|
|
“ONMIDDELLIJK”
Printversie:
Een
toespraak, bedoeld om te lezen op zondag 16 april 1899, gehouden door C.H.
Spurgeon op zondagavond 15 januari 1882.
De tekst is
Mattheüs 4:20: “Zij lieten onmiddellijk hun netten liggen en volgden
Hem.” (King James Version)
“Zij lieten onmiddellijk hun netten liggen.” Onmiddellijk, zonder
aarzeling, zonder vraag, meteen, ter plekke, daar en toen, ogenblikkelijk,
op de roep van de Meester “lieten ze hun netten liggen en volgden
Hem.” Het was één van de kenmerken van het gezag en de kracht van onze
Heiland dat, wanneer Hij iets beval, de mensen gehoorzaamden. Uw geheugen
zal u helpen om u de vele voorbeelden te herinneren, waarin personen en
zelfs stoffelijke dingen, ogenblikkelijk gehoorzaamden, wanneer Christus
hen het bevel gaf. Satan en legioenen van demonen, ziekten van allerlei
aard en zelfs wind en golven – die dingen, die meestal onstuimig en
woest lijken te zijn – sloegen altijd acht op de wet, die van Zijn
lippen kwam. Wanneer Hij sprak, gebeurde het, want Zijn woord was met
kracht.
Dit
is een kenmerk van het krachtdadige roepen door de Goddelijke genade.
Steeds, wanneer het gebeurt, worden mensen ertoe geleid “onmiddellijk”
te gehoorzamen. Ik kan u roepen, zolang als ik wil; toch zult u op al mijn
roepen niet tot Christus komen, maar als Christus door Zijn Geest u roept,
zult u komen, ja, dan zult u “onmiddellijk” komen. Wanneer het bevel
van Christus met Goddelijke kracht wordt toegepast op de ziel, dan is er
een ogenblikkelijke overgave van het hart aan Hem en Zijn gebod wordt in
het leven gehoorzaamd. Beoordeel daarom uzelf, geliefde vrienden, of het
woord van God met kracht tot u is gekomen, of niet, want als het niet met
almachtige kracht is gekomen, maar u het slechts hebt gehoord, zoals ik
het uitsprak, dan zult u tot me zeggen, zoals Felix tot Paulus zei: “Ga
voor heden heen; wanneer ik weer eens een gelegenheid heb, zal ik u
roepen.” Maar als de waarheid, die verkondigd wordt, vergezeld wordt
door de kracht van de Heilige Geest, zal steeds, wanneer de Here spreekt:
“Zoek Mijn aangezicht”, uw hart antwoorden: “Uw aangezicht, Here,
zal ik zoeken.” Bidt tot de Here, u, die de roep van Zijn Geest hebt
gehoord en beantwoord, dat diezelfde oproep aan anderen gegeven mag worden
en het met kracht op hen mag worden toegepast tot de eer en heerlijkheid
van Gods genade.
Ik
ga op twee manieren één woord van mijn tekst gebruiken:
“onmiddellijk”. Ten eerste wijs ik erop, dat dit woord
“onmiddellijk” het motto
dient te zijn van alle christenen. Alle discipelen van de
Here Jezus Christus moeten dit woord als hun poolster nemen. Ten tweede: laten
alle zoekenden het ook als hun motto nemen: “onmiddellijk”.
Als u Christus wilt vinden, zoek Hem dan meteen, “onmiddellijk”.
I.
Ten eerste dan, laat dit woord “onmiddellijk” HET MOTTO ZIJN VAN ELKE
DISCIPEL VAN DE HERE JEZUS CHRISTUS.Toen ik vele jaren geleden preekte in
de Kathedraal van Genčve, gaven de broeders, nadat de dienst voorbij was,
mij een grote bronzen herdenkingsmedaille van Johannes Calvijn cadeau met
daarop deze zinsnede: “Hij volhardde, als ziende de Onzienlijke”. Dat
was voor hem een heel toepasselijk motto. Op de buitenkant van zijn
boekwerken staan deze woorden, welke ook een goede beschrijving van de man
geven: “Prompte et sincere in opere Domini.” – “Direct en oprecht
in het werk van de Here.” Ik was blij met deze twee motto’s en mijn
gebed was toen en is nog steeds, dat zij beide ook de mijne mogen zijn,
evenals van Calvijn. Ik bid dat ik mag volharden als ziende de Onzienlijke
en dat ik ook mag leven om die andere aanbeveling te verdienen: “Direct
en oprecht in het werk van de Here.” Ik geloof, dat wij allen, die de
Heiland liefhebben, oprecht zijn, maar we zijn niet allemaal even direct
als oprecht. U weet dat in de zakenwereld mensen van iemand houden, die
direct betaalt, op wie ze altijd kunnen vertrouwen. We houden ook van
mensen, die direct hun beloften uitvoeren, maar o, om direct te zijn in
het werk van de Here. Niet slechts het goede doen, maar het ook op het
goede moment doen. Dat goede moment is bijna altijd de tijd, die door mijn
tekst wordt aangeduid met “onmiddellijk”. “Wat uw hand ook vindt om
te doen, doe het met geheel uw kracht” en doe het meteen. Laat het niet
bij de stapel van goede bedoelingen liggen, maar als u wordt aangespoord
om het te doen, ga dan aan het werk en doe het ter plekke.
