|
|
OVER HET LEGGEN
VAN FUNDAMENTEN
Printversie:
Een toespraak gehouden op zondagochtend 21
januari 1883 door C. H. Spurgeon.
“Wat noemt gij Mij Here, Here, en doet
niet wat Ik zeg? Een ieder, die tot Mij komt en Mijn
woorden hoort en ze doet, Ik zal u tonen aan wie hij gelijk is. Hij
is gelijk aan iemand, die bij het bouwen van een huis diep gegraven en het
fundament op de rots gelegd heeft. Toen een watervloed kwam en de stroom
tegen dat huis aansloeg, kon hij het niet aan het wankelen brengen, omdat
het goed gebouwd was. Doch wie hoort en het niet
doet, is gelijk aan iemand, die een huis op de grond bouwt zonder
fundament. Toen de stroom daar tegenaan sloeg, stortte het terstond in en
het huis werd één grote bouwval.”
Lucas 6 : 46 – 49.
Deze gelijkenissen beschrijven twee groepen
hoorders, maar zij zeggen niets over degenen die geen hoorders zijn. Hun
toestand en toekomst moeten we afleiden uit hetgeen wordt gezegd van de
hoorders. Onze Here Jezus Christus is in de wereld gekomen om ons van de
liefde van de Vader te vertellen, en nooit sprak een mens zoals Hij sprak;
en toch zijn er velen, die weigeren Hem te horen. Ik bedoel niet degenen
die ver weg zijn, voor wie de naam van Jezus nagenoeg onbekend is, maar ik
bedoel personen in dit land en vooral in deze grote en zeer begunstigde
stad, die weloverwogen weigeren Hem te horen, Die God heeft gezalfd om de
tijding van redding te brengen. Ik zou bijna zeggen, dat onze Here Jezus
wordt verkondigd vanaf de daken van de huizen in deze stad, want zelfs in
hun muziekzalen en theaters wordt Christus aan de menigte verkondigd en op
de hoeken van onze straten wordt Zijn banier opgeheven; toch zijn er
tienduizenden voor wie het prediken van het evangelie is als muziek in de
oren van een lijk. Zij sluiten hun oren en willen niet horen, hoewel het
het getuigenis is omtrent Gods eigen Zoon, het eeuwige leven en de weg om
te ontsnappen aan de eeuwige toorn. Voor hun eigen grootste belang, voor
hun eeuwig voordeel, zijn mensen dood: niets zal hun aandacht voor hun God
bewerkstelligen. Waar zijn deze mensen dan aan gelijk? Zij kunnen goed
worden vergeleken met de man die sowieso geen huis bouwde en overdag geen
thuis had en ’s nachts zonder onderdak was. Wanneer wereldse tegenspoed
als een storm komt opzetten, hebben deze personen, die de woorden van
Jezus niet willen horen, geen troost om hen op te vrolijken; wanneer er
ziekte komt, hebben ze geen vreugde in het hart om hen onder de pijn ervan
te ondersteunen, en wanneer de dood, die meest vreselijke van de stormen,
op hen beukt, voelen ze de volledige woestheid ervan, maar zij kunnen geen
schuilplaats vinden. Zij veronachtzamen de huisvesting van hun ziel en
wanneer de orkaan van de almachtige toorn zal losbreken in de toekomstige
wereld, hebben ze geen toevluchtsoord. Tevergeefs zullen ze tot de rotsen
roepen om op hen te vallen en tot de bergen om hen te bedekken. Zij zullen
op die dag zonder schuilplaats zijn voor de rechtvaardige toorn van de
Allerhoogste. Helaas, dat een wezen, dat het beeld van een mens draagt, in
zo’n toestand gevonden zou worden! Dakloze zwervers op de dag van de
hevige storm! Wat heeft mijn ziel verdriet om hen! En toch, wat voor
excuus zullen die mensen verzinnen, die zelfs hebben geweigerd de weg tot
de redding te kennen? Wat voor excuus kan het tederste hart voor hen
