|
|
EEN SOMBER
INTERIEUR EN EEN BLIJMOEDIGE BOODSCHAPSTER
Printversie:
Een toespraak
bedoeld om te lezen op zondag 23 mei 1897, gehouden door C.H. Spurgeon op
zondagavond 18 oktober 1885.
De tekst is
Marcus 16:10. “Zij ging heen en berichtte het hun, welke bij Hem geweest
waren, die treurden en weenden.”
Sommigen van
u, geliefde vrienden, hebben die kleine schilderijen van beroemde
Hollandse kunstenaars gezien, waarop zij met heel veel kleine
penseelstreken – heel levensecht, heel veelzeggend, heel alledaags –
een interieur afbeelden. Nu, Marcus is zo’n schilder; hij
verheugt zich erin interieurs voor ons te schilderen. Hij is vooral blij,
wanneer hij iets kan weergeven wat niemand anders beschreven lijkt te
hebben, of wanneer hij een beschrijving van iemand anders kan nemen en de
details kan invullen, de finishing touch die achterwege gelaten was. Ik
herinner me niet dat ons door Mattheüs, of Lucas, of Johannes, verteld
wordt hoe de discipelen zich gedroegen, terwijl hun Here in het graf was.
Het wordt aan onszelf overgelaten om ons hun gevoelens voor te stellen,
met deze uitzondering – dat Marcus ons vertelt dat “zij treurden en
weenden”.
Bedenk, dat dit gebeurde op de morgen van de
derde dag na de dood van onze Here. Ze hadden de Joodse Sabbath gehad om
rustig na te denken en, ongetwijfeld, om te klagen en te treuren, maar dit
is de morgen van de dag van onze Here Zelf, de eerste dag der week.
Wanneer Maria Magdalena de kamer in komt, vertelt zij hen, dat zij de
opgestane Here heeft gezien. Wat is het schouwspel dat ze voor ogen kreeg?
In een paar woorden tekent Marcus het als volgt: “Zij, die treurden en
weenden”. Ik veronderstel dat het hoofdzakelijk mannen waren. Als Maria
alleen bij de elven kwam, waren het allemaal mannen; toch zijn ze als
volgt bezig: “Zij treurden en weenden”. Wij weten veel van
hen; we hebben zoveel over hen gelezen en ze worden zo duidelijk
geschetst, – deze eerste leiders van de gemeente van Christus, deze
eerste paar uitverkoren mannen – dat het me haast mogelijk lijkt hen
allen in mijn fantasie te zien, niet gegroepeerd rond een tafel, zoals op
dat beroemde schilderij van het Laatste Avondmaal, maar terwijl ze samen
in de kamer zitten en hun emoties niet kunnen bedwingen. Ze zijn allemaal
aan het treuren en de meeste van hen brengen deze emoties tot uiting op
een manier die voor mannen niet gebruikelijk is: “Zij treurden en
weenden”. Er was gezucht, geroep en er waren zilte tranen. Het was een
toneel van somber verdriet waar Maria binnenkwam; je kunt je haar haast
voorstellen, terwijl ze daar bij de deur staat met haar hand op de klink.
Ze blijft even wachten voordat ze het nieuws kan brengen; ze zijn zo
ongelukkig; ze zijn zo terneergeslagen; het is zo’n
begrafenissamenkomst, dat ze nauwelijks woorden kan vinden. Tenslotte
barst ze los: “Christus is opgestaan! Ik heb Hem gezien. Hij is
opgestaan uit de dood! Stop met uw treuren. Een engel is uit de hemel
neergedaald en heeft met mij gesproken en gezegd: “Hij is hier niet:
want Hij is opgestaan, zoals Hij heeft gezegd.”” Nadat ze haar
boodschap heeft overgebracht, blijft ze stilstaan, bijna versteend, omdat
ze merkt dat ze niet geloofd wordt. Misschien spreekt er niemand; het kan
zijn, dat niemand zegt: “Maria Magdalena, je bent gek; we geloven jou
niet”, maar ze blijven huilen. Ze kijken rond om als het ware aan elkaar
te vragen: “Geloof jij het?” En iedereen lijkt te zeggen: “Zelf
geloof ik het niet.” Hun ogen geven zich weer over aan het huilen en hun
hart blijft nog steeds vol overgave treuren. “Zij ging heen en berichtte
het hun, welke bij Hem geweest waren, die treurden en weenden.”