“Onmiddellijk”
dient het motto van de christen te zijn, ten eerste wat
betreft het gehoorzamen van de wetten van Christus. Op het moment
dat u, mijn geliefde vriend, door het geloof in Christus zich bevindt in
het Koninkrijk der hemelen, tracht dan een getrouw onderdaan te zijn, die
zich aan de wet houdt. Maria zei op het bruiloftsfeest te Kana tegen de
knechten over haar Zoon: “Wat Hij u ook zegt, doe het” en ik zeg
hetzelfde: “Wat Hij u ook zegt, doe het.” U hebt Hem nu aangenomen om
uw Here en Koning te zijn, praat hier niet alleen over, maar doe het en
doe het meteen. “Ik raad u aan”, zei Salomo, “het gebod van de
koning te houden.” Neem dat advies van Salomo aan en laat me er als een
aanhangsel aan toevoegen: “Houd de geboden van de koning
onmiddellijk.” Zodra iemand een gelovige in Christus wordt, is de
volgende stap voor hem, gedoopt te worden. De twee dingen worden in het
Nieuwe Testament voortdurend met elkaar verbonden. Onze Here zei: “Wie
gelooft en zich laat dopen, zal behouden worden.” Toen de kamerling bij
een zeker water kwam, vroeg hij aan Filippus: “Wat is er tegen, dat ik
gedoopt word?” Filippus antwoordde: ”Als u met uw gehele hart gelooft,
mag u gedoopt worden.” Ik voeg daar aan toe: “Als u met uw gehele hart
gelooft, dan mag u niet alleen, maar dan hebt u de plicht om volgens de
wet van het Koninkrijk van Christus het te doen.” Vertelt u me dat u
niet kunt zien, dat het uw plicht is? Ik wil u adviseren eerlijk de Bijbel
te onderzoeken, het onderwijs en de levenspraktijk van onze Here en Zijn
apostelen na te gaan met betrekking tot de doop der gelovigen. Als u
daarna nog steeds hetzelfde zegt, moet ik u aan uw Meester overlaten; ik
ben niet uw rechter.
Ik hoop
dat er geen vraag zal zijn bij iemand van u, die de Here liefheeft, wat
betreft het volgende punt. Het is de plicht van elke gelovige in Christus
om aan Zijn tafel te komen. Hij zei: “Doe dit tot Mijn gedachtenis.”
Hij gebiedt ons samen te komen in Zijn naam en Zijn dood te gedenken bij
het breken van het brood en het schenken van de wijn. Hoe kunt u dan
zeggen, dat u Zijn gehoorzame discipel bent als u tot nu toe deze
inzetting totaal hebt veronachtzaamd? “Onmiddellijk”, vriend,
gehoorzaam “onmiddellijk” beide inzettingen van het Koninkrijk en stel het niet langer uit.
Voeg uzelf ook
“onmiddellijk” bij het volk van God. Christus’ dienstknechten, de
gekochten door het bloed van Christus, worden “schapen”genoemd.
Schapen zijn groepsdieren; ze leven altijd in kudden. Voeg uzelf ergens
bij uw broeders. Als er kwaad van hen wordt gesproken, ga en laat er samen
met hen ook kwaad van u worden gesproken; probeer er niet beter af te
komen dan de rest van de dienstknechten van uw Meester, maar neem het
kruis van Christus op en volg Hem. Geef uzelf eerst aan Christus en daarna
aan ons of aan een andere christelijke gemeente overeenkomstig de wil van
God en doe dit “onmiddellijk”. En wat er ook blijkt de wet van het
huis te zijn - en de wet van het huis van Christus is heel duidelijk
beschreven in de evangeliën en de brieven - gehoorzaam de wet van het
huis en gehoorzaam die “onmiddellijk”.
Vervolgens,
geliefde vrienden, maak dit woord “onmiddellijk” tot uw motto wat
betreft het beginnen met de dienst voor Christus. U vraagt:
“Wanneer moet een gelovige beginnen te werken voor Christus?” Ik
antwoord: “Onmiddellijk.” Er zijn geen arbeiders voor de Meester, die
zo nuttig zijn als degenen, die nuttig beginnen te worden als zij nog jong
zijn. Soms bekeert God mensen op middelbare leeftijd of zelfs op de oude
dag en gebruikt hen dan in Zijn dienst, maar toch durf ik te beweren, dat
de kerkgeschiedenis laat zien, dat de meest bruikbare dienstknechten van
Christus diegenen waren, die vroeg werden gevangen en die vanaf hun jeugd
getuigenis aflegden van het evangelie van Christus. In elk geval vraag ik
u om zodra u ooit
bekeerd wordt, iets voor Jezus te doen om zo ook verder klaargemaakt te
worden voor toekomstig werk. In het geval van sommige oude mensen, die de
godsdienst al jaren belijden, maar die vervolgens zo goed als niets voor
Christus hebben gedaan, vind ik het heel erg moeilijk om hen ooit nog weer
in beweging te krijgen. Wanneer ik een zadel op hen leg, zijn ze erg
weerspannige dieren, zoals een paard, dat nooit afgericht is. Maar als ik
ze africht wanneer ze nog veulen zijn, raken ze gewend aan hun werk; het
wordt een genoegen voor hen en ze zouden niet gelukkig zijn, tenzij ze
iets voor de Here Jezus hadden te doen. Als Christus u verlost heeft,
geliefde vrienden, en u weet dat, begin dan “onmiddellijk” aan Zijn
dienst. Laat er hoe dan ook geen uitstel zijn, maar begin meteen te
arbeiden voor uw Here.
