|
|
EEN
SLECHT EXCUUS IS ERGER DAN GEEN EXCUUS
Printversie:
Een
toespraak gehouden op zondagochtend 3 juli 1864, door C.H. Spurgeon, in
Bayswater.
“En
zij allen begonnen zich eensgezind te verontschuldigen.”
Lucas 14:18 (King James Version)
De
voorzieningen van het evangelie van Christus kunnen heel goed vergeleken
worden met een avondmaaltijd. Ze werden immers gegeven op de
avond van de wereld – “in het laatste der dagen”. De beschrijving “een
grote avondmaaltijd”, wordt bevestigd wanneer we de grootsheid
van die voorziening overdenken; hoeveel liefde en genade God heeft laten
zien aan de mensenkinderen in de persoon van Christus Jezus; hoeveel
liefde en genade Hij heeft laten zien door Zijn Heilige Geest. Een grote
maaltijd is het, als wij denken aan de rijkdom en de lieflijkheid van deze
voorziening – het is een feest, dat de Grote Koning waardig is. Het
lichaam van Jezus is ons geestelijk voedsel en Zijn bloed onze heerlijkste
wijn. Onze zielen worden verzadigd met de genadegaven van het verbond,
zoals het passend is weergegeven: “Een feestmaal van vette spijzen, van
gezuiverde belegen wijnen.” Een grote maaltijd is het bovendien, wanneer
we denken aan het aantal genodigde gasten. “Gaat heen in de gehele
wereld, verkondigt het evangelie aan de ganse schepping.” De roep van
het evangelie komt tot elke man en vrouw, die uit Adam geboren is en onder
het gehoor van de dienaren van God is.
“Niemand wordt daar buitengesloten dan slechts zij
die zichzelf
buitensluiten.
Welkom
aan de geleerden en beschaafden,
Aan de onkundigen en
primitieven.”
Geen andere koning zond ooit een uitnodiging uit, die zo ruim was als
deze. Maar de wijsheid “roept luide aan de zijde van de poorten, aan de
ingang der stad, waar men de poortdeuren binnengaat. Tot u, mannen, roep
ik en mijn stem gaat uit tot de mensenkinderen.”
Is
het niet vreemd dat, wanneer een heer des huizes zo’n grote maaltijd
bereidde, wanneer hij het aanbood zonder geld en zonder prijs, al zijn
buren eensgezind zouden beginnen zich te verontschuldigen? Hij riep hen
niet naar de gevangenis of naar de ellende; hoe kwam het dan, dat ze zo
onbereidwillig waren de oproep te gehoorzamen? Vanwaar deze eensgezindheid
in de verwerping? We merken dat goede mensen van mening verschillen; hoe
komt het dan dat slechte mensen het zo goed met elkaar kunnen vinden? Wat!
Niet één die genoeg respect heeft voor z’n gulle vriend om aan zijn
tafel te zitten en z’n mildheid te accepteren? Niet één. Werkelijk,
broeders, hier hebben we een beeld van de algehele verdorvenheid van de
mens. Alle mensen zijn dus slecht en weigeren de genade van God. We weten
nooit hoe slecht de mens is, totdat hem het evangelie wordt gepredikt. Het
evangelie is als een witte achtergrond om de zwarte kleur van het
menselijke hart te laten uitkomen. Hier bereikt de menselijke natuur de
grootste hoogte van de gruwelijkheid van de zonden. Door zijn venijn te
spuwen tegen de Here der oneindige liefde, bewijst de mens van zichzelf
werkelijk tot het slangengebroed te behoren. Het evangelie wordt aan
duizenden gepredikt en verontschuldigen allen zich? Zo staat het in de
gelijkenis en de feiten bewijzen het echt zo. Wat! Is er niet één van
wie de vrije wil geneigd is tot Christus? Is er niet één die zo’n
goede natuur heeft dat hij tot Jezus wil komen? Nee, de tekst zegt: niet
één. “Zij allen begonnen zich eensgezind te verontschuldigen.” Hoe grondig
heeft vader Adam onze verstandhouding te gronde gericht! Wat voor dwazen
en opstandelingen zijn we, dat we weigeren deel te hebben aan het
feestmaal van de liefde. We zijn helemaal nutteloos geworden; er is er
niet één die God zoekt. U zult me er misschien aan herinneren, dat er
andere mensen waren naast degenen die zich verontschuldigden. Zeker, maar
die bevonden zich op de straten en de paden, in de stegen en de sloppen
van de stad. Zij, die het evangelie niet hoorden en daarom er niet
schuldig aan waren het te verwerpen, zijn desalniettemin ver bij God
vandaan door hun goddeloze werken en vreemden wat betreft het algemene
welzijn van Israël. Dus, als we de twee karakters nemen, die de hele
mensheid vertegenwoordigen, vinden we, dat allen vijanden van God zijn.
Zij die op de straten zijn, moeten “gedwongen” worden binnen te komen;
zij zijn van nature geneigd om geen feest te vieren aan de tafel van de
goede heer. Zo zijn alle soorten mensen afkerig van het evangelie. Ze zijn
helemaal bereid om te zondigen – zelfs ermee tevreden om verloren te
gaan in de zonde, maar om tot Christus te komen, de grote verzoening te
aanvaarden, hun vertrouwen op Jezus te stellen, dat is iets waar ze niet
om geven en eensgezind beginnen ze, wanneer ze het evangelie horen,
excuses te maken.
We
zijn bang dat er vanmorgen velen in dit bedehuis zijn, die jarenlang
gezegend zijn met het horen van het evangelie, maar tot nu toe is de enige
reactie, die zij deze genadeboodschap hebben gegeven, dat ze zich ervoor
verontschuldigen. Ik hoop op eenvoudige en nadrukkelijke wijze hierover te
spreken met het vurige verlangen, dat ze vanmorgen hun laatste excuus
zullen maken en dat die de doodslag zal krijgen. O, dat ze tot het feest
mogen komen dat ze zo lang hebben verworpen en zich verheugen in de genade
van God in Christus Jezus.
Waarom
verontschuldigen zij zich? Laten we, ten eerste, proberen hun
gedrag te verklaren; ten tweede, wat voor excuses
maken ze? – laten we ze opsommen; en ten derde, hoe
dwaas is het om zich zo te verontschuldigen! – laten we ze hier bestrijden.
I. Laten we proberen het feit, het trieste feit, te VERKLAREN
dat de mensen zo zeer klaar staan om excuses te maken in plaats van het
Woord van God te aanvaarden.