Deze keer wil ik eerst spreken over het droevige
gezelschap, die groep van
treurende en wenende discipelen tot wie Maria kwam. Daarna wil ik iets
zeggen over de troostende boodschapster wier boodschap, dat treuren
en wenen in het tegenovergestelde had moeten veranderen, namelijk in
vreugde en blijdschap; en, in de laatste plaats, wil ik u vertellen over de
geruststellende gedachte die ik in deze beschrijving vind.
I. Ten eerste dan, laat me u meenemen naar dit interieur, dat
Marcus zo prachtig heeft geschilderd en ik vraag u te kijken naar HET
DROEVIGE GEZELSCHAP: “Zij ging heen en berichtte het hun, welke bij Hem
geweest waren, die treurden en weenden.”
Wat was de oorzaak van hun huilen? Wat is de
oorzaak dat mensen huilen om de dood van Christus? Het brengt mensen wel
aan het huilen; we zijn niet allemaal veranderd in steen; we zijn niet
allemaal wreed. Er zijn bij sommigen van ons tijden – we wensen dat ze
vaker voorkwamen, – wanneer het kruis van Christus het diepste van ons
hart lijkt te raken en de rots, die in onze natuur ligt, laat stromen van
tranen. Waarom treuren we om een gekruisigde Christus?
Ten eerste, omdat wij, net als deze
discipelen een bepaald geloof in Hem hebben. Ze waren bij Hem geweest,
omdat ze in Hem geloofden. Ze hadden zo in Hem geloofd, dat ze alles
hadden achtergelaten, Hem waren gevolgd en ter wille van Zijn geliefde
zaak het doelwit van smaad waren geworden. Ze hadden Hem horen prediken en
de kracht van Zijn onderwijs had hun hart gewonnen. Ze geloofden dat hij
de Christus, de Messias, de Zoon van God was, de Verlosser van mensen,
maar toch was Hij nu dood en juist het feit dat ze geloofd hadden, deed
hen het intense verdriet ervaren, wanneer ze terugkeken op wat Hij voor
hen was geweest. Als zij geen geloof in Hem hadden gehad, dan zouden ze
hebben gezegd: “Hij was een bedrieger en hij is veilig opgeruimd; hij is
aan zijn eind gekomen; het is altijd een zegen, wanneer een bedrieger
tenslotte aan z’n eind komt.” Maar omdat zij in Hem hadden geloofd,
daarom hadden ze verdriet wanneer zij eraan dachten dat Hij weg was. U en
ik, geliefde vrienden, die op dit moment wel in Jezus Christus geloven,
kunnen niet zonder diep verdriet denken aan Hem, als zijnde dood. Wanneer
we ons één keer levendig hebben gerealiseerd dat de Zoon van God
werkelijk aan het hout stierf, en let erop hoe Hij in een algehele
uiterste benauwdheid stierf, dan kunnen we alleen maar verdriet hebben. We
vragen ons af: “Waarom moest Hij sterven? Waarom moest Hij zo ter dood
worden gebracht?” En we beginnen te huilen en te treuren vanwege deze
allergrootste misdaad. O, U, Gezalfde van God, werd U veracht en verworpen
door mensen? O, U, Die mensen liefhebt, werd U gehaat en uitgeworpen en
gekruisigd? O, U, Die kwam om de schuldige te redden, heeft de mens U ter
dood gebracht?
In de mate waarin we in Hem geloven, ervaren
we dat we zouden wegsmelten van verdriet om te bedenken dat Hij moest
sterven. Zal zo’n glans worden verduisterd? Zal zo’n heerlijkheid
worden onteerd? Zal zo’n onsterfelijkheid naar de poorten van de dood
worden gesleept? We kunnen slechts treuren dat Christus moest sterven; als
we bij die gedachte stilstaan, zullen we in die stemming komen, waarin de
discipelen waren, toen zij treurden en weenden.
Ongetwijfeld treurden en weenden zij in de
eerste plaats, omdat zij Hem liefhadden; daarom treurden zij om Zijn
verlies. Was Christus werkelijk weg? “Helaas!” zeiden ze, “ons
Hoofd is van ons weggenomen, onze Meester en onze Here, onze volmaakte
Leraar, ons volkomen Voorbeeld, onze gezegende Vriend, onze tedere
Trooster.” Zij hadden meer verloren dan zij, die haar man verliest, of
dan hij die zijn vrouw heeft verloren, of dan het kind dat beroofd is van
zijn moeder. Ze hadden “elke kostbare naam in Eén” verloren. En
broeders, als we altijd aan een dode Christus moesten denken, als we zo
onverstandig waren, dat we vergaten dat Hij voor eeuwig leeft, dan zou het
inderdaad lijken, dat het ’t grootste verlies was dat de hemel of de
aarde kon dragen, dat de Zoon van God zo ter dood gebracht zou worden. We
hebben Hem zozeer lief, dat we er niet aan kunnen denken dat Hij afgevoerd
werd bij de mensenkinderen vandaan, door hen verworpen werd en door hen
ter dood gebracht werd, zonder te ervaren dat ons hart breekt, omdat Hij
zo moest lijden. Onze liefde en waardering voor Hem bewerken dat de stroom
van ons verdriet zich verdiept.