Ik herinner
me, dat ik heel wat bespottingen over me heen kreeg en een heleboel
berispingen van sommigen, die zichzelf heel erg verstandig vonden, omdat
ik begon te preken, toen ik zestien was. Ik kreeg het advies om in Jericho
te blijven, totdat mijn baard was gegroeid. Er werden me nog heel veel
andere adviezen gegeven, maar ik beken dat ik er nooit spijt van heb
gehad, dat ik een zeer jeugdige prediker van het Woord was. Als ik mijn
tijd weer over mocht doen, dan zou ik graag precies hetzelfde doen als ik
toen deed. O u, jonge mensen, die net bekeerd bent, probeer God meteen te
dienen, want als u uw jaren in ijdelheid doorbrengt, totdat de jongen
uitgegroeid is tot een volwassen man en een baard zijn kin siert, dan
vraag ik me af of hij niet een luiwammes zal zijn voor de rest van zijn
leven. Nee, nee, begin meteen te werken, “onmiddellijk”. Zoek uw plek
en ga daar staan. Vraag uw Meester u uw deel van het grote oogstveld toe
te wijzen en begin daar met geheel uw kracht te werken; blijf daar met
Gods hulp aan het werk tot uw sterfdag. “Onmiddellijk” dient uw motto
te zijn wat betreft de dienst aan uw Meester.
Terwijl ik dit
motto geef voor het begin van ons levenswerk, wil ik dit graag voorstellen
aan alle christenvrienden als een geschikt motto voor elk werk, zodra het zich
aandient. Als er iets goeds gedaan moet worden, wanneer zal ik het
dan doen? “Onmiddellijk.” Er bestaat geen betere tijd voor de
uitvoering van een goed plan. Hoeveel uitstekende projecten zijn een
poosje uitgesteld en daarom nooit uitgevoerd tot welzijn van de mensen!
Nu, geliefde vrienden, vooral u, die kinderen rondom u hebt, als u mij
vraagt: “Wanneer zal ik beginnen hen te trainen voor God?”, dan
antwoord ik: “Onmiddellijk”. “Maar ze zijn nog zo jong.” Wel, het
maakt niet uit hoe jong ze zijn. U zult een slecht humeur ontdekken en
veel ander kwaad omhoog zien komen uit het hart van zelfs de kleinste
kinderen; de tijd om dat tegen te gaan is: zodra het zich voordoet. U zult
ontdekken, dat satan het vroegste uur zal nemen dat hij kan vinden om zijn
dodelijk werk te verrichten. Hij is ’s morgens altijd vroeg in de weer
en hij zal proberen, als hij dat kan, om het onkruid op dat kleine stukje
grond te zaaien. Begin even vroeg als satan en vraag God door Zijn genade,
dat u uw kind de dingen van het eeuwige leven “onmiddellijk” mag
onderwijzen. Ik zou tot u, geliefde moeder, willen zeggen, als u nog nooit
met uw dochter over haar ziel hebt gepraat, doe dit dan deze avond.
“Maar,” antwoordt u, “als ik thuis kom, zal ze in bed liggen.” Als
dat zo is, maak haar dan wakker, maar praat en bid vanavond met haar. Laat
haar dan weer in slaap vallen; begin meteen met deze heilige dienst, als u
die tot nu toe hebt veronachtzaamd. En u, geliefde vader, als u nog nooit
persoonlijk met uw kinderen over de Heiland hebt gesproken, dan kent u
niets van het gezag, dat u over hen zou hebben, als u het wel zou doen. Ik
zal het nooit vergeten, dat mijn vader met mij sprak over mijn ziel en mij
vroeg om te bidden, toen ik nog een jongen was. Ik herinner me met welk
een schaamte ik de poging afwees en hoe verwond ik mij in mijn hart voelde
om te bedenken, dat ik niet kon bidden. In het verborgene kreunde ik en
riep ik tot God, maar dit werd versterkt en werd intenser door de vraag,
die hij me had gesteld. O, geliefde ouders, begin meteen, opdat ze Gods
kinderen mogen worden, terwijl ze nog uw kinderen zijn! Een kleine jongen
zei eens: “Vader, neem me alstublieft vanavond mee naar de
samenkomst.” “Mijn jongen,” antwoordde de vader, “je bent nog te
jong. Ik zal je meenemen, wanneer je ouder bent.” “Vader,”
antwoordde het kind, “als ik nu niet ga, dan zal ik waarschijnlijk,
wanneer ik ouder word, helemaal niet meer willen gaan.” Helaas! Dat is
vaak het geval. Neem ze daarom mee, terwijl ze nog klein zijn, naar die
plaatsen, waar ze iets goeds voor hun ziel kunnen krijgen en voed hen op
“in de terechtwijzing en de vermaning van de Here.”
