|
|
DE
DWAASHEID VAN HET ONGELOOF
Printversie:

Een
toespraak gehouden op zondagochtend 28 augustus 1887 door C.H. Spurgeon.
Toen zei Hij
tot hen: “O dwazen en tragen van hart, dat gij niet gelooft, alles wat
de profeten gesproken hebben!” Lucas
24:25 (King James Version)
De twee
discipelen, die al pratend naar Emmaüs liepen en verdrietig waren, waren
echte gelovigen. We mogen mensen niet beoordelen aan de hand van hun
gevoelens op een bepaald ogenblik. Blij zijn is geen helder bewijs van
genade en het hebben van een depressie is geen onfeilbaar teken van
onoprechtheid. De scherpste ogen, die op zoek zijn naar de hemel, zijn
daar soms zo door in beslag genomen geweest, dat ze de echte vreugde in
hun hart niet konden zien. Wees niet terneergeslagen, mijn broeders en
zusters, als zo nu en dan tranen van verdriet over uw wangen lopen. Jezus
kan tot u naderen en toch kunt u bedroefd zijn vanwege verborgen verdriet.
De Here Jezus Christus kwam bij de twee discipelen en liep zo'n zeven mijl
met hen mee om hun verdriet weg te nemen, want het is niet de wil van onze
Here, dat Zijn volk terneergeslagen zou zijn. De Heiland doet zelf wat Hij
vroeger een profeet opdroeg te doen: "Troost, troost Mijn volk, zegt
Uw God, spreek tot het hart van Jeruzalem". Zo sprak Hij en zo
handelt Hij. Hij was blij toen Hij wegging om ons een andere Trooster te
zenden, omdat Hij wenst, dat we een overvloed aan troost hebben. Maar die
belofte bewijst, dat Hij Zelf een Trooster was en is. Verbeeldt u niet,
als u verdrietig bent, dat de Here u heeft verlaten. Ga er eerder vanuit,
dat Hij juist om deze reden tot u zal komen. Zoals door het huilen van een
baby de voetstappen van een moeder sneller gaan om er nog vlugger te zijn,
zo zal uw verdriet het komen van uw Here bespoedigen. Hij hoort uw
kreunen, Hij ziet uw tranen, - zijn ze niet in Zijn kruik? Hij zal tot ons
komen als de God van alle vertroosting.
Merk
op, dat toen de Heiland tot deze treurenden kwam, Hij heel erg wijs met
hen handelde. Hij begon niet onmiddellijk met te zeggen: "Ik weet,
waarom jullie verdrietig zijn." Nee, Hij wachtte erop, dat zij zouden
spreken en geduldig hoorde Hij van hen de punten en bijzonderheden van hun
moeite. U, die te maken hebt met treurenden, leer hieruit het handelen van
de wijsheid. Praat zelf niet te veel. Laat het overvolle hart zich
ontlasten. Jeremia ontleent in bepaalde mate hulp aan zijn eigen
klaagzangen. Zelfs Job voelt zich een beetje beter, wanneer hij zijn
klacht uitstort. Die smarten, die stil zijn, gaan erg diep en dompelen de
ziel in ellende ten onder. Het is goed om verdriet een tong te laten
hebben, waar sympathie een oor heeft. Sta diegenen, die de Here zoeken,
toe om hun moeilijkheden aan u te vertellen. Praat niet teveel met hen,
totdat zíj dat hebben gedaan. U zult des te beter met hen kunnen omgaan
en zij zullen er beter op voorbereid worden om uw woorden van blijdschap
te ontvangen. Vaak is door het onder ogen zien van de verdrietige kwaal de
genezing al half tot stand gebracht, want veel twijfels en angsten
verdwijnen, wanneer ze worden beschreven. Het verborgene geeft voedsel aan
de ellende en wanneer dat verborgene eruit gelicht wordt door een heldere
beschrijving, is de scherpte van het verdriet eraf. Leert dan, u die
trooster zou willen zijn, dat de treurenden hun wond laten zien, voordat u
er olie en wijn in giet.
Leert
ook een heilige les, u die treurt! Het is goed voor u, dat, wanneer u uw
verdriet uitstort, u dat doet voor de Here. Deze twee beproefde reizigers
vertelden, hoewel ze het niet wisten, hun verdriet aan Diegene, Die het
best van allen hen kon helpen om het te dragen. U kunt het uw vrienden
vertellen als u wilt en het zal wat opluchting geven, maar als u de troon
van de genade zoekt en de Verlosser tot uw belangrijkste Vertrouweling
maakt, zal uw opluchting zeker zijn. Ga in de stilte, sluit de deur en
buig u daar neer, afgezonderd van de discipelen en zeg: "Jezus,
Meester, ik wil U graag vertellen wat mij verdriet doet! U, grote
Hogepriester, Die vertrouwd was met ziekte, U zult me beter begrijpen dan
mijn naaste vriend en ik wil mezelf graag plaatsen onder Uw zorg."
Wat een groot voorrecht, dat wij met vrijmoedigheid toegang hebben tot het
oor en het hart van Jezus, onze Here!
Leer
nog een ander punt van wijsheid. Toen onze Here hun uiteenzetting van de
nood had gehoord zou Hij hen onmiddellijk hebben kunnen troosten: één
woord zou het hebben kunnen doen. Zei Hij niet: "Maria", en
wendde zij zich toen niet meteen om en zei met enorme blijdschap:
"Rabboeni"? Hij ging wijzer te werk dan alleen maar een haastige
troost te bieden. Hij bestrafte hen eerder dan dat Hij hen bemoedigde. Hij
begon met te zeggen: "O, dwaze mensen en tragen van hart, dat gij
niet gelooft alles wat de profeten gesproken hebben!" Merk op, dat ik
de Revised Version citeer,
want de oude vertaling is te hard. Onze Here noemde hen geen "dwazen"
maar "dwaze personen". Het verschil ligt meer in de formulering
dan in de echte betekenis. Hij berispte hen vriendelijk, maar toch
verstandig. Hij liet hen weten, dat hun ongeloof afkeurenswaardig was en
Hij noemde hen "dwaas", omdat zij hieraan toegaven. O, geliefde
broeder, als uw Meester u berispt, twijfel dan niet aan Zijn liefde! Als u
in verdriet tot Hem gaat en Hij u ruw antwoordt, dan is het Zijn liefde,
die ternauwernood verborgen is en die zo uw echte welzijn zoekt. Als u in
uw Here gelooft, zult u antwoorden: "Meester, zeg het". Als Hij
u "dwaas" noemt, zult u zich afvragen waarom Hij niet iets
ergers van u zegt en in elk geval zult u Hem vertrouwen op de wijze van
Job, toen hij zei: "Al slaat Hij mij, toch zal ik Hem
vertrouwen".