En des te meer is dit het geval
wanneer we
denken aan de smarten, die Hij verdroeg. Ik stel me voor, dat ik
Johannes naar de overkant van de tafel hoor zeggen: “Ik zag dat zij Zijn
zijde doorboorden en meteen kwam er bloed en water uit.” Ik hoor Jacobus
zeggen: “En ik zag dat ze Hem zure wijn aanboden.” Ik hoor Petrus
zeggen: “Ik zag dat ze Hem geselden.” Ik hoor Bartholomeüs zeggen:
“En ik hoorde uit de verte Zijn roep: “Mij dorst.”” En dan zouden
ze weer in een koor van huilen uitbarsten. Het was niet alleen dat Hij weg
was en dat ze Hem kwijt waren, maar dat Hij op zo’n manier gestorven
was, als Hij gestorven was. Zij konden niet zonder tranen denken aan het
feit, dat Hij als een schurk ter dood werd gebracht, in zo’n
buitengewone marteling, verlaten door de Vader, terwijl Hij riep: “Mijn
God, Mijn God, waarom hebt Gij Mij verlaten?” zonder dat ze bij zichzelf
zeiden: “Hoe kon dit gebeuren? Dit is een beproeving die niet gedragen
kan worden, een diep verdriet dat niet gepeild kan worden, dat Hij zou
sterven en zó zou sterven!” Ik
protesteer! Ik heb soms van binnen het gevoel gehad, alsof ik Zijn sterven
zou hebben tegengehouden, als ik dat zou kunnen. Wat! Is Hij gestorven om
mijn ziel te redden? De losprijs is, alles bij elkaar, te groot! Hebt u
nooit gehoord van de twee broers, van wie er één moest sterven en elk
van hen wenste graag te lijden in plaats van zijn broer? Ze streden er
onderling over, alsof ze rivalen waren in liefde tot de dood, wie er zou
sterven, opdat de ander zou leven. Soms, wanneer de liefde machtig over
ons is, lijken wij tot de grote Meester te zeggen: “Het zou beter zijn
dat ik stierf en omkwam dan dat U aan een kruis genageld zou worden.”
Hij heeft nooit de keuze aan ons gelaten. Hij was ons voor. Hij kocht ons
met Zijn kostbaar bloed, voordat wij de gelegenheid hadden met Hem in
discussie te gaan over liefde. Hij droeg onze zonden in Zijn eigen lichaam
aan het hout en Hij gaf dat ongeëvenaarde leven, opdat Hij u en mij zou
verlossen van het neerdalen in de hel. Toch kunnen we niet aan Zijn lijden
en verdriet denken zonder te treuren en te wenen.
Verder, geliefde vrienden, zou ik denken dat
de elven, terwijl ze daar samen zaten, getreurd en geweend moeten hebben als
zij eraan dachten, hoe zij deze geliefde Here van hen behandeld hadden.
Als er een vriend sterft en we onvriendelijk voor die vriend zijn geweest,
wat raakt dan onze onvriendelijkheid ons, wanneer het te laat is om er
vergeving voor te vragen! Een ongehoorzame zoon moet, wanneer zijn moeder
sterft, een pijnlijk knagen in z’n hart voelen bij ’t denken aan z’n
onvriendelijkheid, maar wat moeten deze discipelen hebben gevoeld als zij
er aan dachten hoe ze hun gezegende Here hadden behandeld? Ze zeiden tegen
elkaar: “O, wat hebben we Hem verdriet gedaan toen we er ruzie over
hadden wie van ons de grootste zou zijn, terwijl Hij erover sprak
overgeleverd te worden in de handen van goddeloze mensen en gegeseld te
worden en ter dood gebracht te worden aan het kruis!” “Houd je mond,
jullie allemaal”, roept de arme Petrus, “zeg niets, want ik ben
het die Hem in de steek gelaten en verloochend heeft. Met eden en vloeken
heb ik geloochend dat ik Hem kende.” En wanneer Petrus huilde, dan
huilden zij allemaal, dat weet ik zeker, terwijl iedereen zou zeggen:
“Maar, broeder Petrus, we hebben Hem allemaal in de steek gelaten en
zijn weggevlucht.” “Ik”, zegt Johannes, “ik sliep die avond in de
tuin, toen Hij zei: “Kunnen jullie niet één uur met mij waken?” En
een ieder van hen zou bereid zijn z’n eigen misstappen ten opzichte van
de Gezegende te belijden en allen samen zouden zeggen: “Waarom zijn we
niet om Hem heen gaan staan? Waarom zijn we niet bij Hem gebleven, toen ze
Hem wegvoerden en Hem bonden en geselden? Waarom hebben we onze schouders
niet ontbloot en onszelf geplaatst tussen de Romeinse beulen en Zijn
gezegende lichaam? Waarom zijn we tenminste niet, als we Hem niet konden
helpen, rondom het kruis gaan staan en waarom hebben we geen
vertroostingen gefluisterd, of tenminste een paar beloften van de Vader
voor Hem geciteerd, of Hem eraan herinnerd dat er sommigen waren, die Hem
liefhadden, zelfs al hoonden en bespotten anderen Hem?” Toen huilden ze
en treurden opnieuw.