In de eerste plaats
verklaren we dit door het feit dat zij helemaal niet het plan hadden
de uitnodiging voor het feest aan te nemen. Als zij ronduit de
waarheid hadden gesproken, dan zouden ze hebben gezegd: “We wensen niet
te komen en we zijn ook niet van plan dat te doen.” Als het hart van de
mens niet zo verraderlijk was, dan zou het geen excuses maken, maar zou
het ronduit zeggen: “We willen niet dat deze man over ons regeert; we
voelen ons niet zondig; we zullen daarom geen vergeving aanvaarden; we
geloven dat we onze redding met ons eigen handelen kunnen bewerken; of,
als dat niet zo is, dan zijn we er tevreden mee om het er op aan te laten
komen. Als het slecht zal gaan met ons, dan zal het slecht gaan met een
heleboel mensen. We zullen alle risico’s lopen: we willen de redding
niet. Wij kiezen er liever voor om onze vleselijke vreugde de ruimte te
geven: uw godsdienst houdt teveel zelfopoffering in; het gaat helemaal
tegen onze gezindheid in en daarom wijzen we het af.” Dat zit er achter.
Sommigen van u, mijn toehoorders, zijn vaak onder de indruk gekomen en
gedeeltelijk overtuigd van zonde, maar u hebt Christus met
verontschuldigingen afgeschreven. Wilt u geduld hebben met mij, terwijl ik
u ernstig verzeker, dat uw hart door en door vijandig is tegen God? Uw
excuus kan heel aardig lijken, maar het is een doorzichtige smoes. Als u
eerlijk was ten opzichte van uw eigen ziel, dan zou u meteen zeggen: “Ik
heb Christus niet lief; ik wil Zijn redding niet.” Uw uitstel, uw valse
beloften, uw excuses zijn waardeloos; iedereen kan er met een half oog
dwars doorheen kijken, zo transparant zijn ze. U bent een vijand van God;
u bent onverzoend en u bent er tevreden mee dat te zijn. Deze waarheid kan
onaangenaam zijn, maar het is niettemin zeer zeker waar. Moge God u helpen
om dit te ervaren en moge het u nederig maken in Zijn tegenwoordigheid.
Maar
toch, als ze niet wilden komen op het feest van de goede man, waarom
zeiden ze dat dan niet? Als het echte geheim ervan was, dat zij hem
haatten en zijn maaltijd verachtten, is het dan niet triest dat ze
niet eerlijk genoeg waren om meteen “nee” tegen hem te zeggen? Wel,
dat waren ze zeker niet en één reden kan zijn, dat ze op goede
voet met hun geweten wensten te blijven. Hun gevoel zei dat ze
moesten gaan. Hij was iemand die recht had op hun beleefdheid, zo niet
dankbaarheid en omdat ze ervaarden dat ze moesten gaan, maar toch niet van
plan waren om te gaan, zochten ze een compromis door middel van een
excuus. Het geweten is een erg onaangename buur voor mensen die in zonden
leven. Er wordt van David gezegd: “Davids hart sloeg hem” en het is
een zeer zware klap die het hart kan geven. Om de klap af te weren, houden
de mensen een schild van excuses omhoog. U kunt uw geweten niet helemaal
uitdoven; het is de kaars van de Here en daarom zet u hem onder de
korenmaat van een excuus. De dief is bang voor de waakhond en daarom gooit
hij hem een bot toe om hem rustig te houden – dat bot is gemaakt van
excuses. John Bunyan vertelt ons dat Meneer Geweten, toen de stad
Mensenziel door Diabolus werd bezet, soms zo hard schreeuwde, dat hij al
de inwoners bang maakte en daarom zetten ze hem op een erg donkere plek en
probeerden ze een prop in zijn mond te duwen om hem rustig te houden. Maar
ondanks dat was hij er soms, wanneer zijn aanvallen kwamen, de oorzaak van
dat de hele stad zich erg ongemakkelijk voelde. Ik weet wat het geweten
van sommigen van u zegt. Het zegt tegen u: “Hoe komt het dat je de
dingen van God vergeet? Hoe kun je een spelletje spelen met de toekomstige
wereld? Hoe kun je leven alsof je nooit een keer zult sterven? Wat zul je
doen wanneer je gaat sterven, zonder deel te hebben aan de Here Jezus
Christus?” Om het geweten een poosje stil te laten zijn, verontschuldigt
u zich en volhardt u in de weigering op het feest te komen.
Het
kan zijn dat u dit excuus maakt om toe te geven aan een gewoonte.
Het is vandaag de dag niet de gewoonte om Christus iets recht in Zijn
gezicht te zeggen. Er zijn niet veel mensen onder uw of mijn kennissen,
die openlijk tegen de godsdienst in gaan. Uw vader vreest God; uw moeder
is een vrouw met grote toewijding; uw vrienden gaan naar het huis van God
en spreken uit ervaring over de dingen van God: u vindt het daarom niet
leuk tegen hen te zeggen: “Ik zal nooit christen worden; ik heb een
hekel aan Gods wegen; ik kies niet voor het plan van de soevereine
genade.” Om hun gevoelens te sparen komt u met een excuus. U wilt uw
lieve vrienden geen verdriet doen; u bent bang dat, als u eerlijk zei wat
uw ziel vindt, het uw moeder met grijze haren naar het graf zou brengen,
of dat het hart van uw vader zou breken en dus bedenkt u een excuus, opdat
zij nog een troostvolle hoop mogen koesteren, hoewel er, terwijl u excuses
maakt, helemaal geen hoop voor u is. Wat mij betreft, ik zou liever hebben
dat u ronduit zou spreken en zeggen wat u bedoelt. Ik zou graag willen dat
u zou zeggen: “Ik ben een vijand van Christus; ik geloof Zijn evangelie
niet; ik zal Hem niet dienen.” Dit klinkt misschien erg slecht, maar het
zou tenminste laten zien, dat er nog enige oprechtheid in u was en we
zouden hopen dat u zich weldra zou buigen voor de wil van Christus.
Excuses zijn vervloekingen en wanneer u geen excuses meer over hebt
gehouden, zal er hoop voor u zijn.
Het
kan zijn dat u deze excuses maakt omdat u overtuigd bent geweest
en dat achtervolgt u soms zo, dat u Christus niet rechtstreeks tegen
durft te komen. U bent uit de dienst naar huis gegaan om te huilen. Die
kleine kamer van u is er getuige van dat u niet helemaal kunt leven zonder
gebed. Onlangs, toen u naar een begrafenis ging, kwam u in een ernstige
stemming thuis en u dacht toen, dat u zich zeker zou onderwerpen aan de
geboden van Jezus. Toen u ziek was en een paar weken alleen boven moest
liggen, toen hebt u beloften gedaan en een besluit genomen, maar uw
besluiten zijn als sneeuw voor de zon weggesmolten. De tranen schieten u
in de ogen, u bent bijna overtuigd om christen te worden; u spreekt een
gebed uit, maar ach! Een of andere slechte kameraad brengt u de volgende
morgen in verzoeking en het oude spreekwoord komt uit: “De hond is
teruggekeerd naar zijn braaksel en de gewassen zeug naar de modderpoel.”