Let
er vooral op, dat de berisping van onze Heiland gericht was op hun
ongeloof. Ongeloof waar we ons zo vaak voor verontschuldigen en waar we
bijna medelijden voor eisen, wordt door onze Here niet behandeld als een
kleinigheid. Hierom noemt Hij hen "dwaas". Hierom berispt Hij de
traagheid van hun hart. Laten we onszelf niet gemakkelijk verontschuldigen
voor het wantrouwen van God. Als we ooit aan onze genadige Here twijfelen,
laten we onszelf dan echt schuldig voelen. Beschouw ongeloof als een fout,
eerder dan als een zwakheid. Spoor uzelf aan om een dapperder en stabieler
geloof te zoeken dan u tot nu toe hebt bereikt. Waarom zouden we doorgaan
met misslagen begaan en verkeerd oordelen en daarom geïrriteerd zijn,
wanneer een beetje overweging ons terecht zou helpen en terzelfder tijd
zou bewerken, dat we onze Here eren en zelf vervuld worden met vreugde en
vrede door te geloven?
Ik
ga deze berisping behandelen zoals God, de Heilige Geest, me zal helpen;
ten eerste door te spreken tot de echte gelovige en ten
tweede door te spreken tot de zoekende. Ik zal wat bittere
dingen naar voren moeten brengen, die zullen werken als een versterkend
middel, maar door zo kracht te geven aan uw gestel zullen ze
uiteindelijk uw angst beter opruimen dan mooiere dingen zouden hebben
gedaan. Hoor dan onze Here zeggen: "O, dwaze mensen en tragen van
hart, dat gij niet gelooft alles wat de profeten gesproken hebben!"
Bij
het spreken tot de gelovigen wil ik graag dat ze opmerken, dat onze Here
hun ongeloof berispte op twee punten: Ten eerste: het is dwaas en
ten tweede: het komt voort uit traagheid van hart.
Ten
eerste dan: ONGELOOF IS DWAASHEID. Niet alles te geloven wat de profeten
hebben gesproken en er geen troost aan te ontlenen, is grote dwaasheid.
Dwaasheid! Let op dat woord: “O dwazen! O, dwaze mensen!” Deze
dwaasheid doet de liefhebbende Jezus deze woorden uitroepen.
Het
is dwaasheid, omdat het voortkomt uit een gemis aan nadenken en beschouwen.
Niet denken is dwaasheid. De ruimte te geven aan verdriet, terwijl een
beetje nadenken het zou voorkomen, is dwaasheid. Nietwaar? Als deze twee
discipelen waren gaan zitten en hadden gezegd: "Nu, de profeten
hebben met betrekking tot de Messias gezegd, dat Hij als een lam ter
slachting zou worden geleid en zo was het met onze Meester", dan
zouden ze versterkt zijn geweest in hun vertrouwen, dat Jezus de Messias
was. Als ze hadden gezegd: "De profeet David schreef: ‘Zij
doorboorden Mijn handen en Mijn voeten’", dan zouden ze dit hebben
herkend in hun gekruisigde Here. En als ze de andere gedeelten van de
profeten hadden opgezocht, waarin zij spreken over de toekomstige
heerlijkheid van de Messias, dan zouden ze verfrist zijn met hoop. In de
Schrift zouden ze typen, beelden en heldere woorden hebben gevonden,
waarin de dood en de opstanding, de schande en de heerlijkheid van
Christus met elkaar worden verbonden en het kruis wordt gemaakt tot de weg
naar Zijn troon. Als ze het getuigenis van de heilige vrouwen hadden
vergeleken met de profetieën van het Oude Testament, dan zouden zij een
reden tot hoop hebben gekregen. De vrouwen hadden verteld dat het lichaam
niet langer in het graf was en dat ze een visioen van engelen hadden
gezien, die zeiden, dat Hij leefde. Twee apostelen gingen naar het graf en
deden hetzelfde verslag. Dit kwam overeen met de eigen woorden van de
Here, waarin Hij Jona tot Zijn type maakte, omdat hij opkwam uit de diepte
op de derde dag. Maar zij vergaten de Schriften. Zij dachten niet aan die
grote bron van hoop. Hun ogen waren verduisterd door tranen, zodat ze niet
konden zien wat er duidelijk voor hen stond. Hoe menige kostbare tekst
hebben u en ik steeds weer opnieuw gelezen zonder zijn blijde betekenis te
bespeuren, omdat ons verstand verduisterd was door moedeloosheid. We
pakken de telescoop, proberen in de hemelse dingen te kijken en wij
beademen het glas met de hete adem van onze bezorgdheid, zodat we er niets
door kunnen zien en dan komen we tot de conclusie, dat er niets te zien
valt. Denkt u niet geliefden, u, die terneergeslagen en vandaag vol
verdriet bent, dat als u meer dacht aan de beloften, geopenbaard in Gods
Woord, u de dingen spoedig anders zou zien en op zou staan uit uw
neerslachtige toestand? U legt uw bijbel weg en u leest niets anders dan
het verslag van uw moeiten. Er zijn geen betere zakdoeken voor de tranen
van de heiligen dan welke er opgevouwen liggen in de gouden doos van Gods
Woord. Hij, Die dit boek inspireerde, is de Trooster. Wilt u zich niet tot
Hem wenden in uw donkere uren? O, u, wiens melancholie voortkomt uit het
vergeten van de woorden van uw hemelse Vader, van de liefhebbende Heiland
en van de Goddelijke Geest, ik vraag u om beter na te denken! Denk aan
Gods voorzienigheid, Zijn onveranderlijke liefde, Zijn macht, Zijn trouw,
Zijn genade. Denk aan de beloften en als u ze in uw gedachten aanneemt,
dan zullen ze een zoete geur afgeven, die u zal verblijden. Heilige
gedachten zullen u uit uw verdriet weten te halen op een haast betoverende
manier. Maar wat een dwaasheid is het om, vanwege gebrek aan denken, ons
hoofd te buigen als een lisdodde, terwijl we, zoals de zonnebloem, naar
het Licht kunnen kijken, totdat we zelf kleine zonnen worden!
Ongeloof
is dwaasheid, omdat het niet overeenkomt met onze eigen belijdenis.