Dan, wat
betreft de personen, die u zoal ontmoet: zorg ervoor, dat u met hen over
de Heiland spreekt. Als u me vraagt, wanneer u met hen moet spreken, dan
antwoord ik: “Onmiddellijk”. Morgenvroeg, bij de toonbank, of in de
werkplaats, of steeds, wanneer er een rustig moment is, dat u kunt
gebruiken. Misschien kan die vriend, waarmee u denkt te kunnen praten,
dood zijn als u het uitstelt tot het eind van de week; dus ga
“onmiddellijk” naar hem toe. Er is een prediker, die nu het evangelie
predikt en God zegent hem enorm. Hij zegt, dat hij zijn vurigheid te
danken heeft aan een opmerking, die ik maakte op een bepaalde
bijbelschool, die ik bezocht. Mij werd gevraagd om – zoals we dat plegen
te zeggen – “voor de vuist weg” een woord tot de studenten te zeggen
en ik zei: “Wel broeders, ik heb niets tot u te zeggen behalve dit ene:
Steeds wanneer je de duivel
ziet, schiet dan op hem.” De jongeman vertelde me, dat hij zich die zin
herinnerde en dit was hem heel vaak van dienst geweest. Dus zeg ik opnieuw
tot elke christen hier: Steeds wanneer je de duivel ziet, schiet dan op
hem. Als u zonde ziet, bestraf die. Als u twijfel ziet, probeer die weg te
nemen. Als u duisternis ziet, haal er dan licht bij om er op te schijnen
en doe het “onmiddellijk”, want de gelegenheden vliegen voorbij en
spoedig zal het voorbij zijn, tenzij we de gelegenheden aangrijpen, als ze
voorbij komen. Er bestaat een triest verhaal over een man in een boot, die
meegesleurd werd naar een waterval en verdronk; een uur later zei iemand,
die met anderen op de oever had staan kijken: “Ik had hem kunnen redden,
als ik er eerder aan gedacht had.” Zij vroegen hem: “Wat had je dan
gedaan?” Hij legde hen een perfect verstandig plan voor, dat heel
gemakkelijk uitgevoerd had kunnen worden. Ik denk, dat hij diep ongelukkig
naar huis ging, want al de toeschouwers van de ramp leken te zeggen:
“Waarom heb je daar niet eerder aan gedacht? Je bent te laat verstandig
geworden.” Dus wanneer bepaalde mensen gestorven zijn, dan denk ik dat
sommigen van u geweten moeten hebben wat het was, om te zeggen: “O, wat
had ik graag met hem gesproken! Dat evangelie, dat mij heeft gered, had
een zegen voor hem kunnen zijn; nu is hij weg en ik heb te laat aan het
geneesmiddel gedacht!” Laat het niet mogelijk zijn om zo spijt te
hebben. Steeds, wanneer u een gelegenheid vindt om over redding
te spreken tot anderen, doe het dan “onmiddellijk”.
Nogmaals, laat
dit woord “onmiddellijk” uw motto zijn met betrekking tot uw eigen ziel.
Steeds wanneer u merkt, dat uw geestelijk leven achteruit gaat, dat uw
geloof zwak wordt, dat uw liefde afkoelt, ga dan terug naar Jezus en vraag
om een herleving. Doe het “onmiddellijk”. Probeer deze dingen altijd
in de kiem te smoren. Bij de meeste ziekten, die genezen kunnen worden,
moeten geneesmiddelen meteen toegepast worden. Als ze een poosje
ongecontroleerd kunnen doorgaan, nemen ze in kracht toe tot grote schade
van de patiënt. Op het moment, dat u ervaart, dat u niet de kracht in het
gebed hebt, die u eenmaal had, ga dan “onmiddellijk” naar Jezus. Op
het ogenblik, waarop u zich realiseert, dat u niet de liefde voor zielen
hebt, die u vroeger had, haast u zich dan meteen naar Jezus en vertel Hem
alles over uw slechte toestand. O, als wij altijd zouden letten op ons
afglijden, zodra het begon, wat zou er dan veel ellende en veel zonde
voorkomen kunnen worden! Dus, geliefde vrienden, als ik bezig ben uw geval
te beschrijven, dan vraag ik u uw gemeenschap met uw Here te vernieuwen.
Ga terug naar Christus, vraag om vergeving uit Zijn handen en doe dit
alles “onmiddellijk”.
Geliefde
christenmannen en christenvrouwen, dit is het motto voor u:
“Onmiddellijk”. Laat het door deze plaats vlammen als een
bliksemstraal. Wat er ook gedaan moet worden, laat het meteen gedaan
worden, zelfs zonder er nog een keer over na te denken. O, geliefden, zult
u nog steeds blijven treuzelen in een noodsituatie zoals deze? Laat me dan
nog een paar minuten door blijven pleiten bij u, voordat ik begin aan het
andere deel van mijn onderwerp. Stelt u zich een dag van een veldslag voor
en een kolonel, die aan zijn regiment het bevel uitvaardigt om naar het
midden van het gevecht te marcheren. Aarzelen de mannen? Blijven ze
stilstaan? Dan is er muiterij in de rijen. “Voorwaarts!”, roept hij,
maar de troepen blijven staan waar ze stonden. Ze zijn ontrouw. Hoe kan de
strijd gewonnen worden door mensen die zo doen? Maar kijk eens, hoe trouwe
soldaten zich in het leger gedragen. Het bevel wordt gegeven:
“Aanvallen!” Het maakt niet uit hoeveel vijanden er zijn; ze gaan er
als een wervelwind op af. Wie kan hen nog tegenhouden? Laat het ook bij u
zo zijn, geliefde vrienden. Goede soldaten van Jezus Christus moeten niet
aarzelen, maar moeten de Leidsman van hun behoudenis “onmiddellijk”
gehoorzamen. Hebt u een levendige fantasie? Kunt u zich met het oog van uw
gedachten daarginds boven voor de brandende troon van God een engel
voorstellen? De stem van de HERE heeft tot hem gezegd: “Daal af naar de
aarde.” Kunt u zich voorstellen dat Gabriël daar blijft en zich
afvraagt met de vinger aan de mond of hij wel of niet zal vliegen? Vraagt
u niet vaak dat u Gods wil op aarde mag doen, zoals engelen dat doen in de
hemel? Hoe kunt u dan, zelfs voor een ogenblik, aarzelen om datgene te
doen, wat u door Christus duidelijk wordt bevolen om te doen? Laat me u
nog een vraag stellen: Treuzelde Christus met Zijn grote opdracht van
genade? Nee, want het was bij Hem, zoals de goede Dr. Watts zingt:
“Ondergedompeld in een
golf van zwarte wanhoop
lagen wij daar, ellendige zondaren,
zonder een blijde straal van hoop
of een vonk van de komende dag.