Wanneer u en ik aan de dood van Christus
denken, moeten we dan niet hetzelfde ervaren als deze discipelen?
“Jullie
waren het, mijn zonden, mijn wrede zonden,
Die
Zijn voornaamste folteraars waren.
Elk
van mijn misdaden werd een spijker,
En
het ongeloof de speer.”
Het waren onze zonden die de wraak teweegbracht op Zijn schuldeloze
hoofd, en toch hebben we Hem niet behandeld zoals we Hem moesten
behandelen, want zelfs wij, die Hem het langst hebben gekend en die Hem
het meest hebben liefgehad, wat een slechte vrienden zijn we voor Hem
geweest! Hij toont Zijn wonden opnieuw aan onze berouwvolle starende blik
en Hij zegt: “Dit zijn de wonden, die Ik ontving in het huis van mijn
vrienden.” O, hoe weinig hebben we Hem gegeven, hoe weinig hebben we
voor Hem gedaan, hoe weinig uren hebben we met Hem doorgebracht in de
stilte, hoe zwak is ons getuigenis voor Hem geweest, hoe laks zijn onze
gebeden voor Zijn komst en voor de overwinning van Zijn Koninkrijk! Wat
mij betreft, ik schaam me en ik zeg:
“Terecht
kan de zon zich in duisternis verbergen,
En
zijn heerlijkheid inhouden
Toen
God, de machtige Schepper stierf
Voor
de mens, voor de zonde van het schepsel,
Zo
zou ik graag mijn schaamrood gelaat verbergen,
Terwijl
Zijn geliefd kruis verschijnt,
Mijn
hart in dankbaarheid doen oplossen
en
mijn ogen in tranen doen versmelten.”
Ik kan niet met dit droevige onderwerp blijven doorgaan; dat
vreselijke lijden van onze Meester is genoeg om de laatste druppel
verdriet uit ons hart te wringen. Als we eens echt medegevoel ervoor
zouden krijgen, dan zou het vanavond in deze Tabernakel zijn, zoals het
was in die bovenzaal in Jeruzalem, we zouden treuren en wenen omdat onze
Here dood was. Ik had nog veel dingen tot u te zeggen over dit heilige
thema, maar ook al zou u het kunnen verdragen ernaar te luisteren, ik kan
het niet verdragen om ze uit te spreken.
II. Dus geef ik er nu de voorkeur aan u te vragen naar DE
BLIJMOEDIGE BOODSCHAPSTER te kijken die tot de discipelen kwam en die over
hun Here en de onze zei: “Hij is niet dood: Hij is opgestaan.”
Het is erg belangrijk dat wij evenzeer het
juiste zicht hebben op de opstanding, als op de dood van onze Here. Als ik
morgen in de vroegte mijn tuin inga, neerslachtig en ontroostbaar van
geest en tegen mezelf zeg: “Helaas! De wereld is in een zeer slechte
toestand en de kerk is bijna net zo slecht als de wereld; alles gaat de
verkeerde kant op, alles is ellendig, verdrietig en rampzalig”, dan
zouden zelfs de vogels kunnen gaan zeggen: “Wat is die man eigenlijk van
plan? Hij past niet bij ons.” Als ik naar de bloemen kijk, dan zouden ze
zeker terecht beginnen mij te berispen en zeggen: “Meester, wat bent u
van plan?” Maar als ik naar buiten ga, de vele lasten en zorgen allemaal
op de Here werp en met het uitzicht, hoe droevig het ook is, toch zeg:
“De Here leeft, geprezen zij mijn Rots en laat de God van mijn heil
verhoogd worden”, dan zullen zeker de bergen en de heuvelen uitbreken in
gezang voor mij en al de bomen van het veld zullen in de handen klappen.