De twee discipelen beleden dat ze geloofden in de profeten en ik twijfel
er niet aan, dat ze dat deden. Het waren vrome Joden, die de Heilige
Boeken accepteerden als zijnde Goddelijk geïnspireerd en daarom
onfeilbaar, en toch handelden ze nu, alsof ze helemaal niet in de profeten
geloofden. Maken wij ons niet dikwijls schuldig aan een soortgelijke
tegenstrijdigheid? O broeders, het is één ding om te zeggen: "Ik
geloof de bijbel", maar het is nog iets heel anders om naar dat
geloof te handelen! We hebben meer een schijngeloof dan een echt geloof.
Dat Boek is waar en elke belofte erin is waar; ik weet en ik geloof, dat
het zo is en toch, wanneer ik bij de test kom, hoeveel geloof verdampt er
dan en hoe triest bewijst mijn heen en weer wankelend hart, dat mijn
geloof meer op fantasie gericht was dan op de werkelijkheid! Er is meer
ongeloof in de beste gelovige dan hij zelf door heeft. Wij denken, dat wij
in het grote geheel geloven en toch, wanneer het op het detail aankomt en
we moeten handelen op grond van deze of die belofte als een werkelijke
zaak in het alledaagse leven, dan is het nodig, dat wij een kaars
aansteken en het huis vegen om ons geloof te vinden. Wat een dwaasheid is
dit! Als het woord van de Here waar is, dan is het waar en dan dienen we
ernaar te handelen. Als het niet waar zou zijn, waarom belijden we dan
erin te geloven? Datgene, wat ontwijfelbaar waar is, zal alle spanning en
druk verdragen, die het leven en zijn beproevingen erop kunnen uitoefenen
en het is aan ons om te handelen naar dit geloof. Broeders, het past ons
niet om met het geloof te spelen. Laten we ons verstand erbij houden en
een serieuze zaak maken van datgene, wat niet gezonden is om ons te
verwarren, maar om ons gezond te onderrichten. Het woord van de Here is in
harmonie met Zijn voorzienigheid en als we Hem geloven wat betreft het
ene, moeten we Hem ook vertrouwen wat betreft het andere. We mogen veilig
het gewicht van ons lichaam en onze ziel, ons heden en onze toekomst laten
rusten op de vaste belofte van een getrouw God. En vanwege onze belijdenis
zijn we verplicht dat te doen. Het is dwaasheid om onszelf gelovigen in de
bijbel te noemen en dan te gaan twijfelen en te gaan wantrouwen.
Dwaasheid,
nogmaals, wordt duidelijk gezien in die ongelovige somberheid, omdat het
bewijs, dat ons zou moeten opvrolijken, zo duidelijk is. In het
geval van de broeders, die naar Emmaüs gingen, was er een vaste grond
voor hun hoop. Zij spraken, naar mijn idee, een beetje hooghartig over die
heilige vrouwen, als “enige vrouwen”. Toch waren er geen betere
discipelen in de wereld dan die vrouwen. Ze waren zeker de besten van het
uitverkoren gezelschap - Maria en Maria Magdalena. Zelfs aan het
getuigenis van Petrus en Johannes, de belangrijksten van de apostelen,
wordt niet voldoende waarde gehecht, want zij spreken van “enigen van de
onzen”. Ik zeg niet, dat ze zonder respect spraken, maar er is een
verdoezeling van hun getuigenis door twijfel te suggereren. Betreffende
deze godvruchtige vrouwen laten ze een indruk op mijn geest achter, alsof
ze hadden gezegd: "Vrouwen willen praten en deze vrouwen zeiden, dat
ze een visioen van engelen hadden gezien, die zeiden, dat Hij leefde.”
Het wordt weergeven als iets wat men heeft van horen zeggen. Ze zeiden,
dat ze diegenen hadden gezien, die hadden gezegd….. Als het hen op de
man af gevraagd was, zouden de twee discipelen niet hebben toegegeven, dat
Magdalena en de andere vrouwen of Petrus en Johannes het vertrouwen
onwaardig waren. En toch deden ze vanwege hun verdriet net alsof de
getuigen het mis hadden. Als zij, die bij het lege graf waren geweest,
geloofd moesten worden, waarom twijfelden ze dan? Het bewijs waar ze het
nu zelf over hebben, hoewel we het hier op deze plaats maar kort
weergegeven vinden, was het sluitende bewijs, dat Christus het graf had
verlaten. En toch twijfelden zij daaraan. Nu, geliefde vrienden, u en ik
hebben een overvloedig bewijs van de trouw van God en als we ongelovig
zijn, dan zijn we onredelijk en dwaas. Tenminste, ik sta hier en belijd,
dat telkens wanneer ik aan mijn God twijfel, het van mijn kant een onnodig
kwaad is. Ik heb nooit enige reden gehad om Hem te wantrouwen. Deze vele
jaren, dat ik op Hem vertrouw, heeft Hij mij nooit een keer in de steek
gelaten. Ervaren christenen, hoe kunt u ooit wankelen in uw vertrouwen?
Als wij niet geloven, is dat dan niet dwaas? Als de Heiland ons geen
dwazen noemt, dan worden we gedwongen onszelf zo te noemen.
Wij
kunnen niet veronderstellen, dat de belofte, het verbond en de eed van
God, kunnen falen. De veronderstelling kan niet getolereerd worden, geen
ogenblik. Duizenden zielen rusten met alles op de trouw van God en
verlangen geen andere veiligheid. Maar als God ontrouw zou zijn, wat zal
er dan van hen terecht komen? Als de fundamenten worden weggehaald, wat
kunnen de rechtvaardigen dan doen? Dan zullen zij, die ontslapen zijn in
Christus, omgekomen zijn. Of zelfs als ze in de hemel zijn, wat voor
zekerheid hebben ze daar, als God kan veranderen? Ik voel me helemaal
veilig aan boord van het schip van het verbond, want al de heiligen
drijven hier in deze ene boot. Als God faalt, dan falen we allemaal samen
en dan is er een einde aan het geloof, aan de hoop en aan alle dingen
gekomen. Daarom, laten we niet zo dwaas zijn om te zondigen tegen het
licht van de absolute waarheid. Laten we geloven wat we weten en wat we
ondervonden hebben. Laat de ervaring uit het verleden ons vast verankeren
wat betreft de toekomstige omstandigheden.
