|
|
HET WERK
DER GENADE, DE VOLMACHT TOT GEHOORZAAMHEID
Printversie:
Een
toespraak gehouden op zondagmorgen 15 juni 1879, door C.H. Spurgeon, in de
Metropolitan Tabernacle.
(Ten
behoeve van het Mansion House Fund voor de ziekenhuizen van Londen.)
“Die mij gezond gemaakt heeft, Die heeft tot
mij gezegd: ‘Neem uw bed op en wandel.’” – Johannes 5:11.
Even een paar opmerkingen over het verhaal
zelf. Het was een feestdag en Jezus Christus was naar Jeruzalem gekomen om
gelegenheden te vinden iets goeds te doen onder de grote massa’s van
Zijn landgenoten. Ik zie de gehele stad blij; ik hoor de stem van de
vreugde in elk huis wanneer ze het grote feest houden, het beste voedsel
eten en het zoete drinken. Maar waar houdt Jezus het feest? Hoe brengt Hij
deze heilige dag door? Hij wandelt temidden van de armen, die Hij zo enorm
liefheeft. Zie Hem in het ziekenhuis. Er was in Jeruzalem een opmerkelijk
huis der genade, Bethesda genaamd: het was een armzalige voorziening voor
de vele zieken van de stad, maar als zodanig werd het enorm geprezen. Er
was een badwater, waar zo nu en dan beweging in werd gebracht door de
vleugel van een engel en waar af en toe genezing werd bewerkt; rondom het
water hadden vriendelijke mensen vijf zuilengangen gebouwd en daar op de
koude stenen treden lagen een aantal blinden, kreupelen en wegkwijnende
mensen, elk op z’n eigen miserabele matras, wachtend op de beweging van
het water. Daar waren de mensen, moe van pijn, afgemat, terwijl anderen
aan het feesten waren; zij werden gekweld door pijn temidden van de
algehele vreugde; zij zuchtten, terwijl er overal werd gezongen. Onze Here
was thuis temidden van deze barmhartigheid, want hier was er ruimte voor
Zijn teder hart en machtige hand. Hij verheugde Zich in Zijn ziel door
goed te doen. Laten we deze les leren, geliefde vrienden, dat in tijden
van onze schitterendste vreugde we aan de bedroefden moeten denken en een
nog hoger vreugde vinden door hen goed te doen. Het betaamt ons om,
wanneer een dag blij is voor onszelf, het naar verhouding ook zo te maken
voor de zieken en armen rondom ons. Laten we het feest vieren door een
deel te sturen naar diegenen voor wie niets is toebereid, want anders
zouden de uitgehongerde mensen een vloek kunnen brengen over ons feesten.
Wanneer wij voorspoedig zijn in zaken, laten we dan een deel aan de kant
leggen voor de armen. Wanneer we vol gezondheid en energie zijn, laten we
ons dan diegenen herinneren, die deze voorrechten worden onthouden en
diegenen helpen, die voor deze armen zorgen. Gezegend zullen zij zijn die,
net als de Here Jezus, de zieken bezoeken en voor hen zorgen.
Toen
onze Here het ziekenhuis binnenging, viel Hem een bepaalde man op wiens
geval heel erg triest was. Er waren daar veel trieste gevallen, maar Hij
koos deze man uit en het lijkt erop, dat de reden voor Zijn keuze was, dat
het arme schepsel er van iedereen het ergst aan toe was. Als ellende een
beroep zou kunnen doen op medelijden, dan zou het zo zijn: hoe meer iemand
lijdt, des te meer barmhartigheid naar hem toe zal trekken. Dit arme
slachtoffer van reuma of verlamming was achtendertig jaar lang gebonden
geweest door z’n kwaal. Laten we hopen dat er in alle zuilengangen van
Bethesda geen erger geval was! Achtendertig jaar is meer dan de helft van
de voorbestemde periode van een mensenleven. Eén jaar pijn of verlamming
is al een afmattende lange kwelling, maar denk eens aan achtendertig jaar!
Terecht kunnen we medelijden hebben met de man die de pijnscheuten van
reuma maar een uur te verdragen heeft, maar hoe zullen we genoeg
medelijden hebben met diegene, die bijna veertig jaar lang hier niet vrij
van is geweest? Zelfs wanneer het niet een geval van pijn betreft, maar
van verlamming, dan was deze onbekwaamheid om te werken en de armoede, die
daarbij hoorde, zoveel jaren lang, ongetwijfeld een groot kwaad. Onze Here
dan, kiest het ergste geval uit om te behandelen door Zijn genezende hand,
als een type van wat Hij vaak doet in het koninkrijk der genade en als een
les van wijsheid voor ons, opdat wij zo leren onze eerste hulp te geven
aan diegenen die het ’t meest nodig hebben.
De
man, die door Jezus werd genezen had helemaal geen aantrekkelijk karakter.
Onze Heiland zei tegen hem, toen hij werd genezen: “Zondig niet meer,
opdat u niet iets ergers overkome”, waaruit de niet onwaarschijnlijke
conclusie getrokken kan worden, dat zijn eerste kwaal hem was overkomen
door één of andere slechte daad, of buitensporige levenswandel. Op één
of andere manier was hij schuldig geweest aan datgene wat z’n lichaam
het lijden had gebracht, wat hij onderging. Nu, in het algemeen wordt het
als onbetwistbaar beschouwd, dat we hen moeten helpen, die het waard zijn,
maar diegenen weigeren, die het niet waard zijn, want wanneer een mens een
ramp over zichzelf brengt door verkeerd te doen, dan worden we
gerechtvaardigd wanneer we hem laten lijden, omdat hij dan oogst wat hij
heeft gezaaid. Deze koude farizese gedachte is erg aangenaam voor zielen
die er op uit zijn om hun geld te sparen. Het ontspringt in veel harten,
of liever op plaatsen waar harten behoren te zitten. Het wordt over ’t
algemeen beschouwd alsof het een regel van wijsheid zou zijn. Het zondig
zou zijn om over deze grondregel, die onfeilbaar is en algemeen, te
discussiëren. Nu, ik waag te zeggen, dat onze Heiland ons nooit heeft
geleerd onze aalmoezen te beperken tot degenen die het verdienen. Hij zou
nooit de grote aalmoes van de genade aan één van ons hebben geschonken,
als Hij die regel had uitgevoerd; als u en ik niet meer uit de handen van
God hadden ontvangen dan we verdienden, dan zouden we niet in dit huis van
gebed zijn geweest. We kunnen het ons niet veroorloven dat onze
liefdadigheid verschrompelt tot een soort kleinzielige gerechtigheid en
dat ons geven van aalmoezen verzuurt tot miniatuur afmetingen. Wanneer een
mens lijdt, laten we dan medelijden met hem hebben, hoe het lijden ook is
gekomen. Wanneer iemand al achtendertig jaar lang in ellende zat, dan werd
het tijd dat er meer gelet werd op zijn kwaal dan op z’n zonde en dat er
aan z’n verdriet van dat moment meer gedacht werd dan aan z’n vroegere
dwaasheid. Zo dacht Jezus en daarom kwam Hij tot de zondaar, niet met een
vermaning, maar met herstel; Hij zag eerder z’n ziekte dan z’n
verdorvenheid en gaf hem medelijden in plaats van straf. Onze God is
vriendelijk voor de ondankbaren en bozen; wees daarom barmhartig, zoals uw
Vader ook barmhartig is. Bedenk hoe onze Here zei: “Bid voor hen, die u
kwaad behandelen, opdat u kinderen mag zijn van uw Vader, Die in de
hemelen is, want Hij laat Zijn zon opgaan over bozen en goeden en Hij
zendt Zijn regen over rechtvaardigen en over onrechtvaardigen.” Laten we
Hem hierin navolgen; steeds wanneer er pijn en verdriet is, laat het dan
onze vreugde zijn om het te verlichten.