Ach! Hoe vaak heb ik overtuigingen van zonde gehad, vreselijke nog wel, en
toch heb ik gezegd, net als Felix tegen Paulus: “Ga voor heden heen;
wanneer ik weer een gelegenheid heb, zal ik u opnieuw roepen.” Maar ik
kon deze overtuigingen niet uitdoven door een regelrechte tegenstand tegen
Christus; ik wist te veel en ik voelde te veel om dat te doen en dus
probeerde ik een soort wapenstilstand te verzinnen tussen mijn ziel en
mijn overtuigingen.
Satan
staat altijd klaar om mensen aan excuses te helpen. Dit is een
bezigheid waar geen einde aan komt. Het is zeker erg vroeg begonnen, want
nadat onze eerste ouders hadden gezondigd, was één van de eerste
bezigheden waarmee ze aan de slag gingen, het maken van schorten van
vijgenbladen voor zichzelf om hun naaktheid te verbergen. Lees de bijbel
door en u zult vinden dat het maken van excuses een gewoonte is van alle
tijden en onder alle rangen en standen voorkomt. Ik denk dat, totdat de
laatste zondaar gered zal worden door de soevereine genade, mensen steeds
met hun ijdele excuses zullen blijven aankomen in Gods tempel. Als u het
geweer wilt afvuren, zal satan u altijd bevoorraden met munitie. Wanneer
hij denkt dat een waarheid op het punt staat u te raken en u geen excuus
kunt verzinnen, dan zal hij dat voor u doen; hij zal tussen u en het
kanonschot van Gods Woord gaan lopen om te voorkomen dat u er door gewond
raakt. Als het zwaard van de prediker te scherp voor u is en uw geweten
laat bloeden, dan heeft de boze een satanische pleister, waarmee hij heel
gauw de wond verbindt.
De
natuurlijke eigengerechtigheid van de mens spoort hem aan om excuses te
verzinnen. Volgens onze eigen inschatting en maatstaf zijn we
allemaal de beste mensen van de wereld. Als wij onszelf als rechters
vonnisten, dan zou het vonnis altijd “Niet schuldig” zijn. Zonde, die
in een ander erg schokkend zou zijn, is erg vergeeflijk in ons. Nee, wat
in andere mensen afschuwelijk zou zijn, wordt bijna aanbevelenswaardig in
onszelf, zo partijdig beoordelen wij onze eigen zaak. Omdat de zondaar
zich niet kan indenken dat het voor hemzelf helemaal juist is om niet in
Christus te geloven, omdat zijn verlicht geweten hem niet zal laten zeggen
dat hij helemaal veilig is, terwijl hij weigert naar de wonden van Jezus
te vluchten, neemt hij zijn toevlucht tot excuses opdat hij nog steeds zou
kunnen zeggen: “Ik ben rijk en ik heb mij verrijkt”, om zo niet
gedwongen te worden te roepen: “Ik ben naakt en arm en ellendig”. Het
zondige ‘ik’ is heel moeilijk te veroveren, maar het rechtvaardige
‘ik’ is de ergste vijand van de twee. Wanneer we mensen ertoe kunnen
brengen schuld te bekennen, spreekt God vergeving over hen uit, maar
wanneer mensen verzachtende omstandigheden aanvoeren, is er weinig hoop
voor hen. O grote God, onze Meester, ontneem hier elke zondaar z’n
excuses en laat hem in zijn eigen bewustzijn schuldig staan voor Uw
rechtbank, opdat hij mag roepen: “God, wees mij zondaar genadig” en
opdat hij vergeving mag vinden door het bloed van Jezus Christus. Let
erop, u ongelovigen, dat u niet doorgaat met excuses, en excuses, en
excuses, totdat u uzelf de put van de hel ingewerkt hebt, want weet dit, u
zult nooit door excuses uzelf er weer uit kunnen halen.
II We komen tot de OPSOMMING VAN deze excuses.
Velen
willen niet tot de grote maaltijd komen – willen geen christen worden om
dezelfde reden als die in de gelijkenis – ze hebben het te druk. Ze
hebben een groot gezin en het vraagt al hun tijd om brood en kaas te
verdienen voor deze kleine monden. Ze hebben een erg grote zaak – veel
personeel in dienst en wanneer ze niet van de vroege morgen tot de late
avond bezig zijn met het bedrijf, dan moeten hun zaken wel verkeerd gaan.
Of anders, als ze geen zaak hebben, hebben ze toch zoveel pleziertjes en
deze vragen zoveel tijd – hun vluchtige visites ’s morgens nemen
zoveel uren – het afgeven van hun visitekaartjes bij de deur van andere
mensen neemt zoveel van hun vrije tijd, dat ze werkelijk geen gelegenheid
hebben om na te denken over zaken, die zo onverkwikkelijk zijn als de dood
en de eeuwigheid. Dit excuus behoeft nauwelijks door mij beantwoord te
worden, omdat ieder mens weet dat het enorm leugenachtig is! Niemand komt
om van de honger, omdat hij geen tijd heeft om te eten. Nu, als God ons de
tijd heeft gegeven om ons natuurlijke lichaam te verzorgen, hoeveel te
meer heeft Hij ons dan de tijd gegeven om de ziel te voeden. Ik tref mijn
vrienden niet half gekleed op straat aan, maar ik merk dat sommigen van
hen menig half uur besteden aan die extra speld en dat extra lint. Nu,
zeker, als ze de tijd hebben om het lichaam te kleden, dan moeten ze ook
tijd hebben gekregen om de mantel der gerechtigheid aan te doen en daar de
ziel mee te bekleden. Als u de tijd niet hebt, God heeft hem u wel
gegeven, dus moet u hem verkeerd gebruikt hebben. God geeft u de tijd als
rentmeester en als u tegen uw Meester zegt: “Ik heb het niet”, dan zal
Hij u antwoorden: “Ik heb het u toevertrouwd; u moet het voor uzelf
hebben gebruikt; u hebt God beroofd.” Iets eerder opstaan, wat minder
tijd aan tafel – elk van deze dingen zou u tijd genoeg geven. U weet dat
u de tijd hebt en wanneer u zegt dat u die niet hebt, is de leugen te dun;
u kunt er dwars doorheen kijken. O ziel, o ziel! Als heilige mensen uren
kunnen vinden om te bidden, als zo iemand als Maarten Luther, wanneer hij
het heel erg druk had, gewoon was te zeggen: “Ik moet vandaag minstens
drie uur bidden, anders kom ik niet door mijn werk heen”, vertel me dan
niet, dat u geen tijd hebt om de Here te zoeken. Bovendien, het is niet
een kwestie van tijd. De redding kan in een ogenblik worden bewerkt. Er is
leven in een blik op de Gekruisigde; op dit moment is er leven voor u en
tussen nu en de tijd waarop deze dienst voorbij zal zijn, is er tijd
genoeg voor u om het eeuwige leven te grijpen en om Christus Jezus te
aanvaarden tot redding van uw ziel. Dat excuus zal niet opgaan.