Ongeloof
is dwaasheid, omdat het dikwijls voortkomt uit het feit, dat wij
zo'n haast hebben. Ze zeiden: "Maar met dit al is het thans
reeds de derde dag." Ik weet, dat ze grote dingen hadden verwacht op
die derde dag en dat ze die terecht verwachtten. Maar toch, de dag was nog
niet voorbij en ze zaten in zo'n koortsachtige toestand, alsof het al een
maand geleden was. Hoewel de Heiland had gezegd, dat Hij op de derde dag
zou opstaan, had Hij niet gezegd, dat Hij aan hen allen op de derde dag
zou verschijnen. Hij zei hen naar Galilea te gaan en dat ze Hem daar
zouden zien, maar die ontmoeting was er nog niet geweest. “Wie gelooft,
haast zich niet”, maar zij, die niet geloven, zijn altijd rusteloos.
Terecht is er geschreven: "Gij hebt nodig geduld te oefenen".
Het tijdstip van Gods beloften is volmaakt. Maar ze zullen niet allemaal
vandaag worden vervuld. Goddelijke beloften zijn als bepaalde cheques, die
verzilverd kunnen worden zoveel dagen, nadat ze gezien zijn. En omdat ze
niet meteen bij het tonen ervan worden uitbetaald, twijfelen we of het wel
goede cheques zijn. Is dit redelijk? Zijn we niet dwaas om te twijfelen
aan het vaste handschrift van een God, Die niet kan liegen? Omdat God uw
interpretatie van Zijn belofte niet heeft uitgevoerd volgens uw eigen
dictaat, trekt u daarom Zijn trouw in twijfel! Als het visioen op zich
laat wachten, wilt u er daarom niet meer op blijven wachten? Het zal komen
op zijn eigen vastgestelde tijd. Zou u willen, dat er voor u vaart achter
gezet wordt? Wat krijgen we nu? Zullen de zon en de maan hun pas
versnellen om zich aan te passen aan uw snelheid? Moet God Zelf Zijn
plannen veranderen op uw bevel? Werkelijk, de zaken staan er zo toch wel
heel raar voor! Bent u mens of God? Als u mens bent, wacht dan op Gods
tijd en beheers uw ziel in geduld. Als u dat niet doet, maar als een
ontevreden kind alles nu moet hebben of anders gaat schreeuwen en vechten,
dan verdient u de roede en terecht kan de Here tot u zeggen: "O,
dwaas!"
Nogmaals,
ik denk dat we, steeds wanneer we twijfelen, terecht beschuldigd worden
van dwaasheid, omdat we onszelf onnodig laten lijden. Er
zijn genoeg bittere bronnen in deze woestijn zonder dat wij er nog meer
graven. Er zijn genoeg echte oorzaken van verdriet, zonder onze uit de
lucht gegrepen oorzaken. Ik geloof, dat de heftigste kwellingen in de
wereld die zijn, die de mensen zelf maken. Geen adder heeft ooit Cleopatra
zo vreselijk gebeten als die, welke zij zelf tegen zich aan hield. Sommige
van onze vrienden besteden al hun dagen aan het voor zichzelf naaien van
linnen zakken. Ik heb de schoenlapper gezien, die met zijn klopsteen bezig
was een ongerief op te lappen en hij heeft zijn werk zo goed gedaan, dat
de schoen zijn voet dagenlang heeft gekneld. Het lijkt triest, vindt u
niet? Toch, broeders en zusters, hebben we sommigen in ons midden, die een
meester zijn in het zich zorgen maken. Ik denk niet dat, toen u nog een
jongen was, u ooit de bossen in ging om een stok voor uw vader te zoeken
om u daarmee te slaan, maar u hebt dit steeds opnieuw gedaan sinds u man
bent. En des te verdrietiger is het, dat u zo dwaas bent. Als deze twee
reizigers hadden nagedacht en hadden geloofd, dan zouden ze geweten
hebben, dat Christus uit de doden was opgestaan. En terwijl ze naar Emmaüs
liepen, - als ze dan überhaupt ooit aan die wandeling begonnen waren –
zouden hun gezichten hebben geglommen bij het vooruitzicht van het
spoedige zien van Diegene, Die ze zo lief hadden.
Ik
wil, dat u er verder op let, dat het dwaasheid was en niets meer.
Ik ben zo dankbaar aan onze Here, dat Hij dat woord gebruikt. Hoewel we
zelf ons eigen ongeloof dienen te veroordelen met heel ons hart, is toch
de Heiland vol tederheid en vergeeft Hij zo overvloedig, dat Hij onze fout
beschouwt als dwaasheid en niet als opzettelijke goddeloosheid. Hij vat
onze twijfel niet op als een belediging, maar Hij noemt het dwaasheid. Hij
weet, dat het waar is van Zijn kinderen, zoals het waar is van onze
kinderen, dat er dwaasheid in het hart van een kind ligt. Hij veroordeelt
die kinderlijke dwaasheid, die Hij veel strenger had kunnen benoemen. Ik
ben er zeker van, dat elk geliefd, gehoorzaam kind zich dankbaar zal
voelen als zijn vader zijn fout het wat mildere etiket “dwaasheid”
geeft, omdat het zal bewijzen, dat hij hem lief heeft en dat hij zich zal
inspannen hem beter te onderwijzen. Het was niet een boosaardige opstand.
Er lag geen vijandschap in. Ze hadden hun Here lief, hoewel ze bang waren,
dat Hij niet uit de doden was opgestaan. Ik wil niet, dat u een onterechte
troost uit dit vriendelijke woord haalt, maar toch wil ik ook graag, dat u
niet de blijdschap verliest, die het wil overbrengen. U, die gekweld wordt
door uw eigen twijfel, moet niet tot de conclusie komen, dat de Here u
volkomen verwerpt. Hij maakt onderscheid tussen de dwaasheid van een kind
en de goddeloosheid van een opstandeling: Hij weet wat er in uw hart is en
Hij weet, dat u de Zijne bent. U bent als een schip, dat goed verankerd is
en hoewel de vloed opkomt en uw schip heen en weer laat slingeren, zodat u
zelf aan het wankelen bent, is toch het schip niet losgegooid van zijn
ankerplaats en bent u ook niet in enig gevaar. Uw geloof is gevestigd op
Christus en dit anker houdt u vast. Hoewel u een beetje heen en weer
geslingerd wordt, zult u geen schipbreuk lijden vanwege de zonde, maar wel
erg zeeziek zijn vanwege de dwaasheid. Tot zover met betrekking tot de
ongelovige somberheid, die dwaasheid is.
In
de tweede plaats bestrafte onze Here hen vanwege
DE TRAAGHEID VAN HART OM TE GELOVEN.
Dit
is een kwaad, wat enorm bestreden dient te worden, maar toch is het
helemaal geen zeldzame zonde onder het volk van God. Laat me proberen de
aanklacht, welke door onze Here tegen de twee discipelen werd ingebracht,
duidelijk te maken, aangezien ik vrees, dat het evenzeer op ons van
toepassing is als op hen. Ons hart is zeer vaak traag om te geloven,
tenminste, het mijne is zo en ik veronderstel, dat we veel op
elkaar lijken.