Behalve
het vermoeden dat deze man op een bepaald moment zeer schuldig was
geweest, lijkt het nogal duidelijk uit de tekst dat hij een arm,
onbekwaam, ontmoedigd, levenloos, onverstandig persoon was. Het was hem
nooit gelukt om in het badwater te komen, hoewel anderen dat wel hadden
gedaan, die even zwak waren als hij. Hij was nooit in staat geweest een
vriend voor zich te winnen of verzekerd te zijn van een helper, hoewel
door de buitengewoon lange duur van z’n ziekte je zou denken dat op één
of ander moment hij wel een mens gevonden zou hebben, die hem in het
badwater zou zetten, wanneer de engel er die mystieke beweging aan gaf. De
vraag van onze Heiland aan hem: “Wilt gij gezond worden?” brengt ons
ertoe om te denken dat hij in een lusteloze, wanhopige, neerslachtige
toestand terecht was gekomen en dat, hoewel hij dagelijks bij de rand van
het badwater kwam, bij wijze van gewoonte, hij niet alleen had opgehouden
te hopen, maar ook bijna had opgehouden om het te wensen. Onze Here raakte
de snaar aan, die ’t meest waarschijnlijk zou reageren, namelijk, zijn
wil en verlangen om gezond te worden, maar het antwoord was erg zwak. Zijn
antwoord laat zien wat voor een arm schepsel hij was, want er zit geen
greintje hoop in, of zelfs verlangen: het is een jammerklacht, een
hopeloze klaagzang, een triest beklag: “Ik heb niemand om, wanneer er
beweging in het water is, mij in het badwater te werpen: want terwijl ik
kom, daalt een ander voor mij af.” Maar de algehele geesteszwakte en het
gebrek aan hersenen van het arme schepsel wordt vooral gezien aan het feit
dat hij als een onnozele hals naar de vijanden van Christus ging en hen
vertelde dat het Jezus was, Die hem gezond had gemaakt. Ik ben er zeker
van dat er geen boos opzet bij was in het informeren van de vijanden van
onze Here, want als die er geweest zou zijn, had hij gezegd: “Het was
Jezus, Die me gebood mijn bed op te nemen”, terwijl hij het als volgt
onder woorden bracht: “Het was Jezus, Die mij genezen heeft.” Ik durf
echter nauwelijks te hopen, zoals sommigen doen, dat er veel dankbaarheid
in dit getuigenis lag, hoewel de arme ziel ongetwijfeld dankbaar was; ik
begrijp, dat zijn lang verdragen van de pijn, die inwerkte op een zwak
verstand, hem tot een bijna zwakzinnige gemoedstoestand had gebracht,
zodat hij sprak zonder na te denken. Onze Here verlangt daarom niet veel
van hem, Hij vroeg hem zelfs niet om een duidelijke belijdenis van het
geloof, maar slechts om die kleine mate ervan, die lag opgesloten in het
beantwoorden van de vraag: “Wilt gij gezond worden?” Deze arme man
legde niets aan de dag van de schranderheid van de blindgeborene, die zo
scherp antwoord gaf aan de Farizeeën; hij was van een heel ander type en
kon niet meer doen, dan z’n eigen geval aan Jezus voorleggen. Dank God
dat dit zelfs genoeg was voor onze Here om ermee te werken. De Here Jezus
redt mensen van allerlei soort. Hij heeft onder z’n discipelen mensen
met een vlugge en slagvaardige geest, die hun tegenstanders te snel af
kunnen zijn, maar ook anderen. Hier kiest Hij deze arme onnozele hals en
bewerkt een groot wonder in hem, tot de buitengewone lofprijs van Zijn
neerbuigende genade.
Let
er goed op dat het verstand van deze man, hoewel het niet veel was, geheel
in beslag genomen was door het feit dat hij genezen was. Jezus was voor
hem “Degene Die hem genezen had”. Van de persoon van Jezus wist hij zo
goed als niets, want hij had Hem maar een ogenblik gezien en toen wist hij
niet, dat het Jezus was: zijn enige gedachte over Jezus was: “Hij, Die
mij gezond gemaakt heeft.” Nu, geliefde broeders, dit was
vanzelfsprekend in zijn geval en het zal even vanzelfsprekend zijn in het
onze. Zelfs wanneer de geredden intelligenter zijn en meer verstand hebben
dan deze arme verlamde, moeten ze toch hoofdzakelijk denken aan de Zoon
van God als hun Redder, als Degene Die hen genezen heeft. Als ik niet veel
weet met betrekking tot de Here, weet ik toch wel dat Hij mij gered heeft.