Maar
dan vluchten ze naar een ander. Ze zijn te goed. Wanneer ik
heb gepredikt over vrije genade en een volledige Christus, heb ik sommigen
horen zeggen: “Dat is een goede preek voor de menigte die naar de
schouwburg gaat, voor de onkundigen, de mensen uit lagere rangen, maar
wij, fatsoenlijke mensen, hebben zo’n redding niet nodig. Om vrije
genade aan te bieden aan mensen, die geen dronkaards zijn en geen
vloekers, wel, dat is belachelijk. De preek was erg goed voor de
Magdalena’s, voor dieven en dat soort mensen, maar niet voor ons.”
Nee, u bent te goed om gered te worden. U hebt geen
geneesheer nodig, omdat u gezond bent. Uw eigen tafel staat vol genoeg, u
hoeft niet op dit feest te komen. Maar denk eens na, vraag ik u, of dit
niet allemaal een vergissing is. Waarin bent u dan uiteindelijk beter dan
andere mensen? Wat is er aan de hand, als u zich niet overgeeft aan
openlijke zonde? Gaat er in uw hart niet vaak een begeerte uit naar het
kwaad? Spreekt uw tong altijd datgene wat juist en waar is? Als u zich
geen bedreven zonden kunt herinneren, hoe zit het dan met de zonden van
nalatigheid? Hebt u de hongerigen gevoed? Hebt u de naakten gekleed? Hebt
u de onkundigen onderwezen? Hebt u God liefgehad met geheel uw hart,
geheel uw ziel en al uw kracht? Hebt u Hem alles gegeven, wat Hij van u
vraagt? Waarom kunt u dit niet zeggen? Nu, de volmaaktheid, de heiligheid,
die God vraagt voor de redding, moet zijn als een volmaakte albasten vaas:
als er maar een enkele barst in is of vlek op zit, is het helemaal
bedorven. U kunt wel zeggen: “Wel, er zit geen grote barst in; we hebben
het niet erg beschadigd.” Nee, maar God eist dat het volmaakt is en het
maakt niet uit hoe gering de opgelopen schade is. U kunt de hemel niet
binnengaan op het fundament van uw goede werken – u bent voor altijd
buiten geworpen. Hoor deze woorden: “Door werken der wet zal geen vlees
voor Hem gerechtvaardigd worden.” “Vervloekt is een ieder, die zich
niet houdt aan alles wat er geschreven is in het boek der wet om dat te
doen.” “Want allen, die het van werken der wet verwachten, liggen
onder de vloek.” God beware u voor dit valse excuus.
Een
andere groep zegt: “We zijn te slecht om gered te worden.
Het evangelie roept: ‘Geloof in Jezus Christus en leef’, maar dat is
niet voor mij bestemd; ik ben een te grote overtreder geweest. Toen ik nog
jong was, ging ik al op het slechte pad en vanaf die tijd ben ik van kwaad
tot erger gegaan. O meneer, ik heb God in Zijn gezicht uitgevloekt; ik heb
tegen het licht en de kennis in gezondigd, tegen de gebeden en de tranen
van mijn moeder. Ik heb kwaad gesproken van Gods Woord; ik heb gelachen om
de naam van Zijn Zoon Jezus Christus. Ik ben te slecht om gered te
worden.” Hier is nog een slecht excuus. U weet, zondaar,
als u een hoorder van het evangelie bent, dat dit niet waar is, want hoe
slecht u ook bent, geen mens wordt buiten Christus gesloten ten gevolge
van zijn slechtheid. “Alle soort van zonde en godslastering zal de
mensen vergeven worden.” De uitnodigingen van het evangelie stoppen niet
bij een bepaald punt van zonde, maar integendeel, ze lijken de ergste
zondaren het eerst uit te kiezen. Wat zei de Heiland? “Begin bij
Jeruzalem.” Maar Here, de mensen die daar leven, zijn de mensen die U
kruisigden. “Begin bij Jeruzalem.” Maar Here, het was in Jeruzalem dat
zij Uw bloed vergoten, de tong tegen U uitstaken, U uitlachten en Uw
gebeden bespottelijk maakten. “Begin bij Jeruzalem” – de ergsten het
eerst. Net zoals de chirurg op een slagveld gewoon is eerst naar de ergste
gevallen te kijken. Hier is een man die zijn vinger kwijt is. Ach, wel,
laat hem een poosje wachten, dan zullen we ervoor zorgen. Maar hier is
iemand anders, die een ledemaat kwijt is en hij bloedt enorm. Als het
bloeden niet gestelpt wordt, zal het leven uit hem wegstromen. De chirurg
geeft hem de eerste beurt.
O, grote zondaren, u die van
uzelf vindt dat u beruchte overtreders bent geweest, ik vraag u, wees niet
zo schuldig dat u dit tot een excuus maakt om niet tot Christus te komen.
Integendeel, gebruik het als een reden waarom u meteen naar Hem toe zou
vluchten. Hoe meer vuiligheid, hoe meer een wasbeurt nodig is; hoe zieker,
hoe meer een geneesheer nodig is; hoe hongeriger, hoe meer welkom aan de
tafel. Kom tot Jezus precies zoals u bent, met al uw zonden: “Al waren
uw zonden als scharlaken, ze zullen wit worden als sneeuw; al waren ze
rood als karmozijn, ze zullen worden als witte wol.” Geen vorm van
zonde, die men zich kan voorstellen of niet kan voorstellen, kan op de
één of andere manier een barrière vormen voor de redding van enig mens,
als hij maar wil geloven in de Here Jezus Christus.