God heeft de bedoeling om Zijn volk te verblijden en de wereld, woestijn
als ze is, moet zich met hen verheugen. “De woestijn en de eenzame
plaatsen zullen blij zijn om hen; de woestijn zal zich verheugen en
bloeien als de roos.” God vervulle uw zielen met zonlicht, u allen die
Zijn volk bent! Als er een waarheid is die onze ziel kan doen overstromen
van blijdschap, dan is het zeker vervat in de blijmoedige boodschap, die
Maria aan de huilende discipelen bracht.
U en ik, geliefden, doodden door onze zonden
de Gezalfde van God; Hij stierf de vervloekte dood van het kruis, maar Hij
is niet dood, Hij is nu niet dood. Sommige zogenaamde christenen gaan door
een soort fantasieloze schertsvertoning van het leven van Christus en doen
alles nog eens een keer opnieuw, tijdens wat zij het Heilige Jaar noemen;
dan moeten ze zo nodig de “drie uren worsteling” hebben op wat zij
“de Goede Vrijdag” noemen. Welnu, als ik geloof dat Christus op Goede
Vrijdag stierf, dan zou ik het met vreugde vieren vanaf de eerste
ochtendschemering tot het ondergaan van de zon ’s avonds! Het lijkt me,
dat er uiteindelijk veel ongeloof zit achter elke poging om, al is het
maar in verbeelding, door die drie uren worsteling heen te gaan, – de
worsteling die ééns en voor altijd werd doorstaan door Hem Die zei:
“Het is volbracht.” Als het niet volbracht is, dan zou ik helpen door
er doorheen te gaan, maar als het volbracht was, wat heb ik er anders nog
mee te maken dan mij slechts te verblijden in de fijne vrucht en de
overwinning ervan en blij te zijn dat Hij hier niet is, want Hij is
opgestaan en naar de heerlijkheid van de Vader gegaan. Die boodschap van
Maria Magdalena heeft alles in een ander daglicht gesteld en hoewel wij
hebben geweend en getreurd, zullen we nu beginnen ons te verheugen.
Wat zei Maria? Ze kwam met het beste
nieuws, want ze zei: “Ik heb onze opgestane Here gezien. Eerst zag
ik een engel en hij vertelde me dat Christus er niet was, want Hij was
opgestaan; ik rende naar jullie toe om die goede boodschap te brengen en
onderweg zag ik Hem. Ik herkende Hem eerst niet, maar Hij noemde
mij “Maria”, en ik zei tegen Hem: “Rabboeni” en ik probeerde Hem
aan te raken, maar Hij zei: “Raak mij niet aan, want Ik ben nog niet
opgevaren naar Mijn Vader, maar ga naar Mijn broeders en zeg hen, dat Ik
heenga naar Mijn Vader en uw Vader en naar Mijn God en uw God.” Ik ben
er zeker van, dat het niemand anders was dan de Christus. Ik ben niet
misleid, want ik ken de klank van Zijn stem heel goed. Ik ben er
ooggetuige van, dat Hij is opgewekt, want ik zag Hem en ik hoorde Hem.”
Broeders, dat onze Here Jezus Christus opstond uit de doden, is een groot
feit uit de geschiedenis, waarvan niet weinig ooggetuigen getuigenis
aflegden. Honderden betrouwbare mannen en vrouwen zagen Hem nadat Hij
opstond uit de doden. Zij zouden niet misleid kunnen worden; ze kenden Hem
te goed. Het waren geen bedriegers, want ze raakten alles kwijt door het
getuigenis dat zij aflegden. Velen van hen stierven als gevolg van het
afleggen van dit getuigenis, maar zij konden niet anders. Ze waren er zo
zeker van dat ze Hem hadden gezien, dat ze het vertelden, ofschoon zij
ervoor moesten sterven. Ja, geliefden, de Here Christus, Die u en ik
hebben gedood door onze zonden, is opgestaan uit de doden. Hij is niet aan
het kruis, Hij is niet in het graf; het is waar dat Hij hier niet
lichamelijk aanwezig is, want Hij is opgevaren naar de hoge. Een wolk
heeft Hem weggenomen, maar Hij leeft nog steeds. Hij leeft, zonder te
lijden, overwinnend in de hemelen aan de rechterhand van Zijn Vader. Laat
die waarheid de grote vreugde en troost van ons hart zijn, terwijl we het
geloven.