Ik was beladen met schuld, vol ellende en kon dag noch nacht rust vinden
totdat Hij mij vrede gaf. Als ik niet veel kan vertellen wat betreft de
heerlijkheid van Zijn Persoon, Zijn eigenschappen, Zijn verwanten, Zijn
ambten of Zijn werk, toch kan ik zeggen: “Eén ding weet ik, dat ik, die
blind was door dwaling, nu zie; dat ik, die verlamd was door de zonde, nu
rechtop kan staan en in Zijn wegen wandel.” Deze arme ziel kende de Here
uit ervaring en dat is de beste manier om Hem te kennen. Werkelijk contact
met Hem geeft een betrouwbaarder en zuiverder kennis dan al het lezen in
de hele wereld. In het Koninkrijk van Christus doen zich wondervolle
feiten voor, zoals bekering en vrede vinden met God; gelukkig zijn zij
voor wie deze feiten persoonlijke ervaringen zijn. Wanneer mensen worden
bekeerd van de dwaling van hun wegen en wanneer hun hart rust en vrede
vindt in Christus, dan worden er grote daden door de Here Jezus gedaan;
als u bekend bent met deze twee dingen, wees niet bang, zelfs al zou u van
een heleboel andere dingen onkundig zijn, om hun belangrijkheid te
overdrijven, maar richt uw denken erop en noem Jezus met die naam, -
“Hij, Die mij gezond gemaakt heeft.” Denk aan Hem vanuit dat aspect en
u zult een waardevol en invloedrijk denkbeeld van Hem hebben. U zult
grotere dingen zien dan deze, maar laten voor het heden deze gelukkige en
betrouwbare feiten veel in uw gedachten zijn, zoals deze man veel bezig
was met het feit dat hij gezond gemaakt was.
Maar
wat betreft de twistzieke Farizeeën, u merkt dat ze helemaal niet letten
op het heerlijke feit van de genezing van de man; ze ontkenden moedwillig
wat Christus had gedaan, maar ze stortten zich geheel op die kleine,
onbetekenende omstandigheid, dat het op de sabbatdag was gebeurd en toen
besteedden ze al hun aandacht en emoties aan dat ene ondergeschikte punt.
Ze zeggen niets van de genezing van de man, maar ze gaan tekeer, omdat hij
op de sabbatdag z’n bed droeg. Precies zo gaat het ook vandaag met de
mensen van deze wereld. Uit gewoonte ontkennen ze het feit van bekering;
als ze het niet loochenen, dan zien ze ’t als een kleinigheid, als een
zaak waar ze zich niet druk om maken. Wat geven ze er om, als ze de hoer
gereinigd zien worden en de dief eerlijk gemaakt, de lasteraar echt
gelovig, de wanhopige blij
gemaakt en de andere zedelijke en geestelijke veranderingen van praktische
waarde. Ze vergeten dit allemaal en ze vallen een speciaal punt van de
leer aan, of een manier van spreken of een ander gedrag en ze verwekken
daar opschudding over. Komt het omdat de feiten zelf, als er eerlijk naar
gekeken wordt, iets zouden bevestigen wat zij niet wensen te geloven? Het
feit dat het Christendom in de wereld wonderen bewerkt, zoals niets anders
dat ooit deed, vergeten ze hardnekkig, maar dit feit is juist, wat u en ik
ons voortdurend moeten blijven herinneren. We moeten rusten op hetgeen
Christus door Zijn Heilige Geest in onze natuur heeft gedaan, door ons te
vernieuwen in de geest van ons denken; we moeten dit werk der genade maken
tot een bron van argumenten die ons geloof zullen bevestigen en ons gedrag
zullen rechtvaardigen. Deze arme man deed dat. Hij wist niet veel anders,
maar dat hij genezen was, wist hij en uit dat feit rechtvaardigde hij
zichzelf voor wat hij had gedaan. “Hij, Die mij gezond gemaakt heeft,
Die heeft tot mij gezegd, neem uw bed op en wandel.”
Dit
is de waarheid waarbij ik vanmorgen wil blijven stilstaan – ten eerste,
door te zeggen dat het werk van Christus ons voorziet van een
rechtvaardiging voor onze gehoorzaamheid aan Zijn bevel –
“Hij, Die mij gezond gemaakt heeft, Die heeft tot mij gezegd” – dat
is onze volledige rechtvaardiging voor wat wij doen. In de tweede plaats,
het werk van Christus legt ons de verplichting op om datgene te doen
wat Hij ons opdraagt – als Hij, Die mij gezond gemaakt
heeft, tot mij zegt: “Neem uw bed op en wandel, dan ben ik verplicht dat
te doen en ik dien de verplichting te ervaren, die door Zijn goedheid op
mij rust; en, in de derde plaats, het is niet alleen een verdediging en
een plicht, maar de daad van genade wordt ook een dwang tot
gehoorzaamheid – Hij, Die tot mij zei: “Sta op”, en
mij zo gezond maakte, liet door datzelfde woord van macht mij mijn bed
opnemen en lopen. De kracht, die ons redt, beweegt ons ook onze Heiland te
gehoorzamen. Niet met onze eigen kracht vervullen wij de wil van onze
Here, maar met de kracht die de Genezer ons op datzelfde ogenblik geeft. U
ziet zo de bedoeling van onze toespraak. Moge de Heilige Geest ons leiden
in de kracht van deze waarheid, want ik ben ervan overtuigd, dat een
ervaring van het werk van de Here in ons, een grote kracht is en
aangemoedigd moet worden en toegepast voor het hoogste doel.
I. Ten eerste dan, dit is onze RECHTVAARDIGING voor wat wij
doen, wanneer wij Christus gehoorzamen. Deze arme man kon de daad van het
oppakken van zijn bed en het lopen, niet verdedigen, want zijn vijanden
waren geleerd in de wet en dat was hij niet. U en ik zouden het heel
gemakkelijk kunnen verdedigen, want het lijkt ons een zeer gepast iets om
te doen onder die omstandigheden. Het gewicht van zijn bed was niet veel
meer dan dat van een gewone, lange jas; het was een eenvoudig kleedje of
matje waarop hij lag; het was echt geen overtreding van Gods wet over de
sabbat en daarom hoefde er niets verontschuldigd te worden. Maar de
rabbi’s hadden regels bedacht, waarvan ik u maar één voorbeeld zal
geven: “Het is onwettig om
een zakdoek los in de broekzak te dragen”, maar als u die vastspeldt aan
uw broekzak of vastknoopt als een gordel rond uw middel, dan mag u die
overal meedragen, omdat het een deel van uw kleding wordt. Voor mijn
nuchtere verstand zou het hebben geleken dat die speld de zware last zou
doen toenemen en dat op die manier het gewicht van de speld meer dan
noodzaak was! Dit was volgens de inschatting van de rabbijnen een zeer
gewichtige zaak. De meeste bepalingen van de rabbijnen met betrekking tot
de sabbat waren absoluut belachelijk, maar deze arme man was niet in een
positie om dat te zeggen of zelfs te denken, want, net als de rest van
z’n landgenoten, had hij respect voor de schriftgeleerden en leraren.