Met
ogen vol medelijden zag de Vorst der Genade
Ons hulpeloos verdriet
Hij zag het en (o, verbazingwekkende liefde)
Hij haastte Zich om ons te verlossen.
Vanaf
de schijnende zetels hierboven
Spoedde Hij Zich met vreugdevolle haast.
Hij ging het graf van het sterfelijke vlees binnen
En woonde temidden van de doden.”
Er was bij
Christus geen aarzeling; zal er dan aarzeling zijn bij u, die naar Zijn
Naam wordt genoemd? En verder, verloor God tijd, voordat Hij u redde, toen
u tot Hem riep? Treuzelt Hij om u nu te zegenen? Als er een ogenschijnlijk
oponthoud is, dan is het de oneindige wijsheid, die u laat wachten met
slechts als doel dat de zegen, wanneer die komt, des te meer door u
gewaardeerd zal worden. Maar Hij staat altijd gereed om u te zegenen. Hij
is erop voorbereid om u alles te geven, wat u nodig hebt. Ik vraag u
daarom ernstig, op grond van al deze redenen, dit woord “onmiddellijk”
als uw motto te nemen. U bent zelf een sterveling; als u uw levenswerk
niet “onmiddellijk” tot stand brengt, wanneer kunt u het dan
uitvoeren? Anderen rondom u zijn stervende; als u voor hen niet
“onmiddellijk” tot zegen wordt gemaakt, wanneer mag u dan hopen iets
goeds voor hen te doen? Als er iets goed is om te doen, laat het dan
meteen worden gedaan; er kan geen goede reden zijn voor enig uitstel.
Waarom zou u nog eens een keer willen nadenken over een duidelijke plicht?
In zo’n geval zijn de eerste gedachten de beste en die eerste gedachten
moeten worden gevolgd door onmiddellijk en doortastend handelen.
“Onmiddellijk”! Schrijf het op uw vaandel; laat het wapperen in de
wind, want de overwinning zal aan de gemeente van Christus worden gegeven
wanneer ze met al haar legerscharen “onmiddellijk” uitgaat tot het
gevecht.
II. Nu vraag ik de gebeden van alle gelovigen, terwijl ik tijdens
de rest van mijn toespraak probeer te spreken tot diegenen die “van de
weg zijn geraakt”. In deze grote samenkomst, moeten er velen zijn die
niet zijn gered. Het heeft geen zin om te veronderstellen dat we allemaal
kinderen van God en dienstknechten van Christus zijn, want dat zijn we
niet. Er zijn hier sommigen, die niet gered zijn, maar onder hen zijn er,
naar ik hoop, sommigen die wel wensen gered te worden. Wel, als u echt het
verlangen hebt om christen te worden, als de Heilige Geest heeft gemaakt
dat u de Heiland bent gaan zoeken, dan vraag ik u dit woord ter harte te
nemen en het met u mee te dragen naar huis: “Onmiddellijk”, want HET
IS EEN ZEER GESCHIKT MOTTO VOOR ALLE ZOEKENDEN.
Zoekt u de
Here? Dan vraag ik u “onmiddellijk” naar
het evangelie te luisteren. Het evangelie wordt niet overal
gepredikt. Sommigen gaan naar bepaalde kerkdiensten, omdat de muziek er zo
prachtig is, anderen omdat de prediker zo knap is; sommigen omdat het
“fatsoenlijk” gevonden wordt om naar zo’n plaats te gaan. Ik vraag u
dringend, als u Christus niet hebt gevonden: geef om niets anders dan
alleen maar om Hem te vinden. Waar zult u Hem vinden dan alleen waar Hij
volledig en getrouw wordt gepredikt? Als Hij het enige thema van de
toespraak van de prediker is, ga dan daar heen; niet daarheen waar ze het
moderne evangelie prediken, dat geen muis zou redden, maar ga daarheen
waar Christus aan het kruis wordt verheven als de enige hoop voor de
redding van zondaren. Ga daar naar toe, ga meteen en maak er een gewoonte
van daarheen te gaan waar de gekruisigde Christus aanhoudend wordt
verkondigd. Bedenk hoe de Here de uitnodiging voor het hemelse feest gaf,
namelijk door de mond van de profeet Jesaja: “O, alle dorstigen, komt
tot de wateren en gij die geen geld hebt, komt, koopt en eet; ja komt,
koopt zonder geld en zonder prijs wijn en melk. Waarom weegt gij geld af
voor wat geen brood is en uw vermogen voor wat niet verzadigen kan? Hoort
aandachtig naar Mij, opdat gij het goede eet en uw ziel zich in overvloed
verlustige. Neigt uw oor en komt tot Mij; hoort, opdat uw ziel leve; Ik
zal met u een eeuwig verbond sluiten: de betrouwbare genadebewijzen van
David.”