Laten we ook, net als Maria, het blijde
nieuws aan anderen vertellen, zo vaak als er zich geschikte ogenblikken
voordoen. Dit is een tijd van ongeloof en we zijn erg blij met argumenten
die worden gebruikt om de inspiratie van de Schrift en de waarheid van
haar leer te bewijzen, maar uiteindelijk is de verdediging van de
buitenste bolwerken van de stad der waarheid maar een geringe zaak. De
echte verdediging komt van binnen, waar mensen kunnen spreken over wat zij
weten en kunnen getuigen van wat ze hebben gezien. Zeg niet alleen maar
tegen uw kinderen en buren: “Christus is opgestaan”, maar vertel hen
wat Hij voor u heeft gedaan. Vertel wat voor een genadevolle invloed Zijn
dood en opstanding hebben gehad op uw eigen hart om u te vernieuwen, om u
te troosten, om u te leiden, om u “krachtig in de Here te maken en in de
sterkte van Zijn macht”. Er is niets beters dan persoonlijk bewijs, daar
kan men niet om heen. Eén ooggetuige is beter dan twintig oorgetuigen;
mensen zullen geloven wat u hebt gezien, als ze niet geloven wat u hebt
gehoord. Wees daarom niet traag om uw getuigenis af te leggen voor
“Jezus Christus, Die de getrouwe Getuige is”, en Die Zelf heeft
gezegd: “Gij zijt mijn getuigen.” Als de opgestane Christus u is
geopenbaard, zorg er dan voor van Hem te getuigen als u de gelegenheid
hebt.
Maar helaas!
Eerst geloofden de discipelen
het goede nieuws niet. Ze hadden het algemene en droevige gebrek van
het ongeloof in zich en ze onteerden de boodschapster van de Koning door
haar woord in twijfel te trekken. Nog erger, zij onteerden hun Here en
Meester door aan Zijn verzekering te twijfelen, toen Hij hun vertelde, dat
Hij op de derde dag weer zou opstaan uit de doden. Laten we niet twijfelen
aan de grote waarheid dat Hij is opgestaan. Geliefde vrienden, Maria
Magdalena ontsliep 1800 jaar geleden, maar haar getuigenis is vandaag even
waar als het was op die morgen van die eerste dag des Heren, want de
waarheid is altijd waar; die honderden mensen, die Christus zagen na Zijn
opstanding, zagen Hem even zeker alsof zij Hem pas gisteren hadden gezien,
want als zij Hem 1800 jaar geleden zagen, dan was dat een feit en een feit
is evenzeer een feit na tweeduizend jaar als in het begin. Christus is
opgestaan; we moeten dit heerlijke feit geloven. Als we het geloven, wat
dan?
In de eerste plaats, wordt de zonde van de
moord op Christus verzoend. Al die zonde van ons, die Zijn dood
veroorzaakte, wordt verzoend. Als Hij is opgewekt uit de doden, heeft Hij
ons de zonde vergeven van het ter dood brengen van Hem. Laat uw
boetvaardige geest zich verblijden dat het kwaad, dat u dacht Hem aan te
doen, veranderd is ten goede. Hij is niet langer dood; ook bent u, als u
in Hem gelooft, niet veroordeeld om te sterven en dat zult u ook niet
worden tot in alle eeuwigheid.
“De
Here is waarlijk opgestaan:
Het
graf heeft zijn prooi verloren;
Met
Hem is opgestaan het vrijgekochte nageslacht,
Om
op de dag zonder einde te regeren.”
Luister. Voor zover Christus opstond uit de doden, zijn alle zonden
van diegenen, die op Hem vertrouwen weggedaan. U hebt me dit wonderlijke
verhaal vaak horen uitleggen, hoe Christus de Borg werd voor Zijn volk en
hoe Hij hun schuld betaalde; opdat het misschien niet allemaal betaald zou
zijn, werd Hij in het gevangenis van het graf bewaard, totdat er een
volledig onderzoek had plaatsgevonden en bewezen was, dat Hij de hele
straf gedragen had en dat de schuld van Zijn volk betaald was. Om dit
ongehaast te doen werden er drie dagen en nachten aan besteed en toen voor
het hemelse hooggerechtshof werd verklaard dat de Messias de overtreding
had beëindigd en een eind aan de zonde had gemaakt, zei de Vader: “Ga
Gabriël”; als de flits van een vlam daalde de engel neer met het
bevelschrift bij zich dat de schuld was betaald en dat de Borg moest
worden vrijgelaten. Daar lag Hij en sliep die grote doodsslaap voor ons.