Deze geleerde Farizeeën en priesters werden te zeer gerespecteerd door
dit arme schepsel, dan dat hij hen op hun eigen manier antwoord zou kunnen
geven, maar hij deed wat u en ik altijd moeten doen wanneer we helemaal in
verwarring gebracht zijn: hij verborg zich achter de Here Jezus en
pleitte: “Hij, Die mij gezond gemaakt heeft, Die heeft tot mij gezegd,
neem uw bed op.” Dat was helemaal genoeg voor hem en hij citeerde het,
als vond hij, dat het genoeg moest zijn voor degenen die hem vragen
stelden. Zeker behoorde het ook zo te zijn. Ik kan misschien niet in mijn
eigen kennis en bekwaamheid een gezag vinden, wat gelijk is aan het gezag
van die geleerde ongelovigen, maar mijn persoonlijke ervaring van de
kracht der genade zal mij in een even goede positie brengen als de
genezing van deze arme man dat bij hem deed. Hij redeneerde dat er in de
Mens, Die hem gezond gemaakt had, genoeg gezag moest zijn om de groots
mogelijke rabbijn die er ooit had geleefd, te evenaren. Zelfs zijn arme,
zwakke verstand kon dat snappen en zeker kunnen u en ik hetzelfde doen; we
kunnen onszelf verdedigen achter de borstwering van het genadewerk van
onze Heiland, en het daaruit voortkomende gezag, dat Hem toebehoort.
Er
zijn bepaalde inzettingen waaraan een christen zich dient te
houden en waarover de wereld een storm van vragen oproept. De wereld let
er niet op dat deze man, die ooit een dronkaard was, door de Goddelijke
genade nuchter is geworden en zo een goede vader is geworden en een goede
echtgenoot en een goed burger. De wereld laat dat wonder onopgemerkt
voorbijgaan, maar dan gaat hij gedoopt worden en meteen maken ze bezwaar
tegen deze inzetting, of hij gaat zich bij een christelijke gemeente
voegen en meteen bespotten ze hem als een Presbyteriaan, of een Methodist,
alsof het uitmaakt wat voor soort naam ze hem geven, als hij maar een
beter mens is dan zij zelf zijn en hij verlost is van de zonde en geleerd
heeft rechtvaardig, eerbaar en rein te zijn voor het aangezicht van God.
Het werk der genade betekent niets voor hen, maar juist over het
bijzondere van een geloofsgemeenschap of het bijzondere van een
godsdienstige plechtigheid wordt heel veel ophef gemaakt. Blinde schepsels
zijn het, om het medicijn dat geneest, te verachten, vanwege de fles waar
het in zit, of het etiket waar de naam op staat. Ons antwoord is echter:
“Hij, Die ons gezond gemaakt heeft”, Die heeft ons een bevel gegeven
en bij dat bevel willen we blijven. We zoeken slechts deze verdediging,
dat Hij, Die een wonder van genade in ons heeft bewerkt, ons heeft geboden
het te doen. Wat gebeurt er als ik op het punt sta om als gelovige gedoopt
te worden? Dezelfde, Die zei: “Geloof”, zei ook: “Laat u dopen.”
Hij, Die me gered heeft, is het ook Die zei: “Wie gelooft en zich laat
dopen, zal behouden worden.” Boven alle bezwaren plaatsen we het
Goddelijke gezag van Jezus. Hij, door Wiens bloed wij gereinigd worden en
door Wiens Geest wij vernieuwd worden, is onze Here en Wetgever. Zijn
gebod is een voldoende volmacht voor ons. Als we naar de Avondmaalstafel
gaan en spotters zeggen: “Wat voor zin heeft het om een stukje brood te
eten en een druppel wijn te drinken? Waarom zo plechtig doen over zo iets
gerings?”, dan antwoorden wij: “Die ons gezond gemaakt heeft, Die
heeft tot ons gezegd: ‘Doe dit tot Mijn gedachtenis.’” We zweren
alles af wat Hij niet heeft ingesteld, maar we houden vast aan Zijn
geboden. Als Hij een ritueel had bevolen dat nog onbeduidender was, of een
ceremonie die nog meer bezwaren opriep in de ogen van de vleselijke mens,
dan zouden we geen ander verweerschrift hebben dan dit: “Hij, Die ons
opnieuw heeft geschapen en ons de hoop op de hemel heeft gegeven en ons
ertoe gebracht heeft volmaakte heiligheid te zoeken, Hij heeft ons geboden
het te doen. Dit is ons uiteindelijke antwoord en al zouden we andere
rechtvaardigingen kunnen vinden, ze zouden overbodig zijn. Laat dat staan
als onze verdedigingsrede: “De Heiland gebiedt het.”
Hetzelfde
verweer kan gebruikt worden voor alle leerstukken van het
evangelie. Ik zeg opnieuw: goddeloze mensen zullen niet toegeven, of als
ze toegeven zullen ze het negeren, dat het evangelie een wondervolle
verandering bewerkt in de harten van de mensen. Als ze het bewijs daarvan
willen hebben, kunnen we honderden of duizenden voorbeelden geven van de
verbeterende, verheffende en reinigende kracht van het evangelie van Jezus
Christus. Het evangelie bewerkt dagelijks geestelijke wonderen, maar dit
vergeten ze en ze gaan door met de muggenzifterij op de bijzondere
leerstukken. Over de rechtvaardigmaking door het geloof hebben ze vaak
onenigheid. “Welnu,” zeggen ze, “dat is een schokkende leer: als u
de mensen leert dat ze gered worden door het geloof alleen en niet door
hun werken, dan zullen ze natuurlijk een losbandig leven gaan leiden; als
u voortdurend verklaart dat de redding alleen uit genade is en niet uit
verdienste, dan zal het onvermijdelijke resultaat zijn dat de mensen
zullen zondigen, opdat de genade zal toenemen.” We vinden een volledig
antwoord op deze beschuldiging in het feit dat zij, die geloven in de
rechtvaardigmaking door het geloof en in de leer der genade, tot de beste
en reinste mensen behoren en dat in feite, deze waarheden heiligheid
bewerken, maar zo redeneren hoeft van ons niet. We geven er de voorkeur
aan onze tegenstanders eraan te herinneren dat Hij, Die ons wedergeboren
heeft doen worden, ons zelf heeft geleerd, dat een ieder, die in Hem
gelooft, gered zal worden en dat Hij met nadruk heeft verklaard, dat wie
in Hem gelooft, eeuwig leven heeft. Door de mond van Zijn dienstknecht
Paulus heeft Hij gezegd dat mensen door genade worden gered, door het
geloof en dat niet uit henzelf, het is een gave van God. Hij heeft ons ook
verteld, dat door werken der wet geen vlees gerechtvaardigd zal worden en
Hij heeft ons geboden te verklaren dat “de rechtvaardige door het geloof
zal leven.” Hij, Die dagelijks door Zijn evangelie mensen van de zonde
afkeert tot heiligheid, heeft dit als een samenvatting van het evangelie
gegeven dat we moeten prediken: “Zie op Mij en wordt behouden, alle
einden der aarde.” Als dit evangelie mensen niet beter maakt en niet hun
slechte natuur verandert, dan kunt u het in twijfel trekken, als u dat
wilt en wij verbazen ons niet, als u dat zou doen. Maar terwijl het
doorgaat met haar reinigende werk, zullen we niet schaamrood worden of
stamelen, wanneer we de leerstukken verklaren, die het wezen en het leven
ervan zijn. Onze wedergeboorte bewijst voor ons het gezag van onze Here en
we zijn bereid daarop onze geloofsbelijdenis te funderen. Voor ons is Zijn
werk in ons het beste bewijsmiddel en in dat bewijsmiddel stellen we
onvoorwaardelijk vertrouwen.
