|
|
DE DOOP, EEN ESSENTIEEL KENMERK
VAN GEHOORZAAMHEID.
Printversie:
Een
toespraak bedoeld om te lezen op zondag 17 december 1893,
gehouden door C.H. Spurgeon op zondagavond 13 oktober 1889.
“Wie
gelooft en zich laat dopen, zal behouden worden.” Marcus 16:16
Als
onze samenkomsten waren, wat ze moesten zijn, dan zou het een zeer
eenvoudige zaak zijn om te prediken, want een preek zou dan slechts hoeven
te zijn als de bevelen, die door een bevelvoerend officier worden gegeven
aan zijn troepen: kort, scherp, eenvoudig, helder, beslist. Onze
toehoorders zouden geen illustraties en beeldspraak nodig hebben; ze
zouden vragen, dat hen eenvoudig werd verteld, wat ze moesten doen om
gered te worden en hoe eenvoudiger ze het verteld konden krijgen, hoe
fijner ze het zouden vinden. Ik ga vanavond proberen zo’n soort preek te
houden, waarbij de prediker verdwijnt achter de verteller van het goede
nieuws, die eenvoudig spreekt over de weg tot redding. Als u gered wilt
worden, luister dan naar mijn boodschap. Als u niet om de redding geeft,
kunt u misschien, terwijl u ernaar luistert, een verlangen krijgen en God
kan u zegenen.
Mijn
tekst wordt voorafgegaan en gevolgd door andere belangrijke woorden:
“Gaat heen in de gehele wereld en verkondigt het evangelie aan de ganse
schepping. Wie gelooft en zich laat dopen, zal behouden worden; maar wie
niet gelooft, zal veroordeeld worden.” Het evangelie dan, is er voor de
“ganse schepping”. Waar er ook maar een man, vrouw of kind, een
verstandig schepsel, is, daar moet het evangelie aan zo iemand verkondigd
worden. U, die vanavond bent samengekomen, valt duidelijk binnen die
beschrijving en daarom moet het evangelie aan u worden verkondigd. Maar
als het ons wordt bevolen het te verkondigen, houdt dat in, dat het u
wordt bevolen om ernaar te luisteren. Ernaar luisteren zonder aandacht,
ernaar luisteren zonder te besluiten het te gehoorzamen zal nutteloos werk
zijn. Luister daarom, terwijl ik verlang het te prediken; bedenk dat
Christus hier staat om mij te horen prediken en om acht te geven, hoe u de
boodschap van Hemzelf, die ik ga doorgeven, aanvaardt.
Dit
evangelie wordt tot elk schepsel gezonden, omdat elk schepsel het nodig
heeft. Of het schepsel het wel of niet weet, hij is verloren, van nature
verloren en ook verloren door de praktijk van het leven; zozeer verloren,
dat hij zichzelf niet kan redden; hij moet gered worden. Wilt u dat
allemaal geloven? Als u niet in Christus bent gaan geloven, bent u
verloren en u kunt uzelf niet redden: begin met dat feit te geloven. Maar
wees dan blij, dat u een evangelie wordt gezonden, dat u kan redden, een
evangelie, dat pasklaar is gemaakt en bedoeld is voor de redding van
precies zo’n persoon als u, want tot u zegt God: “Wie gelooft en zich
laat dopen, zal behouden worden.”
Mijn
mede-christenen, u, die in Christus bent gaan geloven, het wordt tijd, dat
we onszelf aanpakken, want wij hebben het evangelie bij lange na nog niet
aan elk schepsel gepredikt. Sommige personen hebben het nog nooit aan
iemand gepredikt; ik bedoel juist sommigen van die personen, die bevolen
wordt het aan elk schepsel te prediken. Een zonderlinge prediker zegt,
dat, als sommigen van Gods volk tien dollar per uur betaald kregen voor
alles wat ze hebben gedaan voor hun Here, ze nog niet genoeg verdiend
zouden hebben om een gemberbrood te kopen, en ik ben bang dat die stelling
waar is. Sommige mensen hebben zo weinig voor de verspreiding van het
evangelie gedaan, dat de wereld er niet beter op geworden is, omdat zij
zich erin bevinden. Spreek ik te streng? Als ik dat doe, kunt u
gemakkelijk voorbijgaan aan wat ik zeg, maar als dat niet zo is, als het
zo is dat hier sommigen nog nooit eerlijk en rechtuit het evangelie van
Jezus Christus hebben verteld, begin dan meteen. Wanneer u vanavond
thuiskomt, vertel dan het evangelie aan uw naaste bloedverwant en ga
morgen naar buiten naar uw dichtstbijzijnde buurman, of naar de vriend,
die u het gemakkelijkst kunt bereiken; vertel het goede nieuws dat uw Here
u heeft geopenbaard en help zo het evangelie aan elk schepsel te prediken.