Ten
eerste: we zijn traag van hart om onze God te geloven, want we zijn
veel eerder geneigd om anderen te geloven dan Hem te geloven. Ik
ben vaak verbaasd over de lichtgelovigheid van goede mensen, aan wie ik
toch wat meer verstand had toegeschreven. Lichtgelovigheid ten opzichte
van mensen en ongeloof ten opzichte van God zijn merkwaardige dingen om in
dezelfde persoon te vinden. Als we de dagbladen lezen kan het ons niet
ontgaan te zien, hoe gemakkelijk mensen gedupeerd worden. Bedenk maar een
folder en een lijst namen als bestuurders, inclusief iemand van de
verarmde adel en u kunt het geld met karrenvrachten binnenhalen. De
vertrouwenstruc kan nog steeds met succes worden uitgevoerd. Een bedrieger
had maandenlang geld verdiend door aan te bellen bij de deuren van
argeloze, oude mensen in armenhuizen en vertelde hen, dat hij een neef in
Amerika had, die gestorven was en hem een fortuin had achtergelaten, maar
dat het volstrekt noodzakelijk was, dat er eerst leges betaald werden bij
de kantoren van de overheid en dan zou de erfenis meteen overhandigd
worden. Steeds weer was het geld bij elkaar geschraapt en was de schurk
ermee vandoor gegaan en nooit werd er meer wat van die neef in Amerika
gehoord. Zo lopen er zoveel simpele zielen rond, dat schurken overal, alle
maanden van het jaar, hun oogst kunnen binnenhalen. En toch wordt er aan
de God der Waarheid getwijfeld! Toch wordt het onvergankelijke Woord
gewantrouwd! Dit maakt onze traagheid van hart bij het geloven van God des
te meer tot een verdrietig teken van onze innerlijke, verdorven natuur. We
kunnen geloven, want we geloven in mensen. In de loop van
ons leven zijn we dwaas genoeg om ten nadele van onszelf in mensen te
geloven. In werkelijkheid is het niet gemakkelijk om uit deze strik los te
komen. En toch zijn wij traag van hart om onze God geloven. O, mijn
broeders, kunnen we onszelf verontschuldigen? De Here vergeve ons en
reinige ons! Laten we voortaan elke lettergreep van Gods Woord als
onfeilbaar accepteren, terwijl we ons ongeloof richten op de mens met zijn
filosofieën en trouweloosheid.
Is
het niet duidelijk, dat wij traag van hart zijn om te geloven, aangezien we
dit bij anderen veroordelen, wanneer zij vol wantrouwen zijn?
Wanneer we onze broeders in de beproeving zien wanhopen en wantrouwen, dan
zijn we heel erg geneigd hen onnodig dom en zondig te vinden door zo traag
te zijn in het aannemen van de belofte. En toch, wanneer we in een
soortgelijke toestand terecht komen, zijn we niets beter dan zij. Datgene
wat we bekritiseren, bedrijven we zelf. De balk is in ons eigen oog, net
zoals de splinter in het oog van onze broeder. U bent thuisgekomen, nadat
u een vriendin hebt bezocht, die neerslachtig was en u hebt gezegd:
"Ik snap niks van haar. Ik heb haar de beloften voorgehouden, maar
zij is zo dwaas, dat ze weigert om getroost te worden.” Ja, leer
hieruit, hoe u kunt zijn! Binnen een maand kunt u in dezelfde modder
wegzinken. Een slecht, ongelovig hart wordt in menige boezem gevonden,
waar het bestaan ervan het minst zou worden verwacht. Maar als we de
dwaasheid van anderen zien, zullen we dan niet onze eigen dwaasheid
belijden? Durven wij datgene te doen, wat we veroordelen? Hebt u ooit van
Job gezegd: "Het was jammer, dat hij na al zijn geduld zo bitter
sprak en de dag van zijn geboorte vervloekte"? Ik vraag me af
hoevelen van ons een beetje beter zouden zijn geweest dan Job. Ik durf
niet te hopen, dat ik waardig zou zijn geweest om zijn schoenriemen los te
maken. Als ik beroofd was geweest zoals hij en gemarteld met dezelfde
brandende zweren en, nog het ergst van al, geïrriteerd werd door critici
met hun wrede openhartigheid en boosaardige sympathie, dan zou ik mij niet
zo groots hebben kunnen gedragen, als hij deed. Laten we anderen niet
streng oordelen. Natuurlijk, zij moeten geloven; zij moeten vrolijker
zijn; zij moeten niet toelaten dat hun lasten hen zo volledig
verpletteren: maar wanneer wij ook verzocht worden, zullen we zelf dan
zoveel beter zijn? Ik ben bang van niet. Laten we onszelf zien in de
zwakheid van onze broeders en belijden dat de woorden van onze Heiland
waar zijn: wij zijn “traag van hart om te geloven”.
Er
is nog een ander punt, waarop we heel traag van hart zijn om te geloven,
namelijk, we geloven wel en toch ook weer niet. Wij moeten
erg traag van hart zijn, wanneer we zeggen: "Ja, ik geloof die
belofte", en toch verwachten we niet, dat hij vervuld wordt. We zijn
snel met ons verstand om te geloven, maar we zijn traag van hart om het in
de praktijk te geloven. Juist het hart van ons geloof is traag. Onze
geliefde vriend, mijnheer George Muller - moge God hem nog lang sparen -
zegt, dat één van zijn doelen bij het rondreizen van gemeente naar
gemeente op zijn gevorderde leeftijd is, om te proberen Gods volk naar een
echt geloof in de beloften van God te leiden. Hij zegt: "Omdat ik in
deze zevenenvijftig jaar heb gezien, hoe weinig echt
vertrouwen er op de levende God is (over het algemeen gesproken), zelfs
onder echte christenen, heb ik op mijn zendingsreizen het speciaal
geprobeerd hun geloof te versterken, omdat ik in de loop van mijn
pastorale werkzaamheden aan de ene kant de gezegende resultaten van het echte
vertrouwen op God heb leren kennen en aan de andere kant de ellende van
het wantrouwen van Hem.” Het doel van mijnheer Muller is erg gewenst,
maar wat voor dwazen moeten we zijn, dat dit noodzakelijk is! Er zijn
genoeg mensen, die op een overbeschaafde manier in God geloven daar boven
op de rand van de maan of “achter de noordenwind”. Maar zij geloven de
Here niet in hun winkel, of op hun bed, of in hun keuken; ze kunnen niet
geloven met betrekking tot het brood, de kaas, de huishuur en de kleding.