Toen Hij wakker werd, vouwde Hij de doeken en de grafkleren op en legde de
doek op de ene plaats en de grafkleren op een andere, want Hij had geen
haast. Hij vouwde ze op en legde elk op z’n juiste plaats; en toen, toen
alles helemaal klaar was, ging Hij in de luister van Zijn opstandingsleven
naar de open deur, waar Zijn dienstknecht stond, die de poort voor zijn
Here had geopend en daar kwam Hij naar buiten in de majesteit van Zijn
opstandingslichaam. Hij was opgewekt uit de doden en op dat ogenblik zette
God Zijn zegel op de vereffening van elke ziel voor wie Christus de
Plaatsvervanger was. Wij allen die in Christus geloven, mogen zeker weten
dat Hij voor onze zonden stierf en dat Hij werd opgewekt voor onze
rechtvaardigmaking, dat is, voor onze vereffening. Zoals het kruis de
schuld betaalde, zo nam de opstanding de banden en scheurde die in stukken
en nu staat er niets meer in de boeken van de eeuwigheid wat tegen een
ziel is, die in de Here Jezus Christus gelooft. Zijn opstanding uit de
doden heeft ons vrijgesproken van elke beschuldiging. “Wie zal
uitverkorenen Gods beschuldigen? God is het Die rechtvaardigt. Wie zal
veroordelen? Christus Jezus is de gestorvene, wat meer is, de
opgewekte.” Nogmaals, die opstanding heeft ons vrijgesproken van alle
zonden, die ons ooit ten laste kunnen worden gelegd.
Dit is nog niet alles. Deze arme discipelen
dachten, toen Jezus stierf en een tijd lang in het graf verbleef, dat
alles wat betreft Zijn Koninkrijk voorbij was. De Koning was dood en voor
zover zij het konden zien was er niemand om de lege troon te bezetten. Hij
had de scepter van de soevereiniteit in Zijn hand genomen en in liefde
over de mensheid geregeerd, maar die scepter was uit Zijn dode vingers
gevallen. Hij had de gerechtigheid gepredikt in de grote gemeente, maar
Zijn machtige stem zweeg. Maar toen ze wisten dat Christus was opgewekt,
begrepen ze dat Zijn opstanding een levende Koning en een overwinnende
zaak inhield, dat de waarheid zou overwinnen en de gerechtigheid zou
heersen en dat het menselijke geslacht niet zou neerdalen in de
verdoemenis. O, geliefde vrienden, droog uw tranen! Terwijl u eraan denkt
hoe uw Here stierf, kunt u ze wel laten stromen, maar omdat Hij leeft en
regeert, is er nu geen reden voor verdriet. Vertel het onder de volkeren
dat de Here opgewekt is uit de doden en dat Hij door Zijn opstanding aan
heel Zijn volk leven, licht, vreugde, hoop, reinheid en eeuwige verlossing
gebracht heeft.
III. Tot slot geliefden, er ligt in deze opstanding van Christus
uit de doden EEN GERUSTSTELLENDE GEDACHTE voor allen, die in Hem geloven.
Het dient ons ergste verdriet te verzachten
om te weten dat Christus de Vertegenwoordiger van Zijn volk was.
Toen Hij stierf, stierven wij, die geloven, in Hem en toen Hij weer
opstond, stonden wij in Hem op. “Zoals in Adam allen sterven, zo zullen
in Christus allen levendgemaakt worden.” Daarom, als u in Jezus gelooft,
heb dan geen angst voor de dood; wees er zelf niet bang voor en treur niet
om degenen, die reeds in Christus ontslapen zijn. Het lijkt ons een erg
pijnlijke gedachte, dat dit arme lichaam, dat zo lang de metgezel van onze
ziel is geweest, langzamerhand zwakker moet worden en versleten raakt, dat
de zintuigen geleidelijk ermee ophouden om de geest te ondersteunen en dat
het hele gestel tenslotte in verval raakt en veranderd wordt in een
handvol stof, dat ligt te vergaan onder dat gindse donkere gras op het
kerkhof, ver van de plaats waar het gewoon was te werken en te wonen. Ach,
maar zelfs met betrekking tot dit sterfelijke lichaam hebben wij goed
nieuws, want Hij, Die stierf en weer opstond, leeft niet slechts wat
betreft Zijn ziel, maar Hij leeft ook wat betreft Zijn lichaam! Toen Zijn
discipelen “verschrikt en bang waren en dachten dat ze een geest
zagen”, zei Hij tegen hen: “Waarom zijt gij bedroefd? En waarom komen
er gedachten op in uw hart? Zie Mijn handen en Mijn voeten, dat Ik het
Zelf ben: betast Mij en zie; want een geest heeft geen vlees en beenderen,
zoals gij ziet dat Ik heb.” Toen nam Hij een stuk van een gebakken vis
en van een honingraat en Hij at het voor hun ogen om hen te laten zien,
dat het werkelijk Zijn lichaam was, Zijn lichaam dat aan het kruis stierf
en weer levend was. Iedere gelovige kan met Job zeggen: “Nadat mijn huid
aldus geschonden is, zal ik uit mijn vlees God aanschouwen, die ikzelf mij
ten goede aanschouwen zal, die mijn eigen ogen zullen zien en niet een
vreemde.” Daarom is er voor ons geen angst voor de dood, want de zonde,
de prikkel van de dood, is weggenomen en we kunnen zelfs tot de laatste
vijand roepen: “O dood, waar is uw prikkel? O graf, waar is uw
overwinning?”
