar weinig talent van
zichzelf. Maar als ze de Here dienen zo goed als ze kunnen, met heel hun
hart, dan zullen ze hun deel krijgen met diegenen, die het meest geleerd
en talentvol zijn. Hij, die getrouw is wat betreft het kleine, zal zijn
volledige beloning van genade krijgen. Het wordt aanvaard naar datgene wat
een mens heeft. Misschien bezitten we niet meer dan twee stuivers, maar
als we ze in de schatkist werpen, zal onze Here daar veel achting voor
hebben.
Sommige
geliefde dienstknechten van God lijken altijd verslagen te worden. Ze
lijken altijd naar een volk gezonden te worden, dat een vet hart heeft
gekregen en dat oren heeft die afgestompt zijn. Maar toch, als zij getrouw
het Woord van de Here hebben verkondigd, zal hun beloning niet zijn naar
hun zichtbare succes maar naar hun trouw.
Sommige
heiligen zijn vanuit hun lichamelijke gesteldheid depressief en
verdrietig; ze lijken op bepaalde prachtige varens, die het best groeien
onder een constante druppel. Wel, wel, de Here zal deze mooie varens van
de schaduw evenzeer verzamelen als de kolossale zonnebloemen en de meest
trieste zal zich verheugen met de meest blije. U meneer Kleingeloof, u
meneer Neerslachtigheid, u meneer Veel Vrees en u meneer Zwak Van
Verstand, u die meer zucht dan dat u zingt, u die zou willen maar niet
kunt, u die met uw hart enorm verlangt naar heiligheid, maar die zich
teruggeslagen voelt in uw strijd, de Here zal u Zijn liefde, Zijn genade
en Zijn gunst geven, even zeker als Hij die geeft aan diegenen die grote
dingen kunnen doen in Zijn naam. Sommigen van u hebben maar een
oppervlakkige kennis van de hogere vreugde en diepere inzichten van het
Koninkrijk en het kan zijn dat u het voor een deel fout hebt, omdat u zo
achteraan komt; en toch, als u getrouw bent ten opzichte van uw Here,
zullen uw zwakheden niet worden gerekend als ongerechtigheden. Als u op
een wettige wijze teruggehouden bent van het veld van actieve dienst, dan
staat deze inzetting vast voor eeuwig, voor u evenals voor anderen: “Het
deel van wie bij het pakgoed blijft zal hetzelfde zijn als van wie ten
strijde trekt: gelijk op zullen ze delen.”
IV Nu, ten vierde,
VERZWAKTEN MERKEN IN ELK OPZICHT, DAT JEZUS HUN GOEDE HERE IS. Was Hij
niet een goede Here toen Hij ons in het begin opnam in Zijn leger van de
redding? Wat een merkwaardige manschappen waren het, die dienst namen bij
David! “Ook voegde zich bij hem een ieder die in moeilijkheden
verkeerde, ieder die een schuldeiser had, ieder die verbitterd was en hij
werd hun aanvoerder.” Hij was een aanvoerder van schooiers, maar onze
Here had geen beter gevolg. Ik was een arme ellendeling toen ik tot
Christus kwam en het zou me niet verbazen, als dat woord dicht genoeg bij
de waarheid is om u te beschrijven. Ik deugde nergens voor
en zat tot over mijn oren in de schuld en ik had geen cent om te betalen.
Ik kwam in zo’n armoedige toestand tot Jezus, dat niemand anders me
wilde hebben. Hij had best kunnen zeggen: - “Nee, dat was niet Mijn
bedoeling – om aan het hoofd van zo’n stelletje zwervende bedelaars te
marcheren.” Toch ontving Hij ons vol genade overeenkomstig Zijn belofte:
“Wie tot Mij komt, zal Ik geenszins uitwerpen.” Wat heeft Hij ons
sinds die tijd vol genade gedragen! We behoren niet tot diegenen, die
zichzelf aanprijzen, omdat zij zulke wonderen van heiligheid hebben
gedaan, maar wij hebben berouw over onze tekortkomingen en overtredingen;
toch heeft Hij het volk niet verworpen, dat Hij tevoren kende. Wanneer we
nu terug kijken op ons karakter als soldaten van Christus, dan schamen we
onszelf en zijn verbaasd over Zijn genade. Als iemand ons had verteld, dat
we zulke armzalige soldaten zouden zijn geweest, als we zijn geweest, dan
zouden we hem niet hebben geloofd. We verontschuldigen onszelf niet: het
spijt ons enorm, dat we zulke mislukkelingen zijn geweest. Toch heeft onze
genadevolle Here ons nooit uit de gelederen weggestuurd. Hij zou ons al
lang onder tromgeroffel uit het regiment hebben kunnen wegsturen, maar
zie, we staan nog steeds ingeschreven; we worden ondersteund en we krijgen
een glimlach. Wat een aanvoerder hebben wij! Niemand kan bij Hem in de
schaduw staan wat betreft vriendelijkheid. Hij komt nog steeds voor ons op
en Hij verklaart: “Ze zullen de Mijne zijn op die dag, wanneer Ik mijn
juwelen maak.”