Dan
komt er een volgend excuus: “Meneer, ik zou vanmorgen Christus met mijn
ziel willen vertrouwen, maar ik voel me niet in een juiste toestand
om Christus te vertrouwen. Ik heb niet dat gevoel van zonde, dat
volgens mij een geschikte voorbereiding is om tot Christus te komen.” -
Ach! Mijn geliefde toehoorder, dit is een excuus dat heel erg goed
lijkt, maar het bevat geen waarheid. Er is geen geschiktheid nodig,
voordat u op Christus mag vertrouwen. Wat ook uw huidige toestand is, als
u Jezus Christus met uw ziel vertrouwt, dan wordt u ter plekke gered; uw
zonden worden u vergeven; u wordt tot een kind van God gemaakt; u wordt
aanvaard in de Geliefde. Waar leest u ergens in de Schriften over
geschiktheid voor Christus? Waren de doden die Jezus terugriep, geschikt
om opgewekt te worden, denkt u? Wel, Martha zei van haar broer: “Here,
hij ruikt inmiddels, want hij is al vier dagen dood.” Was er enige
geschiktheid in Lazarus voor een opstanding? En toch zei Jezus:
“Lazarus, kom uit!” Zegt het evangelie: “Wie in een bepaalde
toestand is en dan gelooft, zal behouden worden?” Nee, maar, “Wie
gelooft en zich laat dopen, zal behouden worden.” Hoe wordt mij bevolen
tot u te prediken? Moet ik zeggen: “Een ieder die dit voelt, moet
komen”? Nee, maar, “Wie wil, kome en neme het water des levens om
niet.” Wilt u Christus graag hebben? Dan mag u Hem hebben, want Christus
is even gratis voor elke behoeftige zondaar als de fontein van drinkwater
op straat gratis is voor elke dorstige voorbijganger. Vertrouw op Jezus,
zelfs al is uw hart zo hard als graniet – Hij kan het zacht maken.
Vertrouw op Hem, al zou het geweten in slaap zijn; al zouden alle
verstandelijke vermogens slecht geworden zijn – vertrouw op Hem. Het is
Zijn zaak om u heilig te maken, niet uw zaak – vertrouw Hem dat Hij het
allemaal doet. Hij wordt Jezus genoemd, omdat Hij Zijn volk redt uit hun
zonden. Vertrouw Hem dat Hij uw slechtheid overwint, dat Hij uw slechte
humeur doodt, uw wil onderwerpt, uw hart zacht maakt, uw geweten verlicht
en uw liefde laat ontvlammen – vertrouw op Hem dat Hij het allemaal
doet. O, wees niet zo dwaas om te zeggen: “Ik ben te ziek om een dokter
te laten halen: wanneer ik beter word, wanneer ik me beter voel, dan zal
ik hem laten komen.” Zeg niet: “Ik ben zo zwart; als ik me wat schoner
zou voelen, dan zou ik me wassen.” Nee, maar was u, omdat u
zwart bent; was u, omdat u niets dan vuil aankleeft; laat de
grote Geneesheer komen, omdat er niets gezonds in u zit. Er
is niets anders dan wonden, kwetsuren en rottende zweren in u; laat daarom
uw geloof uw genezing helemaal aan Hem toevertrouwen.
Hier
komt er nog één: “O meneer, ik zou graag Christus mijn ziel
toevertrouwen, maar het lijkt te mooi om waar te zijn, dat
God mij vanmorgen ter plekke zou redden. U hebt er geen weet van waar ik
gisteravond was, of wat ik gisteren deed; u kunt me niet vertellen wie ik
ben, of hoe slecht ik ben geweest en u zegt me dat, als ik Jezus Christus
vertrouw, ik gered zal worden. Meneer, het is te mooi om waar te zijn. Ik
kan het me niet voorstellen.” Mijn geliefde vriend, meet u Gods koren af
met uw korenmaat? Omdat de zaak u iets verbazingwekkends lijkt, zou het
daarom ook verbazingwekkend voor Hem zijn? Hoe zou het zijn als Zijn
gedachten zo hoog boven uw gedachten waren, als de hemelen boven de aarde
zijn? Is dat niet juist wat Hij in de Schrift heeft gezegd? Ik weet dat u
het moeilijk vindt om uw medemens te vergeven, maar mijn Vader, mijn God,
kan u gemakkelijk vergeven.
“Om zulke afschuwelijke misdaden te vergeven
om zulke schuldige, brutale wormen te sparen.
Dit is Uw grote voorrecht
en niemand zal in de eer delen.”
Hij
schept als een God; Hij maakt niet maar een paar insecten,
of hier en daar een ster, maar deze grote wereld formeerde Hij en Hij
verstrooide de fonkelende hemellichamen met Zijn beide handen. Dus wanneer
de Here gaat vergeven, vergeeft Hij niet een paar kleine overtredingen en
ziet andere kleine dingen door de vingers, maar de hele massa van de zonde
wast Hij in een ogenblik weg en allerlei soorten zonde en godslastering
werpt Hij in een oogwenk achter Zijn rug. Geloof toch dat God God is en
niet iemand zoals u bent; bedenk toch dat Hij in staat is veel grotere
dingen te doen dan waar u van kunt dromen. Vertrouw Hem, vertrouw Hem nu
en hoe goed de dingen ook zijn, u zult merken dat ze waar zijn; hoe groot
ze ook zijn, ze zullen de uwe zijn.
Ik
denk dat ik iemand hoor zeggen: “Het is mij te vroeg om te komen:
laat me eerst nog wat in de wereld rondkijken. Ik ben nog maar net
vijftien of zestien. Er is nog genoeg tijd voor mij.” U bent op het
kerkhof geweest. Staan daar niet verhalen van diegenen die vijftien of
zestien jaar helemaal niet te vroeg vonden, want kijk, op die leeftijd
werden ze weggenomen voor hun laatste verantwoording. Te vroeg! Is het
ooit te vroeg om gelukkig te zijn? Als de godsdienst u ellendig maakte,
dan zou ik u kunnen adviseren het tot het laatste toe uit te stellen, maar
als het in-Christus-zijn betekent gelukkig zijn, dan kunt u niet te vroeg
in Hem zijn. Ik heb bij menig sterfbed gezeten en ik heb veel
spijtbetuigingen gehoord, maar ik heb nooit een christen er spijt van
horen hebben, dat hij te vroeg was bekeerd. Ik heb veel jonge bekeerden in
de gemeente ontvangen als lid, maar ik heb nooit iemand van hen horen
zeggen, dat het hen speet dat ze zo vroeg door genade waren geroepen. Als
ik veroordeeld was om te sterven en iemand verleende mij gratie, dan zou
ik niet denken dat ik die te vroeg ontving. De toorn van God blijft op u
– kan het dan te vroeg zijn om eraan te ontsnappen? U bent onderworpen
aan dagelijkse verzoekingen en u voegt dagelijks aan uw zonden toe – kan
het dan te vroeg zijn om een nieuw hart en een vaste geest te krijgen?