En verder, omdat Christus de
Vertegenwoordiger van Zijn volk is, zullen zij ook opnieuw leven.
Toen onze Here Jezus tegen Martha zei: “Uw broeder zal weer opstaan”,
antwoordde ze: “Ik weet dat hij zal opstaan in de opstanding ten
laatsten dage.” U kunt hetzelfde zeggen van uw broeder, of vader, of
moeder, of kind, of zuster, of man, of vrouw. Zij, die ontslapen zijn in
Jezus, zijn slechts overgegaan naar een beter land, waarheen we hen zullen
volgen op de goede tijd van de Here. We zullen niet zitten treuren en
huilen, want de vrouw staat met haar hand aan de deur en ze kijkt naar
ons, terwijl wij treuren en huilen en ze zegt: “Christus is opgestaan;
ik zag Hem in de heerlijkheid van Zijn opstanding.” Voor mij is het
echte scharnier van het evangelie de opstanding van Christus. Wanneer ik ga twijfelen, val ik altijd terug op die grote waarheid: Hij
stond inderdaad op uit de doden. De discipelen zagen Hem; de beste
getuigen die er gevonden konden worden, zagen Hem, hoorden Hem, raakten
Hem aan. Hij stond inderdaad op uit de doden; dan is er een toekomstige
toestand; er is een opstanding. Ik ben in Christus; ik vertrouw op Hem; ik
zal opstaan en ik zal in Hem leven. Hij heeft gezegd: “Omdat Ik leef,
zult gij ook leven”; dus zal ik leven en met de psalmist kan ik zeggen:
“Daarom verheugt zich mijn hart en juicht mijn ziel, zelfs mijn vlees
zal in veiligheid wonen.” Hoewel mijn lichaam verderf zal zien, zal het
toch worden opgewekt in heerlijkheid, macht en onvergankelijkheid, zoals
dat opgewekte lichaam van mijn Here.
Daar hebt u het evangelie. Misschien zullen
sommigen van u zeggen: “Wij begrijpen niet dat dat het evangelie is”,
maar dat is het. Dit is het evangelie, dat Jezus Christus stierf voor onze
zonden naar de Schriften en dat Hij opstond uit de doden op de derde dag
en dat een ieder die in Hem gelooft, eeuwig leven heeft en niet
veroordeeld zal worden.
Mijn geliefde, onbekeerde toehoorders, denkt
u dat onze zondagen alleen maar dagen van sport zijn en dat wanneer we
naar onze samenkomsten gaan, wij dat doen om de tijd maar zo’n beetje
door te komen? Als dat zo is, dan denkt u erg slecht van hoge en heilige
dingen. Nee heren, de prediking van het evangelie is voor ons een zaak van
leven en dood; we werpen onze hele ziel erin. Wij leven en zijn blij als u
in Jezus gelooft en gered wordt, maar we zijn bijna bereid te sterven als
u het evangelie van Christus weigert. Laat niet een prediker voor u zijn
wat Ezechiël was voor het volk van de tijd, waarin hij profeteerde. De
Here zei tegen hem: “Zie, gij zijt voor hen als een liefdeslied, schoon
van klank, passend bij snarenspel. Zij horen uw woorden, maar doen er
geenszins naar.” O, dat de Geest van God zou komen, u beet zou pakken en
u zou doen voelen dat de boodschap van de Here niet wordt gezonden om
bekritiseerd te worden, maar om aanvaard en gehoorzaamd te worden! God
geve het, terwille van Zijn genade!
Amen.
©
Copyright vertaling 2006 B. Kroeze, Doldersum.
Alle rechten voorbehouden. info@mannavoorpelgrims.nl
Zie voor copyrightregels: www.mannavoorpelgrims.nl
|