Hetzelfde
is ook van toepassing op al de voorschriften waartoe de
christen opgeroepen wordt om die te gehoorzamen. Bijvoorbeeld, als hij
trouw is aan zijn vaandel, dan houdt hij zich verre van al de zondige
pleziertjes, daden en politiek van deze wereld, waarin anderen behagen
scheppen en als gevolg daarvan zegt de goddeloze wereld dat hij apart is,
precies en eigenzinnig. Dit is het antwoord voor alle christenen: “Hij,
Die ons gezond gemaakt heeft, Die heeft tot ons gezegd: ‘Gij zijt niet
van deze wereld, zoals Ik niet van deze wereld ben. Ga uit het midden van
hen en zondert u af, raakt het onreine niet aan en Ik zal u
aannemen.’” Als u de voorschriften van de Here Jezus Christus volgt,
kunt u alle beschuldigingen van apart zijn het hoofd bieden door de
opperheerschappij van de Heiland te benadrukken, Wiens macht u tot een
nieuw schepsel heeft gemaakt. Waar Zijn Woord is, daar is macht, waar we
meteen voor buigen. Het is niet aan ons om vragen te stellen over onze
Heiland, maar om Hem te gehoorzamen. We worden gereinigd door Zijn bloed,
we zijn verlost door Zijn dood en we leven door Zijn leven en daarom
schamen we ons niet om Zijn kruis op ons te nemen en Hem te volgen.
Dit
verweer moet voldoende zijn, zelfs voor hen die ons tegenstaan, want als
zij zich even dankbaar voelden als wij dat doen, zouden ze ook
gehoorzamen. Zij behoren in elk geval te zeggen: “We kunnen deze mensen
er niet van beschuldigen dat ze dingen doen, die Jezus hen opdraagt, omdat
Hij zoveel voor hen gedaan heeft.” Zeker, de arme man, die achtendertig
jaar verlamd was geweest, kon er niet van worden beschuldigd, dat hij het
gebod gehoorzaamde van Degene, Die hem in één ogenblik genas en hem
gezondheid en kracht gaf. Als hij z’n leven lang Zijn dienstknecht werd,
wie zou hem dan kunnen berispen? Wie zou zeggen dat hij zich te
gemakkelijk onderwierp? Zou zo’n Weldoener niet een grenzeloze invloed
op hem uitoefenen? Wat zou meer humaan en gepast zijn? Nu, u onbekeerde
mensen moet ons niet kwalijk nemen als wij, in gehoorzaamheid aan onze
Here Jezus, veel dingen doen, die u erg vreemd lijken, want hoewel we niet
onnodig aanstoot willen geven, kunnen we u niet een genoegen doen met het
risico onze Here onwelgevallig te zijn. We zijn niet zoveel aan u
verschuldigd als we aan Hem verschuldigd zijn. We zijn niet zoveel aan de
hele wereld verschuldigd als we verschuldigd zijn aan de Here Jezus; in
feite, om de waarheid te zeggen, we vinden niet dat we iets aan de wereld
verschuldigd zijn. Er is voldoende tijd voorbij gegaan met het doen van de
wil van de heidenen, want wanneer ons de vraag wordt gesteld: “Wat voor
vrucht had gij in die dingen waarvoor gij u nu schaamt?”, dan moeten we
belijden, dat we geen vruchten hadden, behalve de zure druiven,die onze
tanden slee hebben gemaakt. Zoals de scheepslieden, die met het schip de
zee opgingen, tegen het advies van Paulus in, is onze enige winst, verlies
en schade geweest. Bij het dienen van de wereld ontdekten we de
vermoeidheid van de arbeid en het loon van de dood, maar wat betreft de
Here Jezus, aan Hem hebben we alles te danken en dus moet u het ons niet
kwalijk nemen als we proberen Hem in alles na te volgen. Het lijkt ons dat
dit een verontschuldiging is die u van ons moet accepteren als geheel
voldoende, maar als u die weigert, dan zijn we daarom helemaal niet
ontmoedigd, want voor ons is het helemaal voldoende, ja,
meer dan voldoende, het laat ons roemen in wat wij doen. Heeft Jezus het
bevolen? Dan is het aan ons om te gehoorzamen. Mensen die bezwaar maken,
kunnen aangaande één van Zijn inzettingen zeggen, dat het niet geschikt
is voor het klimaat, dat het aanstootgevend is, dat het onnodig is, weet
ik veel wat ze allemaal zeggen: dit is onze zorg niet. Als Jezus ons
opdroeg het te doen, dan staat Zijn bevel voor
ons in de plaats van redeneren. Hij, Die ons gezond gemaakt heeft,
geeft ons een voldoende excuus om te gehoorzamen wat betreft juist dit
feit. “O, maar het gaat in tegen wat de vaderen leerden en tegen wat de
kerk leert.” Wat al de vaderen en al de kerken leren, is ons geen knip
voor de neus waard als ze ingaan tegen wat onze Here leert, want zij
hebben ons niet gezond gemaakt en we zijn aan hen niets verplicht, zoals
we het aan Hem zijn. Het gezag van Jezus gaat boven alles uit, omdat we
van Zijn lippen het Woord hebben ontvangen, dat de ziekte van onze zonde
heeft genezen. Dit is voldoende voor ons geweten en het zal dat ook zijn
temidden van de ernst van de dood. Hoe kunnen we een vergissing maken als
we de woorden van Jezus in alle dingen volgen? Mijn broeders, we kunnen
pleiten op Zijn gebod als onze volmacht op de laatste grote dag, voor de
Rechter van levenden en doden. Welke betere pleitgrond kunnen we hebben
dan dit: “U hebt ons gezond gemaakt en U hebt ons geboden dit te
doen”? Zo’n rechtvaardiging van ons gedrag zal ons doodskussen zacht
maken en onze opstanding helder van vreugde.