Een veldprediker zei een keer tot de hertog van Wellington: “Denkt u dat
het zin heeft, dat wij het evangelie naar de bergstammen van India
brengen? Zullen ze het ooit aanvaarden?”
De hertog antwoordde: “Wat zijn uw marsorders?” Dat was het
enige antwoord, dat hij gaf. Deze grote krijgsman was een strenge
tuchtmeester en alles wat hij nodig had, waren marsorders en hij
gehoorzaamde; hij bedoelde, dat elke soldaat van het kruis de marsorders
van Christus, zijn grote Bevelhebber, moest gehoorzamen. Ga daarom, voor
zover ooit uw positie en uw capaciteiten het u toestaan en vertel aan elk
schepsel het woord van het evangelie, zoals het wordt weergegeven in mijn
tekst: “Wie gelooft en zich laat dopen, zal behouden worden.”
Ik
wil vanavond mijn aandeel leveren, voor zover mijn zwakke stem mij dat zal
toestaan; ik wil een paar woorden spreken, ten eerste over het
geloof; ten tweede over de doop en ten derde over
gered worden. We zullen de hele tekst helder krijgen door deze
drie punten te overdenken.
I. Ten eerste OVER
GELOVEN. Dit is het belangrijkste punt; dit is het scharnier van de
redding, want wie in Christus gelooft, wordt niet veroordeeld; wie in Hem
gelooft, heeft eeuwig leven.
Nu,
wat betreft geloven, laat me eerst vragen: Wat moet er geloofd worden?
Wel, u moet geloven, dat u de wet van God hebt overtreden en dat u daarom
veroordeeld bent, maar dat God in Zijn oneindige genade Zijn Zoon Jezus
Christus in de wereld heeft gezonden, opdat u mag leven door Hem. Zijn
Goddelijke Zoon, Zijn eniggeboren Zoon, werd geboren uit Maria als een
mens uit het stof van Zijn moeder; Hij voelde zoals wij en was in alle
opzichten zeer waarachtig Mens. Terwijl Hij hier was, gehoorzaamde Hij de
wil van Zijn Vader en toen de tijd kwam, gaf Hij Zichzelf als een offer
voor schuldige mensen. Hij stierf “ als de Rechtvaardige voor de
onrechtvaardigen, opdat Hij ons tot God zou brengen.” Hij was Zelf
zonder zonde en nam de zonde van Zijn volk op Zich: “Die in Zichzelf
onze zonden in Zijn eigen lichaam aan het hout droeg.” Terwijl zo de
menselijke zonde Hem werd toegerekend, leed Hij in de plaats en voor de
rekening van diegenen, wier zonden Hij droeg. Aan het kruis werd Zijn
bloed vergoten, want zonder bloedstorting geschiedt er geen vergeving,
maar door dat vergieten van het bloed wiste Hij de ongerechtigheid uit van
allen, die hun vertrouwen op Hem stelden. Dit is wat u moet geloven:
“Hij
droeg, opdat u nooit
de
rechtvaardige toorn van Zijn Vader zou dragen.”
Hij
werd in het graf gelegd; op de derde dag kwam Hij uit het graf en stond op
voor de rechtvaardigmaking van Zijn volk, zoals Hij gekruisigd was voor
hun overtredingen. Na een poosje ging Hij naar de hoogste hemel en Hij is
daar nu op de troon, Koning der koningen en Here der heren. Hij zit aan de
rechterhand van God, de Vader, en daar pleit Hij en doet Hij voorbede voor
zondaren. Geloof dit. “Door deze Mens wordt u vergeving van zonden
gepredikt.” Hij is verheven in de hoge, Vorst en Redder, om berouw en
vergeving van zonden te geven. Dat is wat er geloofd moet worden. Ik zou
op een heleboel details kunnen ingaan, maar dat zal ik vanavond niet doen.
Het wezen van wat er geloofd moet worden is, dat Jezus Christus door God
aan ons gegeven is, opdat Hij door Zijn dood de zonde zou wegdoen en wij
verzoend zouden worden met God en opdat een ieder, die in Hem gelooft,
niet verloren zal gaan, maar eeuwig leven hebben.