Broeders,
laten we de naam van onze Aanvoerder verhogen. Er is niemand zoals Hij. We
zijn in moeilijke omstandigheden geweest sinds die tijd: en Hij is in de
moeilijkheden ons nabij geweest. Ziklag rookte voor Hem evenals voor ons.
In al hun beproeving werd Hij beproefd. Hebt u dat zo niet ervaren?
Wanneer we bij een grote moeilijkheid kwamen zoals de beek Besor, heeft
Hij Zijn bevelen versoepeld en Hij heeft niet datgene van ons geëist, wat
we niet konden opbrengen. Hij heeft van sommigen van u geen predikanten en
leraren gemaakt, want u zou de last niet hebben kunnen dragen. Hij is
overvloedig voor ons geweest in alle wijsheid en voorzichtigheid. Hij
heeft de mars aangepast aan de voet, of de voet aan de mars. Hoe
vriendelijk heeft Hij geglimlacht om datgene, wat we hebben gedaan! Heeft
het u niet verbaasd om te zien, hoe Hij uw werken en uw gebeden heeft
aanvaard? U bent verrast geweest om te ontdekken, dat Hij inderdaad uw
zwakke smekingen beantwoordde. Als u een woord voor Jezus hebt gesproken
en God heeft het gezegend, waarom hebt u toen gedacht: “Er is hier zeker
een vergissing in het spel! Hoe kon mijn zwak woord een zegen hebben?”
Geliefden, we volgen een edel Vorst. Jezus is de schoonste onder
tienduizend, wat betreft de tederheid evenzeer als al het andere. Hoe
zorgzaam en teder is Hij! Hoe vriendelijk en mild! Hij heeft nooit een geïrriteerd
woord tegen ons gezegd sinds we Hem kenden. Hij is die rijkdom, waaraan
geen verdriet wordt toegevoegd. Hij heeft ons bestraft, maar Zijn
bestraffingen zijn geweest als een voortreffelijke olie, dat nooit ons
hoofd schade heeft berokkend. Als we Hem verlieten, heeft Hij Zich
omgewend en ons aangekeken en zo heeft Hij ons tot in het diepste geraakt,
maar Hij heeft ons nooit met een zwaard verwond, behalve dan met dat
zwaard, dat voortkomt uit Zijn mond, waarvan de scherpe kant liefde is.
Wanneer Hij bij ons vandaan gaat, zoals David wegging van die tweehonderd,
die hem niet konden bijhouden, dan komt Hij toch altijd terug in genade en
begroet Hij ons met gunstbewijzen. Wij verbazen ons erover dat wij Hem
niet vasthielden en we leggen de gelofte af, dat we Hem nooit zullen laten
gaan, maar we verbazen ons er nog meer over dat Hij zo spoedig terugkomt,
zo hartelijk, terwijl Hij over de bergen springt en Zich haast “als een
hert, of als een jong hert op de gekloofde bergen.” (Hooglied 2:17)
Zie! Hij is tot ons gekomen. Hij is tot ons gekomen en Hij
verblijdt onze harten door Zijn komst. Laat ons hart vanmorgen genieten,
als wij ons deel van de kostbare buit van Zijn onmetelijke liefde nemen.
Hij houdt van de groten en de kleinen met dezelfde liefde; laten we in
alle opzichten blij zijn.
Er
is één speciaal iets dat Hij zal doen, dat maakt dat we Hem bovenmate
liefhebben. David ging een tijdje later naar Hebron om koning te worden
over Juda. Zal ik u 2 Samuël 2:3 voorlezen? “Ook liet David zijn mannen
die bij hem waren” (hierbij waren die zwakken, die de beek Besor niet
over konden steken) “ook liet David zijn mannen die bij hem waren
meetrekken, ieder met zijn gezin: en ze vestigden zich in de steden van
Hebron.” Ja, Hij zal mij laten meetrekken, zelfs mij! Hij zal u laten
meetrekken, u die de zwakste van de hele groep bent. Er is een Hebron,
waarin Jezus regeert als gezalfde Koning. Hij zal er zijn en geen van ons
achter laten. Er is geen Koninkrijk voor Jezus zonder Zijn broeders, geen
hemel voor Jezus zonder Zijn discipelen. Zijn arm volk, dat met Hem was in
zwakte en moeite, zal met Hem zijn in heerlijkheid en hun gezinnen.