Zij praten over het geloven in de Here voor de eeuwigheid, maar voor deze
dag en de volgende week zitten ze vol angst. Echt geloof is alledaags
geloof. Het geloof van de aartsvaders was een geloof, dat in tenten woonde
en dat schapen voedde. We hebben een geloof nodig, dat tegen de
slijtageslag van het leven bestand is, een praktisch, werkelijk geloof,
dat van uur tot uur op God vertrouwt. O, om verlost te zijn van al die
schijn en opgeblazenheid en om op God te vertrouwen zoals een vrouw op
haar man of een kind op zijn vader vertrouwt! Ik hoor van schrijvers van
“de Realistische School”: we hebben gelovigen nodig van het
realistische soort. We hebben het geloof nodig waar ruggengraat en durf in
zit. Wij zijn schijngelovigen en zo leiden wij ook een schijnleven. De
beloften van God spreken tot ons, zoals Jezus sprak tot zijn discipelen,
toen Hij opstond uit de doden: elk ervan roept: “Betast Mij en zie.”
Gods woorden zijn geen kaf, maar koren; geen wind, maar brood. Wij zijn
traag van hart, omdat, terwijl wij denken dat wij alles geloven wat God
tot ons gezegd heeft, dikwijls blijkt, dat ons geloven alleen maar
opgeblazen is.
Nogmaals,
deze twee discipelen moeten traag van hart zijn geweest om te geloven,
omdat zij zoveel uitnemend onderwijs hadden genoten en zij
stabiele gelovigen hadden moeten zijn. Zij hadden jarenlang de Here Jezus
Christus Zelf als Privé-leraar gehad en toch hadden ze niet de
grondbeginselen van een eenvoudig geloof geleerd. “O”, zegt u,
"zij waren erg traag". Bent u niet net zo? Hoeveel jaar bent u
bij Jezus? Misschien zelfs wel dertig jaar. Hijzelf heeft u onderwezen,
nietwaar? Laat me sommigen van u herinneren aan de opmerkelijke
gebeurtenissen in uw leven. Welk een wondervol ingrijpen van de
Voorzienigheid hebt u gezien! Wat een merkwaardige bevrijdingen hebt u
ervaren! Wat een Goddelijke bewaringen hebt u genoten! Welk een hemelse
troost hebt u ontvangen! Als u aan de Heiland twijfelt, dan mag terecht
van u worden gezegd, dat u “traag van hart bent om te geloven”. Na
alles wat u hebt meegemaakt, mijn broeder, zou er nooit meer een schaduw
van twijfel op u mogen vallen! Hebt u niet vaak in een opwelling van
dankbaarheid na opmerkelijke gunsten gezegd: "Zie je wel, ik kan
nooit meer aan mijn Here twijfelen"? U was dwaas toen u die
opschepperige opmerking maakte, maar u bent nog dwazer door die helemaal
los te laten. U bent door de Rode Zee gegaan en met de tamboerijn in uw
hand hebt u voor de Here gezongen. En toch hebt u, misschien na een korte
mars, het bittere water van Mara geproefd en uw mond geopend om te
murmureren. God alleen is wijs en wij zijn dwazen. Hij alleen heeft begrip
en wij zijn “traag van hart”.
Nogmaals,
deze twee discipelen waren erg traag van hart om te geloven, omdat er
zoveel in het Woord is, dat hen had moeten overtuigen. Zie
hoe de Heiland het zegt: "Tragen van hart, dat gij niet gelooft alles
wat de profeten hebben gesproken." Wat een machtig "alles"
is dat! Broeders, bent u zich half bewust van de schat, die er verborgen
ligt in de akker van de Schrift? Bent u zo bekend met uw bijbel als u zou
moeten zijn? Als dat zo is, dan zult u zich bij mij aansluiten in het
spreken over de Schrift, dat die een overvloed aan bevestigend getuigenis
bevat. Daar is rots genoeg te vinden, waarop wij kunnen bouwen. We hebben
hier niet slechts gebod op gebod, maar belofte op belofte en deze alle
worden bevestigd met een gelofte, een eed, een verbond van de Here God
Almachtig. Het onderwijs van de Schrift is zo rijk, zo afwisselend, zo
overtuigend, dat wij inderdaad traag van hart zijn als ons geloof niet
vast en onwrikbaar is. Broeders, een gebrek aan kennis van het Woord van
God is vaak het kweekbed van onze twijfel. De helft van onze angsten komt
voort uit een veronachtzamen van de Bijbel. Onze geest wordt neerslachtig
vanwege een gebrek aan het hemelse voedsel, dat opgeslagen ligt in het geïnspireerde
Boek. God verhoede, dat u zult vluchten naar lichtere literatuur om uw
geest een prikkel te geven. Ga naar de betrouwbare literatuur van de
beloften en word versterkt met voedsel dat beter past bij een
onsterfelijke ziel. Zeg zoals Luther: "Kom, laten we een psalm zingen
en de duivel wegjagen." Er is niets beters voor het uitwerpen van
boze geesten dan de toevlucht te nemen tot het Goddelijke Woord. Wanneer u
meer ziet van wat God heeft geopenbaard, dan zult u opstaan uit uw twijfel
en angsten en uw traagheid van hart om te geloven zal van u weggaan.
Voordat
ik dit punt verlaat vraag ik u op te merken, dat de Heiland niet zegt, dat
zij “hard van hart” waren, maar “traag van hart”. Ik vind het fijn
dat te zien. Wanneer Hij heel erg streng is, is Hij toch liefdevol bezig
onderscheid te maken. “Traag van hart” zijn we, maar er is geen
vijandschap in ons hart ten opzichte van Hem. Het is traagheid en dat is
al erg genoeg, maar onze Here helpt ons vol genade bij ons trage tempo.
Ons aangezicht is in de juiste richting en onze voeten gaan op de juiste
weg, maar we zijn traag van hart en kreupel in het geloof. Zoals David
Mefiboseth spaarde en hem toeliet tot zijn tafel, hoewel hij kreupel
was aan beide voeten, zo heeft de Here ons lief en heeft contact
met ons, traag van hart als we zijn. Het is slecht om een traag hart te
hebben, erg slecht, maar het zou nog veel erger zijn om een onvernieuwd
hart te hebben. Met al onze twijfels en angsten hebben we niet langer een
hart van steen, maar hebben we een hart van vlees, dat verdriet heeft
vanwege haar zondige ongeloof. De Here kent het verschil tussen de zonde
van het haten van de waarheid en de dwaasheid om eraan te twijfelen. Vecht
tegen deze traagheid van hart, maar laat satan niet binnenkomen als
aanklager en u veroordelen, alsof u helemaal geen kind van God zou zijn.