Laat
mij, om deze vraag beter te beantwoorden, die corrigeren of er een andere
van maken en dan die beantwoorden. De vraag is niet zozeer wat er
geloofd moet worden, als wel Wie er geloofd moet worden. Want
inderdaad, het geloven dat een bepaalde zaak waar is, hoewel dat van nut
kan zijn, is niet het geheel van de zaak. Als ik geloof, dat een bepaald
iets waar is, vertrouw ik mijzelf aan die waarheid toe; er is geloof, de
daad van vertrouwen. Maar als we wensen te worden gered, moeten we een
Persoon vertrouwen; we moeten de Here Jezus Christus vertrouwen. U wordt
niet zozeer gered door ’t geloven van een dogma, als wel door het
vertrouwen op een Persoon; u moet het dogma geloven, anders zult u de
Persoon niet vertrouwen, maar als u de leer gelooft, dan komt u en stelt u
uw vertrouwen op de Persoon, over Wie die leer gaat. Als u gered zou
willen worden, vertrouw uzelf dan toe aan Jezus Christus. Hij, Die stierf,
leeft voor eeuwig en “Hij kan volkomen behouden wie door Hem tot God
gaan.” Reddend geloof is vertrouwen op de Here Jezus Christus, echt op
Hem vertrouwen, geheel, uitsluitend, constant Hem nu
vertrouwen. Zie dan op Hem, de Zoon van God, op de troon in de
heerlijkheid; leg uw ziel en al haar zonden aan Zijn geliefde voeten,
vertrouw op Hem voor uw redding en Hij zal het doen.
Velen
zullen een derde vraag stellen: Waarom
moet Hij vertrouwd worden? Ik
zou die vraag graag door een andere vraag willen beantwoorden: Waarom moet
Hij niet vertrouwd worden? Toen onlangs iemand tegen me zei: “Ik kan
niet op Christus vertrouwen,” vroeg ik: “Kunt u op mij vertrouwen?”
En toen was het snelle antwoord, zoals het behoorde te zijn van een
toehoorder aan een prediker: “Ja, mijnheer, ik vertrouw u.”
Daarop zei ik: “Wel dan, u kunt zeker de Here Jezus Christus
vertrouwen, want Hij is het oneindig meer waard vertrouwd te worden dan ik
ooit kan zijn.” Christus niet kunnen vertrouwen? Dat is een wonderlijk
stuk van satanische misleiding. Ik kan vanavond zeggen, dat ik niet
slechts mijn ziel aan Christus kan toevertrouwen, maar dat, als ik
evenveel zielen had als er zandkorrels op het strand liggen, ik ze
allemaal onvoorwaardelijk aan Hem zou kunnen toevertrouwen. Waarom zou ik
dat niet? Hij is “God boven alles, geprezen voor eeuwig”
en Hij is Mens, teder en vriendelijk; daarom moet Hij vertrouwd
worden. O, mijn toehoorder, kunt u de gekruisigde Christus in het gelaat
zien en zeggen, dat u Hem niet kunt vertrouwen? Kunt u het bloedige zweet
in de hof zien, kunt u zien op de vastgenagelde handen en voeten en de
doorboorde zijde van deze lijdende Mens, Die terzelfdertijd God uit God is
en kunt u dan zeggen, dat het moeilijk is om Hem te vertrouwen? O, nee!
Hij is zo waarachtig, zo edel, zo mild, zo getrouw, dat ik u smeek Hem te
vertrouwen en Hem nu te vertrouwen.
Dat
roept een andere vraag op: Wanneer moet Christus vertrouwd worden?
En het antwoord
is: Nu. Hij was het nooit meer waard om vertrouwd te worden dan dat Hij dat
vanavond is en u hebt nooit meer een Heiland nodig gehad dan dat u dat
vanavond hebt. Misschien praat u erover om Christus in de toekomst een
keer te vertrouwen. Ik geef geen cent voor zo’n hoop. Nee vriend, als u
op een bepaald moment in de toekomst zou vinden, dat Christus uw
vertrouwen waard is, dan is Hij uw vertrouwen vanavond waard, want Hij is
Dezelfde, gisteren, heden en voor eeuwig. Precies zoals u bent, in die
kerkbank of zittend in de gang, verdient Christus uw vertrouwen en ik
vraag u Hem dat nu te geven. Werp uw zondige ziel op dit ogenblik op Hem;
leef niet nog een seconde in ongeloof, want dat ongeloof is een
belastering van mijn Here, een ernstige krenking van Zijn dierbare, trouwe
liefde. Nu, terwijl het woord mijn lippen verlaat en het uw oor bereikt,
zeg en meen het: “Ik geloof inderdaad; ik zal Jezus vertrouwen; ik geef
mijzelf aan Christus over en neem Hem als mijn Redder.”