Anderen
zullen precies de andere kant kiezen en pleiten: “Helaas, het is
te laat.” De duivel zet eerst de klok achteruit en vertelt u dat
het te vroeg is, en wanneer hem dat niet goed uitkomt, zet hij hem vooruit
en dan zegt hij: “Het uur is al voorbij, de dag der genade is ten einde;
de poort der genade is vergrendeld, je kunt er nooit naar binnen.” Laten
we dit meteen beantwoorden. Het is nooit te laat voor een mens om in Jezus
te geloven, zolang hij nog buiten zijn graf is. Zolang de lamp van het
leven blijft branden, zal de smerigste zondaar die terugkeert, merken dat
Christus klaarstaat om hem te ontvangen. Er zijn mensen bekeerd toen ze
honderd waren; we hebben voorbeelden van mensen die zelfs meer dan een
eeuw oud waren en kinderen van Christus Jezus werden. Hoe oud bent u? Hebt
u al de leeftijd van tachtig bereikt? Ach, u hebt vele zonden, maar wat
een overwinning van genade zal het zijn, wanneer tachtig jaar van zonde in
een ogenblik weggewassen zullen worden. Ik zeg u, al was u zo oud als
Methusalem en al had u in elk jaar van dat lange leven evenveel zonde als
u nu reeds bedreven hebt in heel die tachtig jaar, dan is toch de genade
van Jezus Christus voldoende om dit alles weg te doen. Uw zonden kunnen
zich opstapelen als bergen, maar de liefde van Christus kan, net als de
zondvloed van Noach, vijftien el daarboven uitstijgen en de toppen van de
bergen zullen bedekt worden. Het is niet te vroeg; het is niet te laat;
geen van deze twee redenen hebben enige waarde, al misleiden zij velen.
“Wel,”
zegt iemand anders, “ik zou wel in Christus willen geloven, maar ik
weet niet of ik één van Gods uitverkorenen ben of niet. Meneer,
die leer van de uitverkiezing baart mij zorgen. Als ik wist dat ik één
van Gods uitverkorenen was, dan zou ik Christus vertrouwen.” Dat is: als
God u Zijn geheimen zal laten zien, dan zult u Gods wil doen en zo moet
dus de Almachtige Zich richten naar uw voorwaarden en dan zult u doen wat
Hij u opdraagt! U zult komen feestvieren aan de tafel van de man in deze
gelijkenis, als hij u eerst naar zijn geheime binnenkamer brengt en u heel
zijn schat laat zien! Zoiets zal hij nooit doen. Hoe dwaas is dit praten
over uitverkiezing. De leer van de uitverkiezing is een grote en kostbare
waarheid, maar het kan nooit een geldige reden zijn voor het feit dat een
mens niet in Christus gelooft. U bent vandaag ziek en de dokter komt.
“Daar,” zegt hij, “daar is het medicijn, ik garandeer u, als u dat
inneemt, zal het u genezen.” U zegt: “Meneer, ik zou het meteen willen
innemen, maar ik weet niet of ik ben voorbestemd om door deze koorts heen
te komen. Als ik ben voorbestemd om te leven, wel meneer, dan zal ik het
medicijn innemen, maar ik moet het eerst weten.” “Ach!” zegt de
dokter, “ik zal u wat vertellen: als u het niet inneemt, dan bent u
voorbestemd om te sterven.” En ik zal u dit vertellen: als u niet in
Jezus Christus wilt geloven, zult u veroordeeld worden, wie u ook bent,
maar u zult de uitverkiezing er niet de schuld van kunnen geven; het zal
voor uw eigen verantwoording zijn. Een man is overboord gevallen; er wordt
een touw naar hem toegegooid, maar hij zegt: “Ik zou graag dat touw
willen vastgrijpen, alleen ik weet niet of ik ben voorbestemd om te
verdrinken.” Dwaas! Hij zal naar de kelder gaan met een leugen in zijn
mond. Wij zeggen niet: “Ik zou graag vandaag aan de maaltijd zitten,
maar ik zal niet eten, omdat ik niet weet of ik ben voorbestemd om vandaag
een maaltijd te hebben.” Zo dwaas praten we niet in de gewone dingen,
waarom praten we dan zo in de godsdienst? Wanneer mensen dringend verlegen
zitten om een excuus, dan zijn ze blij om hun toevlucht te nemen tot de
verborgenheden van God teneinde ze te gebruiken als een sluier om hun
gezicht mee te bedekken. O mijn geliefde vrienden, u moet weten dat,
hoewel God een uitverkoren volk heeft, toch, wanneer Hij u beveelt in
Christus te geloven, dat wel of niet hebben van een uitverkoren volk, u
niet kan verontschuldigen wat betreft de gehoorzaamheid aan het Goddelijke
gebod: “Stel uw vertrouwen op de Here Jezus en u zult behouden
worden.” Het lukt me niet om al deze excuses bij langs te gaan en daarom
zal ik, nadat ik er nog twee behandeld heb, ermee stoppen.
“Wel,”
zegt iemand, “als ik in Christus geloofde, dan zou ik een poosje later even slecht zijn als ik tevoren
was. Ik zou misschien een poosje wat beter zijn, maar ik zou weer
terugvallen; daarom heeft het geen zin Christus te vertrouwen.” Dat wil
zeggen, geliefde vriend, Jezus Christus zegt dat, als u Hem
vertrouwt, Hij u zal redden: u zegt dat als u Hem vertrouwt, Hij u
niet zal redden. Daar komt het op neer. Jezus Christus belooft, dat als u
Hem vertrouwt, Hij u zal redden uit uw zonden. U zegt: “Nee, ik zal weer
terugvallen in mijn zonden en even slecht zijn als tevoren.” Wat moet ik
nou geloven: uw excuus of
Zijn belofte? Wel, Christus’ belofte natuurlijk! “Maar ik heb het al
eerder geprobeerd”, zegt iemand. Zeer waarschijnlijk hebt u het
geprobeerd, maar Christus heeft het nooit geprobeerd, want
als Hij het had geprobeerd, dan zou Hij daarin
geslaagd zijn. “Wel, maar ik heb het wel een poosje volgehouden.” Ik
durf te zeggen dat u volhield, maar als Christus u had
vastgehouden, dan zou Hij u nooit hebben laten gaan. Wanneer u Christus
vastgrijpt, kunt u Hem spoedig laten vallen, maar wanneer Jezus u
vastgrijpt dan zegt Hij: “Ik geef Mijn schapen eeuwig leven, en ze
zullen voorzeker niet verloren gaan, niemand zal hen uit Mijn hand
roven.” Als u enorm op Christus had vertrouwd, dan zou Hij niet hebben
toegelaten dat u werd, wat u vroeger was.