Hierbij
wil ik het laten. Daar is de vriendelijke berisping van de Meester, niet
bedoeld om u te ontmoedigen, maar om u te bemoedigen. Hij noemt u dwaas,
opdat u dat niet langer zou mogen
zijn. Geloof en dit zal uw wijsheid zijn.
Wil het volk van de Here nu zo goed zijn om voor mij te bidden, terwijl ik
nu ga spreken tot de onbekeerden? Vraag, dat ik de zegen van
God mag hebben, terwijl ik probeer te spreken tot diegenen, die de Here
zoeken en nog niet in Hem geloven. Ik wil tot hen alleen maar dit zeggen:
"O, dwaze mensen en tragen van hart, dat gij niet gelooft".
Sommigen van u zoeken werkelijk de Here, maar u zegt, dat u niet kunt
geloven, hoewel u verlangt te geloven. U bent niet zoals de spin, wiens
motto is: "Ik krijg alles uit mijzelf". U hoopt niet de redding
te spinnen uit uw eigen ingewanden, maar u belijdt dat de redding moet
zijn door het geloof in Christus. Tot zover is het goed, maar hoe komt het
dat u niet meteen gelooft? U zegt, dat u dat niet kunt. Hoe komt het dan
dat u niet kunt geloven in Jezus? Hij beveelt u in Hem te geloven en Hij
belooft, dat u gered zult worden. Vertrouw op Hem en u zult leven, even
zeker als Zijn Woord waar is.
Luister!
Dit ongeloof bewijst dat u dwaas bent en traag van hart, want er
zijn andere delen van Zijn Woord, die u maar wat gemakkelijk gelooft.
Als er een bedreiging of een veroordeling staat, dan gelooft u die. Als er
een tekst is, die spreekt van het toekomstige oordeel, dan gelooft u die.
U hebt een scherp oog voor wat hard klinkt of wat somber lijkt. Heb ik u
niet het Woord zien lezen en bij een gedeelte zien stoppen en horen
zeggen: "Helaas, dit maakt mijn geval hopeloos. Ik heb de zonde
bedreven, die is tot de dood". U gelooft in meer dan God heeft
gezegd, want u leest uw eigen gedachten in Gods Woord en u laat het meer
zeggen dan het bedoelt. U bent maar al te zeer geneigd om de harde dingen
tot u te nemen, maar de genadevolle beloften van de liefhebbende Christus
wilt u niet geloven. Hoe kunt u dit rechtvaardigen? Wat bent u dwaas! De
beloften staan in hetzelfde Boek als de bedreigingen en als u het ene
gelooft, geloof dan ook het andere. Zeker, de opwekkende woorden komen
voort uit dezelfde inspiratie als de neerslachtige: als u datgene gelooft,
wat somber lijkt, geloof dan ook datgene, wat vrolijk lijkt.
Vervolgens,
u bent erg dwaas, omdat uw bezwaren tegen het geloof slecht en
kinderachtig zijn. Ik zou denken, dat ik er honderden heb gehoord
in mijn leven, maar van al de bezwaren, die door verontruste zielen zijn
ingebracht tegen het geloven in Jezus, is er niet één, die de moeite van
het serieus bespreken waard is. Iemand kan niet in Jezus geloven, omdat
hij zich niet nederig genoeg voelt, alsof dat de kracht van Christus om te
redden zou beïnvloeden. Als hij zich meer vernederd voelde, dan zou hij
in Jezus kunnen geloven. Zou dat niet juist het geloven in zichzelf zijn
en het vertrouwen op zijn eigen nederigheid in plaats van het vertrouwen
op Christus? Iemand kan niet in Christus geloven, omdat hij niet is als
een bepaalde grote heilige. Verwacht hij dan, dat hij als een grote
heilige moet zijn, wanneer hij voor het eerst tot Christus komt? Is
Christus niet gekomen om zondaren te redden? Weer iemand anders zegt, dat
hij niet kan geloven, omdat hij de verschrikkingen van de wet en de
dreiging van de hel niet heeft gevoeld. Denkt hij, dat zijn angsten hem
moeten redden? Zullen zijn vrees en zijn schrik Christus helpen om hem te
redden? Zou hij dan niet op zijn angsten vertrouwen en in plaats van op
Christus? De Here Jezus zegt: "Zie op Mij en wordt behouden, al gij
einden der aarde". Het Evangelie moet gepredikt worden aan elk
schepsel en elk schepsel dat gelooft, zal behouden worden. Maar deze
mensen lopen hiervoor weg en beginnen argumenten te verzinnen voor hun
eigen verderf. Wat een treurige, suïcidale bezigheid is dit! Laat de
duivel redenen bedenken, waarom ik niet gered word. Het is geen zaak, die
mij iets goeds kan opleveren. Niets kan standhouden tegen de belofte van
God: Hij beveelt mij om in Zijn Zoon Jezus te geloven en ik geloof en ik
word gered en ik zal gered blijven ondanks al de tegenwerpingen, die door
het vleselijke verstand ingebracht kunnen worden.
Hoewel
u het zo moeilijk vindt om in Christus te geloven, hebt u het erg
gemakkelijk gevonden om in uzelf te geloven. Niet lang geleden was
u alles en nu kunt u niet geloven, dat Christus alles is. U dacht, dat u
erg goed was; u voelde zich erg op uw gemak, toen u juist bang had moeten
zijn. Wat! Was het gemakkelijk om in uw arme “ik” te geloven en kunt u
niet het getrouwe Woord geloven van een goede, genadevolle Heiland, Die
zegt, dat u, als u op Hem vertrouwt, gered zult worden?
Bovendien,
u bent nu wel erg geneigd satan te geloven, wanneer hij komt
en zegt, dat de bijbel niet waar is, of dat Jezus u niet zal aanvaarden,
of dat u zo erg gezondigd hebt, dat er geen hoop meer is, of dat de genade
van God u niet kan redden. Natuurlijk, u gelooft de vader der leugen en u
loopt al treurend en kniezend rond, terwijl u meteen al zingend en dansend
verder had mogen gaan, als u uw Heiland zou geloven. Jezus gebiedt u te
vertrouwen en te leven en satan zegt, dat het geen zin heeft om te
vertrouwen; u gelooft satan en u behandelt uw Here, alsof Hij van plan was
u te misleiden. “O, dwazen en tragen van hart.”