Laten
we, in plaats van toe te geven dat dit niet een ruimschoots voldoende
rechtvaardiging is, voortdurend voortgaan in de kracht ervan. Als de
wereld ons als vuil beschouwd vanwege ons gehoorzamen aan onze Here, laten
we dan nog vuiler worden; in zoverre Hij, Die ons gezond gemaakt heeft,
zegt: “Ga in heel de wereld en predik het evangelie aan heel de
schepping”, laten we ons dan inspannen om overal de lieflijke geur van
Zijn Naam te verspreiden en om onszelf toe te wijden naar lichaam, ziel en
geest aan de verbreiding van Zijn Koninkrijk. Hij, Die ons gezond gemaakt
heeft, zal de wereld ook gezond maken door Zijn eigen wondervolle kracht.
Hebben we zo niet overvloedig laten zien, dat het bevel van onze Here een
betrouwbare rechtvaardiging van ons gedrag is?
II. En nu, ten tweede, de genezing bracht EEN VERPLICHTING met
zich mee: “Hij, Die mij gezond gemaakt heeft, Die heeft tot mij gezegd:
‘Neem uw bed op en wandel.’” Het argument neemt deze vorm aan: ten
eerste: als Hij mij gezond gemaakt heeft, is Hij Goddelijk, anders had Hij
dit wonder niet kunnen doen; of op z’n zachtst gezegd: Hij moet
Goddelijk gezag hebben en als Hij Goddelijk is, of Goddelijk gezag heeft,
dan heb ik de opdracht de bevelen te gehoorzamen, die Hij geeft. Is dat
niet een duidelijk argument dat zelfs de arme, eenvoudige geest van de
verlamde man kon begrijpen en hanteren? Laten we proberen zelf de kracht
van dat argument te ervaren. Jezus, Die ons heeft gered, is onze God;
zullen we Hem niet gehoorzamen? Daar Hij bekleed is met Goddelijke macht
en majesteit, zullen we dan niet nauwgezet trachten Zijn wil te kennen en
ijverig trachten om het op elk punt uit te voeren, zoals Zijn Geest ons in
staat zal stellen?
Behalve
het Goddelijke karakter wat door het wonder werd bewezen en
tentoongespreid, was er de goedheid die straalde in de daad van macht en
het hart van de arme man raakte. Zijn argument was: “Ik moet datgene
doen wat mijn grote Verlosser mij opdraagt. Hoe kunt u er anders over
denken? Heeft Hij mij niet gezond gemaakt? Wilt u hebben dat ik,
die Hij zo genadig heeft genezen, weiger om Zijn verlangen te vervullen?
Moet ik niet mijn bed opnemen op ’t ogenblik dat Hij mij kracht geeft om
het te doen? Hoe zou ik anders kunnen handelen? Zou dit dan de beloning
moeten zijn die ik aan mijn goede Arts geef, dat ik meteen weiger te doen
wat Hij van mij vraagt? Ziet u niet dat ik deze verplichting heb en dat
het een schande zou zijn om het te loochenen? Hij geneest deze ledematen
en ik ben verplicht om ermee te doen wat Hij mij opdraagt om ermee te
doen. Hij zegt: ‘Wandel’ en omdat deze voeten, die eens verschrompeld
waren, genezen zijn, zal ik dan niet lopen? Hij geeft mij de opdracht mijn
bed op te rollen en daar ik mijn handen niet kon gebruiken totdat zojuist
Zijn Woord er leven aan gaf, zal ik ze dan niet gebruiken om de bedmat op
te rollen naar Zijn opdracht? Deze arme schouders van mij waren gebogen
door zwakte, maar Hij deed mij rechtop staan en daar Hij mij nu opdraagt
mijn bed te dragen, zal ik dan niet mijn matras over mijn schouder gooien
en de gemakkelijke last dragen, die Hij op me legt?” Tegen zo’n
redenering was geen verweer mogelijk. Wat ook de aanspraak van Jezus op
anderen moge zijn, Hij had duidelijk het onbetwistbare recht op de
getrouwe gehoorzaamheid van iemand, die Hij volkomen had genezen.
Volg
me nu in ‘t kort hierin, broeders en zusters. Als u gered bent door de
genade van God, dan heeft uw redding u de verplichting gegeven voortaan te
doen wat Jezus u opdraagt. Bent u verlost? Dan bent u niet van uzelf, maar
u bent gekocht met een prijs. Bent u ten gevolge van wat de Here voor u
heeft gedaan, door u te bevrijden uit satanische slavernij, aangenomen in
de Goddelijke familie? Dan volgt hieruit duidelijk dat, omdat u zonen
bent, u gehoorzaam moet zijn aan de wet van het huisgezin, want is niet
dit het eerste grondbeginsel van het zoonschap, dat u eerbied hebt voor de
grote Vader van het gezin? Het heeft de Here behaagd uw zonden weg te
nemen, u hebt vergeving gekregen: maar vereist de genade geen verbetering?
Zullen we teruggaan naar de oude zonden, waarvan we zijn gereinigd? Zullen
we in de ongerechtigheden leven, waarvan we gewassen zijn door het bloed
van de Here Jezus? Dat zou afschuwelijk zijn om daar aan te denken. Het
zou voor een mens niet minder dan duivels zijn om te zeggen: “Ik heb
vergeving gekregen en daarom zal ik weer zondigen.” Er is geen vergeving
als er geen berouw is. De schuld van de zonde blijft op die mens in wie de
liefde tot de zonde nog blijft bestaan. Laten we de kracht hiervan in de
praktijk ervaren en voortaan reinheid en gerechtigheid najagen.