“Als
ik dat doe”, zegt iemand, “wanneer
zal dan de zegen komen?” De
tekst zegt: ”Wie gelooft en zich laat dopen, zal behouden worden”; de
zegen zal meteen komen. Snel als de bliksem is de handeling, die de ziel
redt. Het ene moment kan de mens zwart zijn van de opeengestapelde zonde,
het volgende ogenblik kan hij wit zijn als verse sneeuw. God heeft er geen
tijd voor nodig om de ongerechtigheid uit te delgen. We gaan in een
oogwenk over van de dood in het leven, uit de duisternis in een wonderbaar
licht. Ik bid, terwijl ik in zwakheid tot u spreek, dat God met Zijn
almachtige kracht mag werken, met die rechterhand, die de Rode Zee in tweeën
deelde, opdat de vrijgekochten des Heren droogvoets zouden oversteken.
Moge Hij komen en het volk redden, dat door Zijn genade is voorbereid voor
deze avond, waarop Zijn heerlijke kracht werkt, en moge Hij ze
onmiddellijk ertoe brengen om te geloven en hen meteen, als het resultaat
van hun geloof, verzoening met God geven en rechtvaardigmaking door Jezus
Christus!
Laat
me hier een fout corrigeren, die sommige mensen maken. Ze zeggen:
“Spoort u ons aan om te geloven?” Dat doe ik inderdaad, met m’n hele
hart. “Maar meneer, geloof is het werk van de Geest van God.” Ja, heb
ik ooit gezegd, dat het dat niet was? Ik leg er voortdurend de nadruk op,
dat, waar er ook maar enig geloof is, het in ons wordt bewerkt door de
Geest van God. Maar luister. Vertelde ik u ooit, dat de Geest van God voor
ons geloofde, of hebt u ooit iets in de bijbel gelezen, dat in de buurt
kwam van die stelling? Nee, de Geest van God brengt ons ertoe om te
geloven, maar wij
geloven, dat is duidelijk, en het is ons geloof, dat ons redt; het is niet zo, dat de Heilige Geest in plaats
van ons gelooft en dat wij stil liggen, zoals een man onder het mes van de
chirurg. O, m’n beste, nee! Elk vermogen is wakker en wordt aangespoord
door de Geest van God. We zien dat Christus kan redden en we geloven het.
We geloven, dat Hij zal redden en we vertrouwen Hem, dat Hij ons redt. Het
is onze eigen handeling en daad; het kan niet de daad en handeling van
iemand anders zijn. U kunt niet voor een ander geloven; er kan niet zoiets
zijn als peetschap en de Heilige Geest Zelf kan niet voor u geloven. Er
staat niet geschreven: “Laat de Heilige Geest voor u geloven.” Dat zou
absurd zijn, maar er staat geschreven: “Gelooft gij.” “Geloof in de
Here Jezus Christus en gij zult behouden worden.” Met uw eigen echte
verstand en hart moet u in Jezus Christus geloven, als u gered wilt
worden.
Ik
weet niet of het nodig is, dat ik nog meer zeg over geloven. Ik heb vaak
geprobeerd het uit te leggen; ik ben bang, dat ik het niet altijd zo
eenvoudig heb gemaakt, als ik van plan was. Laat me u slechts waarschuwen,
dat u niet zegt: “Ik begrijp het plan van de redding heel goed. M’n
beste meneer, ik weet zeker, dat ik dat doe. Het hoeft me niet uitgelegd
te worden; ik begrijp het volkomen.” M’n beste vriend, het is één
zaak het plan van de redding te begrijpen en het is een geheel andere zaak
in Jezus Christus te geloven tot redding van uw ziel. Het is een
meedogenloze avond; de regen valt in stromen neer en hier buiten op straat
zit een man, blootgesteld aan het slechte weer. Hij heeft daar een
bouwtekening van een huis op het natte wegdek voor zich liggen en hij
zegt: “Ik ben helemaal in orde; ik begrijp de bouwtekening van een huis
prima.” U ziet dat hij naar de bouwtekening kijkt; hij heeft een
aanzicht van de voorkant van het huis; hij weet waar de ramen en de deuren
moeten zitten en hij heeft ook een schets van de indeling. Hij kan zien
waar de keuken is en de gang naar de keuken en hij weet de indeling van
alle kamers. Maar, m’n beste kameraad, je wordt doornat, de storm woedt,
waarom ga je het huis niet in om te schuilen? “Praat niet tegen me,”
zegt hij, “ik begrijp de bouwtekening van een huis prima.” De man is
een dwaas als hij zo praat; iedereen concludeert, dat hij zijn verstand
kwijt is. En wat is hij, die tevreden is met het begrijpen van het
reddingsplan, maar die niet tot Christus komt en z’n vertrouwen op Hem
stelt? Kom nu tot Hem, zo smeek ik u. U, die niet zoveel van het plan van
de redding weet, kom tot Jezus, kom en vertrouw Hem; vertrouw Hem nu.