En
dan, u weet, hoe snel u ermee bent, u zoekenden, om terug te deinzen
voor Christus. Als u een toespraak hoort en een beetje ontroerd
raakt, dan gaat u naar huis en u bidt wat; u krijgt het weer gemakkelijk
en zegt: "Nu ben ik op de weg". Wel, uw ontroeringen en uw
gebeden zijn niet de weg naar de hemel. Jezus zegt: "Ik ben de
weg". U bent niet op die weg, totdat u naar Hem toegaat. U bent in
een gelovig gezelschap geweest en hebt heilige gezangen gezongen; u voelt
zich prima en bent erg blij met uzelf. Wat voor recht hebt u om zelfs maar
een moment te rusten? Hoe durft u te treuzelen, totdat u de vrijstad hebt
bereikt, welke Jezus Christus is? Totdat u in Christus gelooft, hebt u
niet het recht om maar een ogenblik vrede, of hoop, of vreugde te hebben
en toch krijgt u een soort vrede en een soort hoop, wat alleen maar vonken
zijn, die u zelf aangestoken hebt en die in het donker zullen uitdoven.
Omdat u ermee tevreden bent te vertrouwen op iets, dat buiten Christus is,
zeg ik u: Waarom rust u niet in Christus? O, dwazen en tragen van hart.
Schuilplaatsen van leugens, daar vlucht u naar toe, maar de echte
schuilplaats van het volbrachte werk van Jezus Christus aanvaardt u niet?
Hoe komt dit?
Verder
zijn sommigen van u dwaas en traag van hart, omdat u zulke rare
eisen aan God stelt. U zou geloven, wanneer u een stem zou kunnen
horen, of wanneer u een droom zou kunnen dromen, of wanneer er iets
vreemds in uw gezin zou gebeuren. Wat! Is God afhankelijk van uw fantasieën,
zodat u niet in Hem wilt geloven, tenzij Hij dit of dat buitenissige doet?
Als Hij verkiest om sommigen tot Zich te brengen door buitengewone
middelen, moet Hij dan hetzelfde met u doen en geeft u er anders de
voorkeur aan om in de hel geworpen te worden? Zeker, u bent gek. Wie bent
u, dat u zo de Here durft te dicteren en te zeggen, dat Hij dit of dat
moet doen of anders zult u weigeren om in Hem te geloven? Op deze manier
zult u het bloed van Jezus vertrappen en het Koninkrijk der hemelen de rug
toekeren, tenzij er een engel tot u wordt gezonden, of u een stem uit de
hemel hoort. O, dwazen en tragen van hart om deze irrationele eisen te
stellen aan de altijd gezegende God!
U
bent dwaas en traag van hart, omdat u in grote mate het Woord van
God en haar toepassing op uw situatie negeert. Als een ziel in
nood de bijbel van de plank neemt en de bladzijden omslaat, dan hoeft hij
niet lang te zoeken of hij zal licht ontvangen op een gedeelte, dat
hemzelf beschrijft als het voorwerp van genade. “De gezonden hebben geen
geneesheer nodig, maar zij die ziek zijn. Ik ben niet gekomen om
rechtvaardigen te roepen maar zondaren tot bekering.” Slaat dat niet op
u? “Zoekt de HERE terwijl Hij zich laat vinden, roept Hem aan, terwijl
Hij nabij is: laat de goddeloze zijn weg verlaten en de onrechtvaardige
man zijn gedachten en laat hem wederkeren tot de Here en Hij zal hem
genadig zijn; en tot onze God, want Hij vergeeft veelvuldig.” Slaat dat
niet op u? “Komt tot Mij allen, die vermoeid en belast zijt en Ik zal u
rust geven.” Is dat niet van toepassing op u? Wel, als u slechts het
Woord wilt onderzoeken, zult u gedeelten vinden, die zo op uw situatie van
toepassing zijn als een sleutel past op een slot; ze zullen voor u gemaakt
lijken te zijn! Deze twee discipelen hebben een ogenblik niet gezien, hoe
de profeten precies de zaak van de gekruisigde en opgestane Christus
behandelden, maar toen ze dat zagen, brandden hun harten in hen. Als ook u
ziet hoe God in uw situatie heeft voorzien door Zijn Woord, door Zijn
Verbond, door Zijn Zoon, dan zal uw somberheid wegvluchten.
Ik
sluit af met dit ene woord van waarschuwing voor diegenen van u, die
verdrietig van hart zijn en die in de gewoonte vervallen om naar redenen
te zoeken, waarom u niet zou geloven in Christus. Ik vraag u
met deze dwaze praktijk te stoppen. Laat, voordat dit kwaad chronisch bij
u wordt, het los als iets dodelijks. Mensen kunnen zichzelf de put in
redeneren, maar ze kunnen zichzelf niet weer naar boven redeneren. Als u
een open deur ziet, in Gods Naam, haast u zich dan naar binnen, want één
dezer dagen kunt u zo blind worden, dat u nooit weer een open deur ziet.
Grijp deze gelegenheid aan, zolang Christus er is en zegt: "Komt tot
Mij, allen die vermoeid en belast zijt", kom dan! Als u gaat zitten
en gaat argumenteren tegen Christus, kan Hij uw conclusies tot uw eigen
verderf overeind laten staan. Diegenen, die zo dwaas zijn dat zij vandaag
twintig onheilige redenen vinden, zullen dwaas genoeg zijn om volgend jaar
tweehonderd van zulke redeneringen te vinden. Een man kan zich gedragen
als een kreupele, totdat hij zelf hopeloos mank wordt. Pas op, waar u mee
bezig bent. U kunt menig jaar een deur op slot doen en hem weer open doen,
maar één dezer dagen kan het slot zo haperen, dat hij niet meer open
gaat. O, dat u meteen in Jezus Christus mag gaan geloven ten eeuwigen
leven!
Zelf
ben ik op dit punt gekomen - als ik
omkom, zal ik omkomen met het geloof in Jezus. Als ik verloren moet gaan,
dan zal ik verloren gaan, mij vasthoudend aan Zijn kruis. Kan iemand daar
verloren gaan? Nee, wat voor “dwazen en tragen van hart” we ook mogen
zijn, we weten dat niemand zal omkomen die tot Christus komt, want dat zou
een grote schande zijn voor de naam van de Heiland. God zegene U! Amen.
©
Copyright vertaling 2006 B. Kroeze, Doldersum.
Alle rechten voorbehouden.
info@mannavoorpelgrims.nl
Zie voor copyrightregels: www.mannavoorpelgrims.nl
|