Maar wanneer u
naar het evangelie luistert, wees dan niet tevreden met alleen maar
luisteren, maar kom “onmiddellijk” tot
berouw. U kunt niet Christus hebben en uw zonden vasthouden; geef
meteen al het kwade op. Moge Gods gezegende Geest u nu scheiden van uw
zonden! Hebt u neiging tot dronkenschap? Keer de vergiftigende beker voor
altijd ondersteboven en werk ermee af. Wat is de speciale zonde waaraan u
vastzit? Al zou die u even dierbaar zijn als uw rechteroog, ruk het uit;
al zou die even kostbaar zijn als uw rechterarm, hak hem af en werp hem
van u en doe het “onmiddellijk”. “O,” zegt u, “ik zal er morgen
mee aan de gang gaan.” Dan weet ik dat Gods Geest u niet met kracht
heeft geroepen, anders zou u meteen bereid zijn om u af te keren van elke
verkeerde weg om naar Hem te gaan en dan zou de tijd van uw bevrijding
zijn gekomen. Daarom herhaal ik: Kom “onmiddellijk” tot berouw.
Maar dan moet u ook
“onmiddellijk” bidden.
Pleit op dit moment bij de Here, terwijl u in uw stoel zit; of, als u rust
en stilte verlangt, bid dan zodra u weer thuis bent, ja, bid op straat, op
weg naar huis. Hef uw hart omhoog tot God en roep: “God, wees mij
zondaar genadig”, maar doe het meteen, of zoals de tekst zegt:
“onmiddellijk”.
Bovenal, geloof
“onmiddellijk” in
de Here Jezus Christus. Dat woord “onmiddellijk” zit in elke
aansporing van het evangelie. We worden niet gezonden om tot onze hoorders
te prediken: “Geloof morgen in de Here Jezus Christus.” Geen dienaar
van Christus is gemachtigd om te zeggen: “Stel uw geloof in Christus nog
een week uit.” Nu, maar onze boodschap is: “Zie, nu is het de
aangename tijd; zie nu is het de dag der redding.” Geloof in Jezus en
geloof nu in Hem; als de Geest van God werkelijk in uw geest werkt, dan
zult u bewogen worden om nu te geloven. Als het alleen maar mijn spreken
is en mijn overredingskracht, dan zult u blijven zeggen: “Morgen”.
Maar als het Gods Woord is, dan zal het met kracht in uw hart komen
en u zult zeggen: “Nu Here, ja nu, haal mijn ziel nu uit de gevangenis,
opdat ik Uw Zoon mag vertrouwen en Uw heilige Naam mag prijzen.” Als een
mens het uitstelt, terwijl hij niets heeft om op te vertrouwen dan de adem
in z’n neus, dan is dat het toppunt van dwaasheid. Als een mens het
uitstelt, terwijl hij op de rand van het graf staat, dat graf, dat hem
naar de hel zal brengen, dan is dat inderdaad verschrikkelijk.
Uitstel is gevaarlijk,
maar ik beken, dat ik de mensen en hun criminele zorgeloosheid niet
begrijp. Ik denk dat u een poosje geleden in de krant hebt gelezen over de
verwoesting van het Zwitserse dorp Elm. Wat een buitengewone zaak was het,
dat de mensen het allang was verteld, al maanden, dat men het bos dat
boven het dorp uitstak, vaak had zien trillen, wanneer de rotsen werden
opgeblazen in de steengroeve. Ze wisten dat vroeg of laat de berg boven
hen onvermijdelijk naar beneden zou komen en hen zou verpletteren! Toch
gingen ze op zondagmorgen naar de kerk en kwamen even gemakkelijk en
rustig samen alsof er niets angstaanjagends ooit met hen zou kunnen
gebeuren. Velen van u herinneren zich ongetwijfeld het verhaal en daarom
hoef ik u niet te vertellen hoe, plotseling, het grote bos boven het dorp
naar beneden scheen te komen, bovenop hen; toen moedige mensen van het
hoger gelegen gedeelte van het dorp zich naar beneden haastten om hun
dorpsgenoten te helpen, waren ze daar nauwelijks aangekomen of de berg
zelf kwam naar beneden in één kolossale massa en begroef in een ogenblik
het hele dorp. De mensen wisten dat er zo’n ramp als dit zeker zou
gebeuren; ze waren steeds maar weer gewaarschuwd en toch volhardden ze
erin om daar te blijven wonen. Ik weet niet hoe mensen gewend kunnen raken
aan een dreigend gevaar, zoals zij dat deden; ik moet de verhardheid van
diegenen afkeuren die eigenzinnig zo’n vernietiging riskeerden, maar dit
is nog niets vergeleken met de dwaasheid van mannen en vrouwen die de
grote berg van de Goddelijke toorn zien trillen, terwijl hij op het punt
staat op hen te vallen om hen voor heel de eeuwigheid te verpletteren;
toch gaan ze door met hun spelletjes en houden ze zich bezig met hun
sporten, alsof er geen God zou zijn om hen te oordelen, geen hemel om die
te zoeken en geen hel om die te ontvluchten. Ze zondigen alsof de
ongerechtigheid enkel kinderspel is en er geen straf op volgt in de
toekomstige wereld. Uitstel is altijd gevaarlijk, maar ik voel me
gedrongen om te zeggen dat het vooral op dit ogenblik gevaarlijk is voor
sommigen van u, want zo waar de Here leeft, tenzij u binnen een week
redding vindt, zult u in een andere wereld zijn waar het voor u onmogelijk
zal zijn om die redding te zoeken of te vinden. Als u niet spoedig gered
wordt, zult u voor altijd verloren zijn. Uitstel is gevaarlijk; daarom,
ontsnap om uw leven te redden en ontsnap meteen.