Nu, in de tweede
plaats, EEN KLEIN GEDEELTE OVER DE DOOP: Wie gelooft en zich laat dopen,
zal behouden worden.” Let er alstublieft op, dat ik de tekst niet heb
gemaakt. Misschien zou ik, als ik die gemaakt had, dat gedeelte over de
doop hebben weggelaten, maar ik heb geen aandeel gehad in ’t maken van
de bijbel; ik ben verplicht Gods Woord te nemen zoals ik het vind en hier
lees ik deze woorden van onze Here Jezus Christus: “Wie gelooft en
zich laat dopen, zal
behouden worden.” “Weid niet uit over de doop,” zegt iemand, “laat
dat er buiten.” Dat is wat u zegt, m’n beste meneer; ik kan uw gezicht
niet zien, maar ik geloof niet, dat u mijn meester bent. Mijn Meester is
de Here, Die heilige mannen leerde dit Boek te schrijven en ik kan mij
alleen maar houden aan het Boek; het Boek heeft de doop in zich, dus moet
ik aan de waarheid vasthouden, zoals het in het Boek staat: “Wie gelooft
en zich laat dopen, zal behouden worden.”
Laat
me u er ten eerste aan herinneren, dat de woorden van onze Heiland ons
leren, dat de
doop op het geloof volgt: “Wie
gelooft en zich laat dopen.” Veronachtzaam nooit de volgorde van de
dingen in de bijbel. Als God de volgorde één, twee, drie heeft, moet u
er niet van maken drie, twee, één. U hebt nooit een dienstmeisje gehad,
hoop ik, die uw opdrachten omdraaide. Hebt u ooit tegen haar gezegd:
“Marie, ga nu de salon vegen en neem daarna de stofdoek en stof de
tafel, de planken en de boeken af?” Is ze een poosje later bij u gekomen
en heeft ze gezegd: “Mevrouw, ik heb gedaan, zoals u het me hebt
opgedragen; ik heb de tafel afgestoft en de planken en de boeken en toen
heb ik de kamer aangeveegd”? Elke goede huisvrouw hier weet, wat er zou
gebeuren als haar opdrachten in de omgekeerde volgorde zouden worden
uitgevoerd. Nu, tegenwoordig hebben zeer velen in de christelijke gemeente
er dit van gemaakt: “Wie gedoopt wordt en gelooft.” Ik ben niet één
van die dienstmeisjes; ik durf de bevelen van mijn Meester niet om te
draaien. U hebt het recht niet mensen te dopen, totdat ze geloven in
Christus als hun Redder. Bedenk hoe Filippus het zei tot de Ethiopische
kamerling, toen die achtenswaardige man zei: “Zie, daar is water, wat is
ertegen, dat ik gedoopt word?” Filippus antwoordde: “Als ge met uw
gehele hart gelooft, is het geoorloofd.” En als u niet met uw gehele
hart gelooft, moet u niet gedoopt worden. U hebt het recht niet op deze
inzetting van Christus, tenzij u een christen bent. “Wie gelooft en zich
laat dopen,” – dat is de bijbelse volgorde. Lees het Nieuwe Testament
onbevooroordeeld en u zult altijd merken dat degenen, die gedoopt werden,
gelovigen waren. Ze geloofden in de Here Jezus Christus en dan werden ze
in de naam van de Vader en van de Zoon en van de Heilige Geest gedoopt.
Vervolgens,
ik wil dat u opmerkt, dat deze zaak van
de doop altijd verbonden wordt met geloof. Steeds
weer opnieuw wordt het zo in het Nieuwe Testament gezegd en er zijn
gedeelten, die ik vanavond niet zal citeren, waarin de doop een speciaal
belangrijke plaats krijgt in verband met het werk van de redding. Er zou
hebben kunnen staan: “Wie gelooft en tot de Avondmaalstafel komt, zal
behouden worden” , maar zo is het niet geschreven. Sommige kerken hebben
iets, wat ze “de heilige Eucharistie” noemen, verheven tot een
inderdaad zeer verheven positie, veel hoger dan de Schrift eraan heeft
verleend; toch heeft het Avondmaal des Heren in het woord van God nooit de
positie gekregen, dat het geplaatst werd naast het geloof, zoals de doop
in dit gedeelte en in andere gedeelten. Ik ga vanavond niet over dat punt
uitweiden; ik vertel u slechts wat het onderwijs van het Nieuwe Testament
is. U zult uw eigen verklaring ervan geven, als u dat wilt, maar onze
oproep is : “tot de wet en tot de getuigenis.”