Houdt vast aan die zegen, die eraan wordt toegevoegd. Ik vraag u,
houdt daaraan vast. Laat dat woord niet wegglippen – “en hun
gezinnen.” Ik vrees, dat we dikwijls een zegen voor onze gezinnen
verliezen door de belofte te snoeien. Toen de stokbewaarder vroeg, wat hij
moest doen om behouden te worden, wat was toen het antwoord? “Stel uw
vertrouwen op de Here Jezus Christus en u zult behouden worden.” U hebt
dat antwoord honderden keren gehoord, of niet soms? Hebt u ooit de rest
ervan gehoord? Waarom halen predikers en mensen, die citeren, de hoeken
van de evangeliebeloften af? Er staat het volgende: “Gij zult behouden
worden en uw huis.” Leg uw hand op die gezegende
uitbreiding van genade, “en uw huis”. Waarom de vrouwen en de kinderen
erbuiten laten? Wilt u dat de Amelekieten ze hebben? Wees niet tevreden
zonder de redding van het gezin. Laten we vanmorgen op dit woord van de
Here pleiten: O, U gezegende David, Die we verlangd hebben te volgen, Die
ons zo genadig geholpen heeft, zelfs tot op deze dag; wanneer U in Uw
Koninkrijk bent, denk dan genadig aan ons en laat er van ons gezegd
worden: “Ook liet David zijn mannen, die bij hem waren, meetrekken (ze
trokken niet uit zichzelf op) ieder met zijn gezin; en zij vestigden zich
in de steden van Hebron;” “Ieder met zijn gezin.” Ik
beveel dat woord bij u aan, dat u er zorgvuldig op let. Vaders, hebt u uw
kinderen al gered gezien? Moeders, zijn al die dochters al binnen
gebracht? Houdt nooit op te bidden, totdat het zo is, want dit is de kroon
van dit alles: “Een ieder met zijn huisgezin.”
Wat
ik tot slot nog heb te zeggen is dit: hoe verlang ik er enorm naar dat u,
die nog geen dienst genomen hebt in het leger van mijn Here, nu naar Hem
toegaat, omdat u ziet welk een vriendelijk en genadig Here Hij is!
Jongemannen, als u onze Aanvoerder zou kunnen zien, dan zou u op uw knieën
gaan en Hem smeken om u toe te laten tot de gelederen van degenen, die Hem
volgen. Het is de hemel om Jezus te dienen. Ik ben een sergeant, die
rekruteert en ik zou heel graag een paar rekruten vinden op dit ogenblik.
Ieder mens moet iemand dienen: wat betreft dat feit, hebben we geen keuze.
Zij, die geen meester hebben, zijn slaaf van zichzelf. Ga daar maar
vanuit, u zult òf satan dienen òf Christus; òf het eigen ik òf de
Heiland. U zult ontdekken, dat de zonde, het ik, satan en de wereld
hardvochtige meesters zijn, maar als u het uniform van Christus draagt,
dan zult u merken dat Hij zo vriendelijk en nederig van hart is, dat u
rust zult vinden voor uw zielen. Hij is de grootmoedigste van alle
aanvoerders. Er was nooit Zijns gelijke onder de beste vorsten. Hij wordt
altijd in het heetst van de strijd gevonden. Wanneer er een koude wind
waait, dan neemt Hij altijd de gure kant van de heuvel. Het zwaarste eind
van het kruis ligt altijd op Zijn schouders. Als Hij ons vraagt een last
te dragen, draagt Hij hem ook. Als er iets is dat genadig, mild,
vriendelijk en teder, ja overvloedig is in liefde, dan zult u het altijd
in Hem vinden. Ik heb Hem meer dan deze veertig jaar gediend, geprezen zij
Zijn naam! En ik heb slechts liefde van Hem ontvangen. Ik zou vol
blijdschap nog graag veertig jaar in dezelfde fijne dienst hier beneden
doorgaan als Hem dat behaagde. Zijn dienst is leven, vrede en vreugde. O,
dat u er meteen mee zou beginnen! God helpe u om dienst te nemen onder het
vaandel van Jezus, ja vandaag!
Amen.
©
Copyright vertaling 2005 B. Kroeze, Doldersum.
Alle rechten voorbehouden. info@mannavoorpelgrims.nl
Zie voor copyrightregels: www.mannavoorpelgrims.nl
|