Broeders
en zusters in wie Christus Zijn grote werk heeft verricht, u hebt de
liefde van God ervaren en daarom bent u, als God u zo liefgehad heeft,
verplicht Zijn liefde te beantwoorden. Als God u zo liefgehad heeft, moet
u dan ook niet uw broeder liefhebben? Ontstaat de liefde tot God en de
liefde tot de mens niet als een zeker gevolg van de liefde Gods, die in
onze harten is uitgestort? Ziet iedereen niet de noodzaak ervan in dat de
ene liefde wel moet volgen op de andere? Maar liefde is de moeder der
gehoorzaamheid: dus alles wat verbonden is met onze Here stelt ons onder
de verplichting om Hem te gehoorzamen. Er is geen enkele zegen van het
verbond die niet noodzakelijkerwijs z’n overeenkomstige plicht met zich
meebrengt; hier durf ik nauwelijks te zeggen plicht, want
deze zegeningen van het verbond maken plicht tot ons voorrecht en
heiliging tot onze vreugde. Verlost van zonde willen we er voortaan niet
langer in leven: voortaan spannen we ons in als erfgenamen van de hemel om
het hemelse leven te leiden, zodat zelfs terwijl we hier beneden zijn,
onze wandel in de hemel mag zijn, van waar we de Heiland verwachten, de
Here Jezus Christus. Broeders, Hij Die u gezond gemaakt heeft, heeft dit
geboden, dat dit door u wordt gedaan. Ik adviseer u, dat u zich aan het
bevel van de Koning houdt. Zoals Maria zei tot de bedienden op de bruiloft
te Kana, zo zeg ik tot u: - “Wat Hij u ook zegt, doe dat.” Vraagt Hij
u om te bidden, bidt dan zonder ophouden. Gebiedt Hij u om waakzaam te
zijn en om te bidden, bewaakt dan elke daad en gedachte en woord. Gebiedt
Hij u uw broeders lief te hebben? Hebt hen dan vurig lief uit een rein
hart. Gebiedt Hij u hen te dienen en uzelf ter wille van Hem te
verootmoedigen? Doet dat dan en wordt de dienstknecht van allen. Heeft Hij
gezegd: “Weest heilig, want Ik ben heilig”? Streeft hier dan naar door
Zijn Heilige Geest. Heeft Hij gezegd: “Weest volmaakt, zoals uw Vader,
Die in de hemelen is, volmaakt is”?
Streeft dan naar volmaaktheid, want Hij Die u gezond gemaakt heeft,
heeft het recht om uw weg te leiden en het zal zowel uw veiligheid als uw
geluk zijn, als u zichzelf aan Zijn bevelen onderwerpt.
III. Genoeg echter hierover, want nu vestigen we in de derde plaats
uw aandacht op de tekst in de betekenis van DWANG – “Hij, Die
mij gezond gemaakt heeft, Die heeft tot mij gezegd, neem uw bed op en
wandel.” Hij maakte hem gezond door te zeggen: “Sta op en neem uw bed
op.” Het dragen van het bed maakte een wezenlijk deel van de genezing
uit. Het eerste deel van de genezing was “sta op”, maar het tweede was
“neem uw bed op”. Nu, het was niet een gewoon woord wat Jezus tot die
man sprak – bijvoorbeeld zo maar een woord van advies, waarschuwing, of
bevel, maar het was een woord vol macht, zoals het woord dat licht uit de
duisternis schiep. Toen de Here tot de arme man zei: “Sta op”, toen
stond hij op. Er ging een trilling door hem heen; die stagnerende
bloedvaten voelden het levensbloed bewegen en stromen; die niet werkende
zenuwen werden aangespoord tot gewaarwordingen van gezondheid, die
verschrompelde pezen en spieren spanden zich om krachtig te handelen, want
de Almacht had de machteloze man bezocht en hem genezen. O, het moet een
wondervolle vreugde zijn geweest voor het langdurig krachteloze, slappe en
machteloze gestel om zich weer gezond te kunnen bewegen en om er weer
bestand tegen te zijn blij een last te dragen. De blijde man rolde z’n
bed op, gooide die op z’n rug en stapte kwiek naar buiten. Het dragen
van het bed was een onderdeel van de genezing en het bewijs van de
genezing. De verlamde man was niet geroepen om te gaan overwegen of hij
wel of niet zou opstaan, maar Jezus zei: “Sta op”, en hij stond op;
hetzelfde Woord zei: “Neem uw bed op”, en het bed was meteen opgepakt
en overeenkomstig dat laatste Woord “wandel”, wandelde de man met
blijdschap. Het werd allemaal gedaan door de macht van die ene
doordringende zin, die er niet op wachtte om in twijfel getrokken te
worden, maar die het doel tot stand bracht waartoe de Here het had
gezonden. Niet onbereidwillig pakte de genezen man z’n bed op, toch deed
hij het onder dwang, want dezelfde macht die hem gezond maakte, maakte hem
gehoorzaam. Voordat de Goddelijke kracht hem had aangeraakt, leek hij
nauwelijks enige wil te hebben en de Here had gezocht om een wil in hem te
vinden door te zeggen: “Wilt gij gezond worden?” Maar nu wenst hij
blij z’n Weldoener te gehoorzamen en in de kracht van de opdracht voert
hij het bevel van de Here uit. Ik zeg dat het oppakken van z’n bed en
het lopen werd gedaan doordat Christus hem daartoe in staat stelde en het
werd gedaan doordat Christus hem daartoe dwong; ik hoop vurig dat u uit
evaring mag weten wat dit betekent. Wat ik wil dat u ervaart, is dit:
“Ik kan er niets aan doen dat ik Christus gehoorzaam, want door Zijn
Heilige Geest heeft Hij mij een leven binnengeleid, dat nooit zal sterven
en nooit overwonnen zal worden. Hij heeft een Woord in mij gesproken dat
een blijvende macht over mij heeft en me voortdurend totaal doordringt. Ik
kan er niets meer aan doen dat ik probeer Christus te gehoorzamen, dan dat
deze man er iets aan kon doen, dat hij z’n bed droeg toen de Here, door
een woord van macht, hem de opdracht gaf om dat te doen.”
Broeders,
kijk hier naar en wees onderwezen en gewaarschuwd. Aarzelt u deze morgen
om de dienst aan uw Here te aanvaarden, omdat u zich bewust bent van
zwakheid? Heeft de duivel u verzocht om u terug te trekken om te
gehoorzamen, omdat u zich onbekwaam voelt? Aarzelt u? Siddert u? U moet
zeker weer tot de Here naderen en Zijn stem opnieuw horen. Neem uw Bijbel
en laat Hem weer tot u spreken vanuit het Woord en moge dezelfde trilling,
die u wakker maakte uit uw doodsslaap, u nu wakker maken uit uw
tegenwoordige apathie. Het is nodig dat het levende Woord van God uw ziel
weer diep zal treffen met diezelfde wondervolle kracht die er eerst in
was. “Here, maakt U mij levend”, is het gebed van David, maar het komt
mij iedere dag gelegen en ik denk dat de meesten van Gods volk er goed aan
zouden doen hier dagelijks gebruik van te maken. “Here, gebiedt leven
in mij, zoals U dat eerst deed. Gebied macht, gebied geestelijke kracht in
mij.” “De liefde van Christus dwingt ons”, zegt de apostel: deze
dwang willen we graag steeds meer en meer ervaren. We hebben levenslang
het Goddelijke leven nodig om ons verder te leiden naar daden van
gehoorzaamheid. We willen niet de wil op zich vernietigen, maar we willen
dat hij levend gemaakt wordt tot een volledige dienstbaarheid aan de wil
van de Here. Zoals de ark van Noach op het droge, zo blijft de wil, door
z’n eigen doodse gewicht, op z’n plek. O, mocht er een vloed van
genade komen om hem in beweging te brengen, op te tillen, op te heffen en
hem mee te voeren door een machtige stroom. We zouden graag gedragen
willen worden door de liefde van Christus, zoals een stukje hout door de
golfstroom wordt meegevoerd, of als één van de stofjes die dansen in de
zonnestraal, zouden we graag meegevoerd worden door een ruisende wind.