Dit
moet ik ook zeggen, dat het
niet mogelijk is, dat er iets van redding in de doop zelf kan zijn. De
daad van het toepassen van water, op wat voor manier dan ook, kan geen
enkele zonde wegwassen. Dat zou een terugkeren zijn naar het oude verbond
van de werken, de oude ceremoniën van de Mozaïsche wet; al de wassingen
onder wet – en dat waren er vele – wasten nooit één zonde weg; ook
kan geen enkele wassing in water de zonde van wie dan ook wegnemen. Er
wordt zelfs nooit van de tranen van Christus gezegd, dat die de zonde
wegdoen; het is Zijn kostbare bloed alleen, dat de zonden van mensen
uitwist. In mijn tekst staat: “Wie gelooft en zich laat dopen, zal
behouden worden”, maar toch klinkt het eenvoudig, wanneer de
veroordeling wordt aangekondigd: “Wie niet gelooft, zal veroordeeld
worden” en dan wordt de zaak van de doop niet genoemd, want er zijn
velen die geloven, maar die niet worden gedoopt en die ook niet gedoopt
kunnen worden, zoals bijvoorbeeld de stervende dief, maar toch zijn ze
zeker gered. Niettemin, hier staat mijn tekst en ik kan het niet
veranderen: “Wie gelooft en zich laat dopen, zal behouden worden.”
Waarom
veronderstelt u, dat de doop op deze belangrijke plaats wordt gezet? Ik
denk dat het om deze reden is: De doop is de uiterlijke uiting van het
innerlijke geloof. Wie met zijn hart in Christus gelooft, belijdt zijn
geloof voor God en voor de gemeente van God door gedoopt te worden. Nu,
het geloof, dat zo spreekt, is niet een stom geloof; het is niet een
lafhartig geloof, het is niet een in ’t geheim gekoesterd geloof. Paulus
formuleert de zaak zo: “Als u met uw mond belijdt, dat Jezus Here is en
met uw hart gelooft, dat God Hem uit de doden heeft opgewekt, zult gij
behouden worden. Want met het hart gelooft men tot gerechtigheid en met de
mond belijdt men tot behoudenis.”
Maar
waarom is belijdenis zo noodzakelijk om echt geloof te bewijzen? Ik
antwoord dat het juist noodzakelijk is voor het bestaan van de gemeente
van God, want als ik een gelovige kan zijn en nooit mijn geloof belijd,
kunt u een gelovige zijn en nooit uw geloof belijden en zo zouden we in
alle opzichten een gezelschap van mensen hebben, die geloven en geen ervan
belijdt dat; waar zouden dan überhaupt de uiterlijke inzettingen van de
gemeente van Christus zijn? Waar zou er een prediker zijn? Waar zou er het
oprichten en groeien van het Koninkrijk van Christus zijn? Om een
honderdtal redenen is het absoluut noodzakelijk voor het Koninkrijk van
Christus, dat de gelovige openlijk zijn geloof moet belijden. Ziet u dat
niet? En vandaar dat Hij van de doop, omdat het Gods weg van onze
openlijke belijdenis van ons geloof is, eist dat het aan het geloof wordt
toegevoegd, opdat het geloof een belijdend geloof zou zijn en niet een
lafhartig geloof; opdat het geloof een openlijk geloof zou zijn en niet
een privé geloof; opdat zo het geloof een werkend geloof zou zijn, dat
ons leven beïnvloedt en het leven van anderen en niet slechts een
verborgen poging om onszelf te redden door een stil geloof, dat Christus
niet durft te belijden. Denk aan die woorden van de Here Jezus: “Wie Mij
belijden zal voor de mensen, hem zal ook Ik belijden voor Mijn Vader, Die
in de hemelen is. Maar wie Mij zal verloochenen (en op die plek betekent
het: hij, die Mij niet belijdt) voor de mensen, hem zal ook Ik
verloochenen voor Mijn Vader, die in de hemelen is.” Er zit daarom in
het water of in de onderdompeling of in de doop, in welke vorm dan ook,
niet een werkzaamheid, die wedergeboren doet worden, maar het is nodig als
de uiterlijke, zichtbare uitdrukking van het innerlijke, geestelijke
geloof, waardoor de ziel wordt gered.
En,
geliefde vrienden, nogmaals, de
doop is vaak de test van gehoorzaamheid. Wie
in Christus gelooft, neemt Hem als zijn Meester en evenzeer als zijn
Redder; Christus zegt daarom tot hem: “Ga en doe dat-en-dat.” Als de
man weigert het te doen, bewijst hij daarmee, dat hij niet van plan is de
discipel van de Meester te worden. “O,” zegt iemand, “u weet dat de
doop niet essentieel is.” Heb ik u niet verzocht op te houden met zo’n
nutteloos en verdorven gepraat als dat? Hebt u een dienstmeisje? Gaat u
’s morgens vroeg naar de zaak? Zou u om zes uur een kop thee willen,
voordat u weggaat naar de stad? Het dienstmeisje brengt u die niet en u
vraagt: “Waarom heb ik niet m’n thee gekregen?”