Bovendien, uitstel
zal een groot verlies voor u zijn. Als ik op dit ogenblik niet was gered
en bij m’n volle verstand was, dan zou ik wensen hier en nu gered te
worden. Ik weet niet wat er met de twee mannen is gedaan, die de afgelopen
twee jaar in de gevangenis hebben gezeten ten gevolge van een vermoedelijk
valse beschuldiging. We hoorden dat de minister van Binnenlandse Zaken hen
heeft opgehaald uit Chatham om hen naar Pentonville of Millbank te brengen
en dat ze in hun eigen kleren werden voorgeleid, met de bedoeling om hen
morgen vrij te laten, maar ik geef u de verzekering, dat als ik in hun
positie was geweest en mij was gevraagd: “Geeft u er de voorkeur aan om
op zaterdag vrijgelaten te worden of tot maandag te wachten?”, dat ik
dan gezegd zou hebben: “O, laat me meteen vrij, onmiddellijk!” Elk
uitstel zou verlies voor mij zijn. Wie wil er nu gedurende een zondag in
de gevangenis blijven, terwijl hij vrij kan rondlopen? Wie wenst daar vijf
minuten langer te blijven dan waartoe hij wordt gedwongen? En op dezelfde
manier geldt: wie wil er vijf minuten langer onbekeerd blijven dan hij
hoeft te zijn? Het is verlies voor een mens om ongered te zijn; zelfs
wanneer hij uiteindelijk gered wordt, is heel de tijd die aan z’n
bekering vooraf ging, te vergelijken met een even lange tijd in de
gevangenis; het is dode tijd, verloren tijd. Laat er daarom geen uitstel
zijn wat betreft het vertrouwen op Christus, want elk uitstel is verlies.
En verder, uitstel
kan het moeilijker maken om op de levensweg te komen. Iemand op een
bepaald spoortraject wil naar het noorden gaan, maar hij stapt in de
verkeerde trein en reist daarom naar het zuiden. Nadat hij een eindje op
weg is, steekt hij z’n hoofd uit het raam en zegt: “Dit is niet het
station waar ik langs had moeten komen.” Als de bagagekruiers dan een
naam roepen die totaal anders is dan wat hij verwacht te horen, dan roept
hij: “Wel, ik zit in de verkeerde trein!” Wat doet hij dan? Doorgaan
en zeggen: “Wel, ik zal zo meteen wel een keer uitstappen”? Nee, hij
niet. Als hij zakenman is en zich aan een afspraak wil houden, dan springt
hij, nadat hij z’n vergissing heeft ontdekt, bij het eerste station
eruit en zegt: “Vertel me alstublieft, wanneer er een trein teruggaat.
Ik ben blijkbaar naar het zuiden gereisd in plaats van naar het noorden en
ik wil zo vlug mogelijk terug.” M’n geliefde vrienden, sommigen van u
zitten in de verkeerde trein en u bent vanavond op een station gekomen;
het is niet een station waar u had moeten zijn. Ik smeek u, stap niet over
in een andere trein in dezelfde richting. Ik bid God dat, door Zijn
genade, u meteen uit de trein mag stappen waarin u gereisd hebt en dat u
zegt: “Waar is de trein die naar de hemel gaat? Ik moet er op de één
of andere manier in zien te komen. Eerste klas, tweede klas, derde klas,
of in de goederenwagon, het maakt niet uit, als ik er maar in kan komen,
want ik heb tot nu toe een vergissing begaan en ik wil daar niet mee
doorgaan, want hoe langer ik blijf zoals ik ben, hoe moeilijker het voor
me wordt om behouden te worden.
Denkt u ook niet,
geliefde vrienden, dat elk moment, dat een mens het uitstelt, hij meer
zonde bedrijft? Als ik niet datgene doe wat goed is, zondig ik door
nalatigheid. Wanneer iemand een week lang een plicht verzaakt, hoe vaak
zondigt hij dan? “Eén keer”, zegt u. O nee! Het is z’n plicht om
het nu te doen, maar hij heeft het niet gedaan, dus dat is zonde. Het zal
evenzeer z’n plicht zijn over vijf minuten, en elk moment dat hij het
uitstelt, gaat hij door met zonde op zonde te stapelen, hoe langer hij het
uitstelt. Hebt u nooit de legende gehoord over iemand die heel vaak z’n
berouw had uitgesteld, totdat hij meegenomen werd naar een bos, waar hij
een oude man bezig zag hout te hakken voor z’n vuur; hij bleef hakken
totdat hij genoeg had om een dikke bundel te maken en toen knoopte hij de
bundel bij elkaar en bukte zich om het op z’n schouders te leggen, maar
het was te zwaar voor hem om te tillen. De oude man zuchtte, pakte z’n
bijl en ging nog meer takken hakken en deed ze bij z’n bundel, maar toen
hij probeerde het op te pakken, was het natuurlijk zwaarder dan daarvoor.