“Wel,”
zegt iemand, “ik kan Christus niet vertrouwen, ik kan Hem niet
geloven.” U spreekt Latijn broeder; u spreekt Latijn. “Nee,”
zegt u, “ik spreek geen Latijn.” Ja, dat doet u wel. Ik zal dat woord
voor u in het Engels vertalen. Het betekent: “Ik wil niet.” Wanneer u
zegt: “Ik kan niet”, dan betekent dat: “Ik wil niet”; en begrijp,
steeds wanneer de prediker zegt: “U kunt niet”, dan bedoelt hij: “U
wilt niet”, want hij bedoelt niet dat u van nature onbekwaam bent, maar
dat u zedelijk onbekwaam bent vanwege uw liefde voor de zonde – een
eigenzinnige onbekwaamheid. “Ik kan niet” is Latijn, maar “Ik wil
niet” is er de vertaling van. Een man stuurde een keer zijn knecht naar
een bepaalde stad om wat spullen op te halen en hij keerde terug zonder
die spullen. “Wel, waarom ben je daar niet heengegaan?” “Wel, toen
ik op een bepaalde plaats arriveerde, kwam ik bij een rivier meneer, een
erg diepe rivier. Ik kan niet zwemmen en ik had geen boot; dus kon ik niet
aan de andere kant komen.” Een goed excuus nietwaar? Het leek zo, maar
het bleek een erg slechte te zijn, want de baas zei: “Is daar geen
veerpont?” “Jawel, meneer.” “Heb je de man gevraagd om jou over te
zetten?” “Nee meneer.” Zeker, het excuus was alleen maar fantasie!
Zo zijn er veel dingen met betrekking tot onze redding, die wij niet
kunnen doen. Toegegeven, maar daar is een veerboot! Er is de Heilige
Geest, Die alle dingen kan doen en u herinnert zich de tekst: “Indien
gij, hoewel gij slecht zijt, goede gaven weet te geven aan uw kinderen,
hoeveel te meer zal uw Vader Die in de hemelen is, het goede geven aan
hen, die Hem daarom vragen?” Het is waar dat u zichzelf niet een nieuw
hart kunt maken, maar hebt u in oprechtheid en waarheid om een nieuw hart
gevraagd? Hebt u Christus gezocht? Als u zegt: “Ja, ik heb oprecht
Christus gezocht en Christus wilde me niet redden”, wel, dan bent u
verontschuldigd, maar er was nog nooit een ziel die dat naar waarheid kon
zeggen. Er was nog nooit een zondaar die omkwam, terwijl hij Christus
zocht en die zal er ook nooit zijn. Als het oprechte verlangen van uw hart
uitgaat naar de redding, die besloten ligt in Christus Jezus, dan kunnen
de hemel en de aarde voorbijgaan, maar Christus zal u nooit uitwerpen,
omdat Zijn Woord standhoudt: “Wie tot mij komt, zal Ik geenszins
uitwerpen”. “Maar toch,” zegt u, “kan ik Christus niet
vertrouwen.” Nu, ik verschil hierin met u van mening. Ik stem in met u,
als u mij mijn eigen vertaling laat geven van de woorden “kan niet”
– namelijk, ik wil niet, maar als dat woord daar staat
zoals het over het algemeen wordt gebruikt, dan verschil ik met u van
mening. Veronderstel dat u gelooft dat ik een eerlijk man ben, zou het dan
eerlijk zijn om vervolgens te zeggen: “Meneer, ik kan u niet geloven”?
Nu, als u gelooft dat ik een leugenaar ben, kan ik heel goed begrijpen dat
u mij niet kunt vertrouwen, maar als u ervan uitgaat dat ik geen leugen
kan vertellen en toch gelooft u niet wat ik vertel, dan bent u een
leugenaar. Nu, u gelooft dat Christus niet kan liegen; u bent niet als
degenen die het karakter van Christus niet kennen en daarom weet u dat Hij
geen leugenaar kan zijn – en dan zegt u dat u Hem niet kunt geloven. Als
u ziet dat Jezus Christus alleen maar de waarheid kan spreken, dan kan het
toch niet iets moeilijks voor een mens zijn om te geloven wat Hij zegt.
Als u door de Heilige Geest voldoende licht hebt gekregen, om te weten dat
Christus de waarheid is, dan geloof ik dat u vanuit diezelfde bron
voldoende macht hebt om te geloven wat Christus zegt. Ik zie dit als Gods
gave, maar ik vraag u dringend die macht, die u zeker hebt, uit te
oefenen,. Vertel Christus dat u Hem niet kunt geloven. Wilt u Hem dat
recht in Zijn gezicht zeggen, wanneer Hij aan het einde op de
oordeelstroon zit? Zult u dit durven zeggen, terwijl Zijn ogen van vuur
dwars door u heenkijken? “Allerheiligste Christus, ik kon U niet
vertrouwen! Waarachtige Heiland, ik kon U niet geloven! Ik twijfelde aan
U, ik verdacht U ergens van!” “Waarom hebt gij aan Mij getwijfeld?
Welke oorzaak heb Ik u ooit gegeven? Waarom vond u Mij een leugenaar?
Waarin heb Ik ooit mijn beloften gebroken, of wanneer ben Ik ooit
afgeweken van de waarheid?” “Wie niet gelooft,” zegt Johannes,
“heeft God tot leugenaar gemaakt, omdat hij niet het getuigenis gelooft
dat God van Zijn Zoon heeft gegeven.” O, denk hier toch aan en bied
nooit meer dit excuus aan. In plaats van te zeggen: “Ik kan niet
geloven,” zeg, “ik kan God niet tot een leugenaar maken en daarom moet
ik geloven, want ik weet dat God geen leugenaar is. – Daarom moet ik
Zijn Zoon Jezus Christus vertrouwen.”
Ik
heb een paar van deze excuses opgesomd; misschien wilt u nog een rij
aanvoeren, voordat de avond komt – u, die besluit om niet gered te
worden. Alleen de machtige Geest van God kan uw wil buigen om zich aan
Christus over te geven en dus sluit ik af met twee of drie woorden over
het derde punt.