“O!” antwoordt ze, “het is niet essentieel; u kunt uw zaken
heel goed doen zonder dat kopje thee.” Laat zo’n antwoord als dat
herhaald worden, of laat het slechts één keer gegeven worden en ik zal u
vertellen, wat niet essentieel zal zijn; het zal niet essentieel voor u
zijn om dat meisje nog langer in uw huis te houden; u zult een ander
dienstmeisje willen, want u zult zeggen: “Het is duidelijk, dat ze geen
dienstmeisje van mij is: ze gedraagt zich als de vrouw des huizes, want ze
begint mijn opdrachten te beoordelen en te zeggen, dat dit essentieel is
en dat dat niet essentieel is.” Wat bedoelt u met “niet essentieel”?
“Ik bedoel, dat ik gered kan worden zonder gedoopt te zijn.” Zult u
die goddeloze zin nog een keer durven zeggen? “Ik bedoel, dat ik gered
kan worden zonder gedoopt te zijn.” Jij verachtelijk schepsel! Dus je
wilt niets doen wat Christus beveelt, als je gered kunt worden zonder het
te doen? Je bent het nauwelijks waard om gered te worden! Een man, die
altijd betaald wil worden voor wat hij doet, wiens enige gedachte van de
godsdienst is, dat hij datgene zal doen, wat essentieel is voor zijn eigen
redding, heeft alleen maar als doel z’n eigen huid te redden en Christus
kan gaan, waarheen Hij wil. Het is duidelijk, u bent geen dienstknecht van
Hem; u dient gered te worden uit zo’n schandelijke, ellendige
geestestoestand. Moge de Here u redden! Ik geloof dikwijls, dat deze
kleine zaak van de doop der gelovigen de test is van de oprechtheid van
onze belijdenis van liefde tot Hem. Het zou misschien helemaal hetzelfde
zijn geweest, als de Here Jezus Christus had gezegd: “Pak zes stenen van
de grond, draag ze in je broekzak en je zult gered worden.” Iemand zou
hebben gezegd: “Dat oppakken van stenen is niet essentieel.” Het wordt
essentieel, zodra Christus het beveelt. Het is op deze wijze, dat de doop,
als die niet essentieel is voor uw redding, essentieel is voor uw
gehoorzaamheid aan Christus. Als u Zijn discipel geworden bent, hebt u
voortaan de opdracht al de bevelen van uw Meester te gehoorzamen: “Wat
Hij u ook zegt, doe het.”
Nu tot slot OVER HET
GERED WORDEN: “Wie gelooft en zich laat dopen, zal behouden worden.”
Wat
is dit gered worden? Wel, het betekent natuurlijk, wat iedereen wil dat
het betekent, redding
van de straf van de zonde. “Wie
gelooft en zich laat dopen, zal behouden worden.” Zijn overtredingen
zullen hem vergeven worden; zijn ongerechtigheid zal uitgedelgd worden;
hij zal niet veroordeeld worden, maar op de laatste grote dag zal hij
gerechtvaardigd worden in Christus. Nee, hij is nu gerechtvaardigd, zoals
de apostel zegt: “Wij dan, gerechtvaardigd zijnde door het geloof,
hebben vrede met God door onze Here Jezus Christus.” Dat is zeker een
deel van dit gered zijn.
Het
betekent vervolgens, dat hij die gelooft en zich laat dopen, verlost
zal worden van de heerschappij van zijn oude natuur. Wanneer
u in Christus gelooft, zal er plotseling een nieuw leven, een nieuw
beginsel, in u ontspringen; er zal een bron worden gegraven in uw wezen en
een fontein van levend water zal in u beginnen op te borrelen ten eeuwigen
leven. Er zal een wonder aan u verricht worden; de Heilige Geest zal in uw
hart komen, Die daar zal wonen om u te herscheppen om in uw ziel een
nieuwe troon te vestigen, waarop een nieuwe Koning zal regeren. De oude
heerschappij van de zonde zal verbroken worden als met een ijzeren staf en
er zal een nieuwe orde van zaken zijn in uw hart; de gerechtigheid zal
daar beginnen te regeren door Jezus Christus.
“Wie gelooft en zich laat dopen, zal behouden worden”; dat
is, hij
zal gered worden uit zijn oude zonden. Hij
zal niet langer de slaaf van dronkenschap zijn; hij zal de liefde tot het
vloeken bij de keel grijpen; hij zal zijn liegen, zijn boosheid, zijn
hartstocht de baas worden. “Wie gelooft en zich laat dopen” zal zien,
dat al zijn oude tegenstanders op de vlucht worden gejaagd en wat hij niet
kon doen door de zwakheid van z’n vlees zal nu voor hem worden gedaan
door de kracht van de Geest van God; door de Goddelijke genade zal hij
zijn zonden meester worden. Hij zal beginnen voor God te leven onder een
nieuwe aandrang, versterkt met een nieuwe kracht en zo zal hij verlost
worden van zijn oude zonden.