Zoals de impuls, die begon, toen Jezus de arme man passief aantrof omdat
hij totaal niet in staat was om anders te zijn, hem toen aanzette tot
actieve beweging als met een voortsnellende kracht, moge het altijd zo met
ons zijn, ons leven lang. Mogen we ons voor altijd overgeven aan de
Goddelijke impuls. Passief te
zijn in de handen van de Here is een goed verlangen, maar om, wat ik zou
willen noemen, actief passief te zijn, blijmoedig onderworpen te zijn,
bereidwillig om onze wil op te geven, dit is een hogere geestelijke
gesteldheid. Wij moeten leven en toch niet wij, maar Christus in ons. Wij
moeten handelen en toch moeten we zeggen: “Hij, Die mij gezond gemaakt
heeft, Die heeft mij opdracht gegeven deze heilige daad te doen en ik doe
het omdat Zijn kracht mij daartoe beweegt. Als ik het goed heb gedaan, dan
leg ik de eer aan Zijn voeten; als ik hoop het in de toekomst goed te
doen, dan is dat omdat ik hoop op kracht van Hem om goed te doen en ik
geloof dat Hij in mij met diezelfde kracht zal werken die mij eerst
bekeerde.” Geliefden, spant u in om onder deze invloed te blijven. Moge
de Heilige Geest u daar brengen!
Mijn
laatste woord is een praktische les. In deze tegenwoordige tijd is de
gemeente van God hier op aarde vol verlangen om haar invloed te verbreiden
over de wereld. Voor de zaak van Christus wensen we dat de waarheden die
we prediken, erkend worden en de voorschriften die we uitspreken,
gehoorzaamd worden. Maar merk op, geen gemeente zal ooit enige macht
hebben over de menigten van dit of enig ander land, behalve in de mate
waarin zij hen goed doet. De dag is allang voorbij, waarop een gemeente
zou mogen hopen te kunnen overreden vanuit de pleitgrond van de
geschiedenis. “Kijk eens naar wie we waren”, is een nutteloze oproep:
de mensen geven alleen maar om wat we zijn. De gezindte die zich beroemt
op de verdorde lauwerkransen van de afgelopen eeuwen en ermee tevreden is
om vandaag niet actief te zijn, is dichtbij haar oneervolle einde. Bij de
wedloop van bruikbaarheid geven mensen vandaag de dag minder om de
afstamming van het paard, en meer om de snelheid waarmee het kan rennen.
De geschiedenis van een gemeente of gezindte is van weinig belang
vergeleken bij het praktische goed, dat het doet. Nu, als er één
gemeente onder de hemel kan laten zien, dat het de mensen eerlijk maakt,
bescheiden, rein, zedelijk, heilig, dat het de onwetenden opzoekt en hen
onderwijs geeft, dat het de gevallenen opzoekt en hen terug brengt op het
rechte spoor, dat het inderdaad morele wildernissen verandert in tuinen en
onkruid en wilde rozen weghaalt en het verandert in kostbare
vruchtdragende bomen, dàn zal de wereld bereid zijn te luisteren naar
haar oproep en erover nadenken. Als een gemeente haar bruikbaarheid niet
kan bewijzen, dan zal de bron van haar zedelijke kracht verdwenen zijn en
inderdaad zal er dan iets ergers dan dit gebeurd zijn, want haar
geestelijke kracht zal ook verdwenen zijn, want een onvruchtbare gemeente
is duidelijk zonder de vruchtbare Geest van God. Broeders, u kunt, als u
dat wilt, een predikant vereren met de naam van bisschop, u kunt uw
diakenen en ouderlingen prachtige officiële titels geven, u kunt uw
plaats van eredienst een kathedraal noemen, u kunt, als u dat wilt,
godsdienstoefeningen bijwonen met heel de voornaamheid van hoogdravende
ceremoniën, met muzikale versieringen en wierook en dergelijke, maar u
zult alleen de schijn van macht hebben over het menselijke denken, tenzij
u iets meer hebt dan dit. Maar als u een gemeente hebt, het maakt niet uit
hoe die wordt genoemd, die oprecht is, die heilig is, die leeft voor God,
die goede dingen doet in haar omgeving, die door de levens van haar leden
heiligheid en gerechtigheid verspreidt; kortom, als u een gemeente hebt,
die de wereld werkelijk gezond maakt in de Naam van Jezus, dan zult u op
de lange duur ontdekken dat zelfs de meest vleselijke en gedachteloze
mensen zullen zeggen: “De gemeente, die deze goede dingen doet, verdient
respect, laten we daarom eens horen wat ze te zeggen heeft.” Levende
bruikbaarheid zal ons niet beschermen tegen vervolging, maar het zal ons
wel behoeden voor minachting. Een heilige gemeente gaat met gezag tot de
wereld in de naam van Jezus Christus, haar Here, en deze kracht gebruikt
de Heilige Geest om menselijke harten te onderwerpen aan de waarheid. O,
dat de gemeente van God toch zou geloven in de macht van Jezus om zieke
zielen te genezen. Bedenk dat deze man, die achtendertig jaar ziek was,
langer ziek was geweest dan Christus op aarde had geleefd. Hij was al
zeven jaar gekweld voordat Christus werd geboren. En evenzo wordt deze
arme wereld reeds lang gekweld. Jaren voor Pinksteren, of voor de geboorte
van de huidige zichtbare gemeente, lag deze zondige wereld bij het
badwater en kon zich niet bewegen. We moeten er niet hopeloos om zijn,
want nog steeds zal de Here de zonde uitwerpen. Laten we in de Naam van
Jezus Christus gaan en het eeuwige evangelie verkondigen en zeggen: “Sta
op, neem uw bed op en wandel.” Het zal worden gedaan en God zal worden
verheerlijkt en wij zullen worden gezegend.
©
Copyright vertaling 2006 B. Kroeze, Doldersum.
Alle rechten voorbehouden. info@mannavoorpelgrims.nl
Zie voor copyrightregels: www.mannavoorpelgrims.nl
|