III. HOE DWAAS IS HET
OM ZO EXCUSES TE MAKEN. Want ten eerste, bedenk Wie het is met Wie u
te maken hebt. U maakt geen excuses voor een mens, die erdoor
bedrogen kan worden, maar u maakt deze excuses voor de God, Die de harten
doorzoekt. Mijn geliefde toehoorders, laat me zeer ernstig spreken en u
dit punt na aan het hart leggen. U weet dat God door dit alles heen ziet
– waarom probeert u dan zo de zaak te versluieren? Belijd nu voor Hem uw
dwaasheid: “Here, ik ben een vijand van U geweest; Here ik ben afkerig
geweest van Uw Zoon Jezus Christus en daarom heb ik al deze excuses in
elkaar geflanst. Vergeef me; ik zie hoe dwaas ik ben geweest. Geef toch
dat ik dat niet meer doe.”
Bedenk
nogmaals, waar u eigenlijk mee speelt. Het is uw eigen ziel,
de ziel die nooit kan sterven. U speelt met een hemel, die u nooit zult
zien als u blijft doorgaan met deze excuses. U speelt, zondaar, met die
hel die voor altijd uw deel moet zijn, als u blijft zoals u bent. Kunt u
spelen met het hellevuur? O, kunt u de hemel belachelijk maken? Kunt u
lachen om het bloed van Jezus? U doet dat werkelijk, wanneer u zo blijft
hinken op twee gedachten. Nu, als u zo nodig de dwaas moet uithangen, vind
dan iets goedkopers om mee te spelen dan dit. O heren, als u vrolijkheid
moet hebben, dan vraag ik u, haal dat ergens anders vandaan dan hier
vandaan. Gered te worden! Luisteren naar de hemelse muziek! Verloren te
gaan! Luisteren naar het kreunen van de hel! Geen van deze dingen zijn
zaken voor u om mee te spelen. Zeg, terwijl u hier nu zit – ik bid God
om u te helpen het te zeggen voordat u dit huis verlaat – “Here, ik
heb zitten spelen met de eeuwigheid; ik heb lichtzinnige excuses bedacht
in plaats van Uw liefde in Christus te aanvaarden; ik heb gespeeld met de
hemel en de hel: geef toch Here, dat hier een eind aan komt en dat ik U
vandaag mag liefhebben en vertrouwen.”
Bedenk
nogmaals, dat deze excuses er spoedig heel anders uit zullen zien. Hoe
zult u excuses maken, wanneer u komt te sterven, want sterven moet u.
Wanneer de dood u vastgrijpt en de sterke man faalt en men het doodszweet
van uw koortsige voorhoofd veegt, wanneer de glans van de dodelijke nacht
over uw ogen komt, wat zult u dan van deze excuses vinden? Het kan zijn,
dat u woedend zult zijn op uzelf, dat u zo, in die mate, met uw ziel hebt
gespeeld. Wat zult u doen met uw excuses, wanneer u voor de rechtbank
staat? De trompet weerklinkt, u bent uit uw graf wakker geworden, u staat
temidden van de tienduizenden om geoordeeld te worden. De boeken worden
geopend en Christus verkondigt uw vonnis – “Ga weg van Mij, gij
vervloekten, naar het eeuwige vuur.” Zullen excuses u dan troosten? Zult
u dan kunnen zeggen: “Here, het was te vroeg; Here, het was te laat;
Here, ik was een te grote zondaar om in Jezus te geloven,” of “ik had
geen Heiland nodig?” Nee, wanneer de trompet weerklinkt en de hemelen in
vlam staan; wanneer de zon wordt veranderd in een haren zak en de maan in
bloed en de sterren als vijgenbladeren van de boom vallen, dan zult u wat
anders te doen hebben dan excuses maken; u zult huilen en klagen vanwege
de zonde en wanneer u in de hel wordt geworpen, wat zult u dan met uw
excuses doen? Geschreven in letters van vuur, zult u een vreselijke boog
boven uw hoofd zien: “U wist uw plicht, maar u deed die niet; u hoorde
het evangelie, maar u maakte excuses.” Donderend, vreselijker dan de
trompet van de opstanding, zullen deze woorden tot u komen: “Omdat gij
weigerdet toen ik riep, niemand acht gaf, toen ik mijn hand uitstrekte…
daarom zal ik ook lachen om uw verderf; ik zal spotten, wanneer uw
verschrikking komen zal. Wanneer uw verschrikking zal komen als een
storm…. wanneer benauwdheid en angst over u zullen komen.” (Zo
spreekt de wijsheid in Spreuken 1:24-27. Vert.)
O, de Here zij u genadig, u die excuses maakt en brenge u ertoe nu op
Christus te zien. Nu, zeg ik, want de Schrift zegt: “Heden
is het de aangename tijd, heden is de dag des heils.” De
enige manier om een einde aan uw excuses te maken is niet door te bidden
of besluiten te nemen, maar door op Christus te zien. Daar hangt de
bloedende Heiland aan het kruis, Hij sterft als Rechtvaardige voor de
onrechtvaardigen om ons bij God te brengen; Hij lijdt daar opdat de zonde
vergeven zou worden. Zie op Hem, vertrouw uzelf aan Hem toe en u zult
gered worden. Mijn toehoorder, ik geef u nu, in Gods naam, deze
uitnodiging, dit bevel: vertrouw uw ziel toe aan Jezus de Zoon van God,
Die voor de zonde leed en u zult gered worden. Maar denk hieraan:
misschien zie ik u nooit weer aan deze zijde van het graf, maar ik zal u
allen ontmoeten op Gods grote dag en als u Christus niet aanneemt en niet
op Hem vertrouwt, dan ben ik vrij van uw bloed. U kunt uw veroordeling mij
niet ten laste leggen. U hebt het evangelie gehoord, er is u verteld om op
Jezus te vertrouwen zoals u bent. Er is u verzekerd dat Hij volkomen kan
behouden wie tot Hem komen. Er is u gevraagd om te komen en nu zal, als u
niet komt, het verderf van uw ziel op uw eigen hoofd zijn. Maar moge de
Geest van God deze dingen nemen en ze aan uw ziel toepassen. Moge Hij zijn
als een vuur en een hamer in uw ziel: als een vuur om te smelten, of als
een hamer om te breken; en moge u vandaag met een gebroken hart Christus
aannemen om uw Heiland te zijn, zowel nu als voor eeuwig. Amen.
©
Copyright vertaling 2006 B. Kroeze, Doldersum.
Alle rechten voorbehouden. info@mannavoorpelgrims.nl
Zie voor copyrightregels: www.mannavoorpelgrims.nl
|