Zo ging de dwaze, oude man met heel veel zuchten door met nog meer hout te
hakken en die op de hoop te leggen. Toen probeerde hij die te tillen, maar
het was natuurlijk nog zwaarder geworden; hoe langer hij uitstelde, hoe
zwaarder de last werd. Dat is nu precies uw geval, geliefde vrienden,
wanneer u het uitstelt om tot berouw te komen.
Er is des te meer
zonde om berouw van te hebben en er is des te meer hardheid van hart om
overwonnen te worden; dus elk ogenblik, dat u het uitstelt, maakt u het
moeilijker. “Grootvader,” zei een klein kind, “de prediker sprak
over het liefhebben van Jezus; hebt u Hem lief?” “Nee kind,” zei de
oude man, “ik heb nooit over deze dingen nagedacht; maar ik hoop dat jij
dat zult doen, terwijl je hart nog teder is.” “Maar, grootvader, u
zult spoedig sterven; wilt u Jezus niet liefhebben?” “Nee, kind,”
antwoordde de oude man, “mijn hart is nu te hard; het heeft geen zin
voor mij om er over na te denken.” Menig man heeft dat gezegd; het is
een grote vergissing, want de Here kan het hardste hart zacht maken en de
oudste man of oudste vrouw tot bezinning laten komen. Toch ligt er een
grote waarheid in de woorden van de grootvader en het is iets gezegends
wanneer we de Here op tijd beginnen te dienen, want er is een
verhardingsproces, dat elk uur van uitstel doorgaat. Ik bid tot God, of
Hij in Zijn oneindige genade dat mag voorkomen, door een ieder van u
“onmiddellijk” tot Jezus Christus te brengen.
Zal ik u nog één
ding vertellen voordat ik eindig? Het is dit: steeds wanneer een mens
Christus niet “onmiddellijk” wil aannemen, steeds wanneer hij z’n
zonde niet “onmiddellijk” wil opgeven, steeds wanneer hij niet
“onmiddellijk” in Jezus wil geloven, dan is dat een omslachtige manier
om “nee” te zeggen tegen Christus. De vader in de gelijkenis zei tot
de zoon: “Ga vandaag aan ’t werk in mijn wijngaard”, en hij
antwoordde: “Ik ga, mijnheer”. Dat wil zeggen: “Ik zal gaan mijnheer; ik ben van plan het
te doen. Geef me even tijd om erover na te denken; het is helemaal oké
mijnheer; ik zal gaan.” Maar hoe staat het nu verder in die gelijkenis?
“Hij zei: ‘Ik zal gaan meneer’; en hij ging niet.” Het was een
indirecte manier om te zeggen, dat hij uiteindelijk niet van plan was om
te gaan. Helaas! Dat is het, waarvoor ik bang ben dat sommigen van u
vanavond zullen doen. U zult zeggen: “Ja, wat de prediker zegt is
helemaal juist. Wij moeten Christus zoeken en om genade smeken; en we
zullen dat doen – weldra, – spoedig, – niet onmiddellijk. We kunnen
ons natuurlijk niet haasten in dit soort dingen, maar we zullen er een
keer op een dag aandacht aan geven.” Ik zeg u ronduit heren, dat u het
niet zult doen; u bent het soort mensen dat niet tot Christus zal komen. U
hebt niet de morele moed om te zeggen: “Nee”, maar u bedoelt de hele
tijd “nee” en als u “nee” zou zeggen, zou ik meer hoop voor u
hebben, want de rest van de gelijkenis gaat als volgt: “Hij zei tot de
andere zoon: ‘Ga, werk vandaag in mijn wijngaard’, en die zei: ‘Ik
wil niet’.” Dat was nogal onomwonden, “maar later kreeg hij berouw
en hij ging”. Nu, ik heb liever dat u zegt: “Ik wil niet”, en dan
daarna naar huis gaat, berouw krijgt en tot Christus komt, dan dat u er
omheen draait en zegt: “O, ja, ja, ja!”, denkend dat u Christus een
compliment maakt met uw leugens. Ik durf geen mildere term te gebruiken.
Dat “ja, ja, ja”, betekent dat u niet wilt. Is u nooit het volgende
opgevallen, wanneer u collecteerde met een intekenlijst: als u bij iemand
komt die niet ronduit “nee” zegt, maar zegt: “Wel, laat me eens naar
uw lijst kijken; ja, waar is het voor?”, dat hij er dan meestal aan
toevoegt: “Er wordt zoveel bij mij aan de deur gebeld; ik zal erover
nadenken.” Ik heb zulke mensen gekend die er een heel lange tijd over
nadachten, maar er kwam nooit iets van al hun nadenken terecht. U
glimlacht om wat mensen doen ten aanzien van een intekenlijst, en het is
in bepaalde opzichten iets om over te glimlachen, maar let er wel op dat u
niet hetzelfde doet met uw ziel. Ik vraag u, handel niet zo ten opzichte
van de Here Jezus Christus. Denk er niet alleen maar over na, maar doe
het. Ga onmiddellijk naar Hem toe en denk er daarna over; dan zult u
hebben te bedenken, met vreugde en blijdschap, dat het beste werk waartoe
Zijn genade u ooit in staat stelde, was: vluchten naar Christus en uzelf
aan Hem overgeven.
God zegene u, geliefde
vrienden! Mogen we elkaar allemaal in de hemel ontmoeten, door Jezus
Christus onze Here! Amen.
©
Copyright vertaling 2007 B. Kroeze, Doldersum. Alle rechten voorbehouden. info@mannavoorpelgrims.nl
Zie voor copyrightregels: www.mannavoorpelgrims.nl
|