Luister
nogmaals, want dit is wonderlijk. “Wie gelooft en zich laat dopen, zal
behouden worden”; hij zal er ook voor gespaard
worden terug te keren naar zijn oude zonden. Als
het niet was om de volharding der heiligen, zou ik denken dat mijn
evangelie een armzalig evangelie is om te prediken, maar wie waarlijk in
Christus gelooft, zal zo’n
verandering in zich bewerkt krijgen, dat het gezegende werk nooit meer
teniet gedaan zal worden. Mijn Here zal zo’n kaars in uw hart aansteken,
dat de duivel zelf die nooit zal kunnen uitblazen. Christus zal met zo’n
kracht en gezag tot u komen en Zijn eeuwige troon in uw ziel vestigen
met zo’n Goddelijke majesteit en macht, dat u de Zijne zult zijn
in de tijd en heel de eeuwigheid. We prediken niet een tijdelijke redding,
geen werk van genade, dat weldra zwak zal worden en haar kracht zal
verliezen, maar wij spreken over een werk van genade, dat u, die gelooft,
in staat zal stellen voort te gaan van kracht tot kracht, van heerlijkheid
tot heerlijkheid, totdat elke zonde in u eruit gedreven is en u volkomen
gelijk gemaakt zult worden aan uw Here. Dan zult u Zijn aangezicht zien in
gerechtigheid en u zult voor eeuwig en eeuwig met Hem zijn.
Nogmaals,
“wie gelooft en zich laat dopen, zal behouden worden.” Hij zal gered
worden uit de tijd, waarin hij leeft. “Maar,” zegt iemand, “ik wil
daar niet uit gered worden.” Wilt u niet? “Nee.” Maar als u met de
tijd meegaat en als u met de wereld meegaat, zult u mee omlaag gesleurd
worden van de Niagara-waterval af, waar deze tijd nu naar beneden schiet
naar de verwoesting, tot welke deze wereld gedoemd is. Koester niet de
vriendschap van de wereld, die uw Here doodde, want de wereld en de werken
daarop zullen verbranden. U herinnert zich, hoe Petrus op de Pinksterdag
zei: “Laat u behouden uit dit verkeerde geslacht.” Dat is wat ik wil,
dat u vanavond doet. “En met nog meer andere woorden getuigde hij en hij
vermaande hen, zeggende: ‘Laat u behouden uit dit verkeerde
geslacht.’” Een man, die een man wil zijn en die verlangt een gered
man te zijn, moet de wapens opnemen tegen deze slechte tijd. Wie zichzelf
wil bewijzen als levend voor God moet tegen de stroom van de tijd in
zwemmen. Dode vis drijft met de stroom mee; kunt u ze niet zien? Ik zie de
witte buiken van de dode vissen bij tienduizenden met de stroom
meedrijven, maar de levende vis gaat stroomopwaarts, tegen de stroom in en
vindt zijn weg naar schoner water. Geliefden, wie met z’n hele hart in
Jezus Christus gelooft, zal een kerel zijn nu er zo weinig kerels zijn;
hij zal standvastig staan voor God en de waarheid, terwijl anderen
toegeven aan de satanische kracht en hij zal heilig worden nu de
goddeloosheid als een machtige stortvloed door onze straten raast. “Wie
gelooft en zich laat dopen” in de eervolle naam van Jezus legt als een
ridder de eed af Christus te volgen en Christus alleen, in Hem te geloven
al zal elk mens een leugenaar zijn; hij besluit voor Hem te leven, voor
Hem te sterven en hier in Hem hoop te vinden en eeuwig geluk hierna. Hij
is de man, die gered zal worden uit deze tegenwoordige, boze tijd tot de
heerlijkheid van God, de Vader.
Heel
dit grote werk wordt bewerkt door het geloof in Christus; dat is de enige
weg tot redding. “Wie in de Zoon gelooft, heeft eeuwig leven.” Geloof
in Hem, zoals sommige mensen zeggen: “geheel en al” , geloof in Zijn
God-zijn, bekwaam om u te helpen; geloof in Zijn bloed, dat u reinigt;
geloof in Zijn eeuwig leven, dat u eeuwig leven geeft. God zegene u, een
ieder, ter wille van Zijn geliefde Zoon! Amen.
©
Copyright vertaling 2005 B. Kroeze, Doldersum. Alle rechten voorbehouden. info@mannavoorpelgrims.nl
Zie
voor copyrightregels: www.mannavoorpelgrims.nl
|