maken? Zullen ze erop pleiten, dat zij niet konden geloven? Toch kunnen ze
niet zeggen dat zij niet konden horen; en het geloof komt door het horen
en het horen door het Woord van God. O mijn vriend, als het Woord van God
tot u komt en u weigert het te horen en u daarom niet in Jezus gelooft,
maar sterft in uw zonden, wat is dit anders dan zelfmoord van de ziel? Als
een mens sterft aan een ziekte, terwijl een onfeilbaar medicijn verkregen
kan worden, moet zijn dood dan niet aan hemzelf verweten worden? Als een
mens omkomt van de honger, terwijl er overal om hem heen brood is en
anderen zich daar volledig mee voeden en hij het niet wil hebben, zal er
dan iemand medelijden met hem hebben? Zeker zal er geen druppel medelijden
worden gegeven aan een verloren ziel, waarmee hij de kwelling van zijn
geweten zou kunnen verzachten, want al de heilige denkende wezens zullen
begrijpen dat de zondaar koos voor zijn eigen vernietiging. Dit zal altijd
drukken op het veroordeelde geweten: “U kende het evangelie, maar u
schonk er geen aandacht aan: u wist dat er redding was, dat Christus de
Redder was en dat er vergeving werd verkondigd aan schuldige mensen, maar
u wilde er geen tijd aan geven naast uw boerderij, naast uw handel, naast
uw plezier en naast uw zonden, om te vernemen hoe u gered kon worden.
Datgene wat God zo enorm veel kostte, behandelde u als een bagatel.” Ach
mijn geliefde vrienden, moge niemand van u behoren tot de groep, die niet
hoort. Ik zal mij vanmorgen niet tot zulke mensen richten, en toch kon ik
niet aan mijn toespraak beginnen zonder een woord van liefdevolle
vermaning aan hen. Laat me van hen scheiden met het citeren van het
waarschuwende woord van de Heilige Geest: “Zie toe dat gij Hem, Die
spreekt, niet afwijst. Want als genen niet ontkomen zijn, toen zij Hem
afwezen, Die Zijn godsspraak op aarde deed horen, hoeveel te minder wij,
als wij ons afwenden van Hem, Die uit de hemelen spreekt.”
Onze ernstige aandacht zal nu worden gegeven aan degenen die
hoorders van het Woord zijn en er enigszins door zijn beïnvloed. Alle
hoorders zijn bouwers van huizen voor hun ziel: een ieder van hen doet
iets om een geestelijke woning op te richten. Sommigen van hen gaan een
heel eind in dit bouwen van huizen en zij bekronen het gebouw zelfs door
in het openbaar Christus te belijden. Zij zeggen tot Hem: “Here,
Here”. Zij komen samen met Zijn volgelingen en voegen zich bij hen in de
verering van de Naam van de Meester, maar zij gehoorzamen de Here niet;
zij horen Hem, maar ze schieten tekort in het doen van de dingen die Hij
zegt. Vandaar dat zij onjuiste bouwers zijn, die in gebreke blijven bij
het fundament en nergens verzekerd van zijn, behalve dat hun huis hen naar
de oren zal komen. Er zijn anderen, en wij vertrouwen erop dat er veel van
hen in ons midden worden gevonden, die op de goede manier bouwen, bouwen
voor de eeuwigheid, die een woning construeren met een basis van rotsen en
muren van goedbewerkte stenen, waarvan de Here Christus zowel het
fundament als de hoeksteen is.
Ik verlang er zeer naar deze keer te spreken tot diegenen die net
beginnen te bouwen voor de eeuwigheid. Ik ben inderdaad erg gelukkig te
weten dat er veel van zulke mensen in ons midden zijn. Moge de Heilige
Geest deze toespraak aan hen zegenen.
I. Ons eerste onderwerp zal zijn: EEN
VEELVOORKOMENDE VERZOEKING BIJ GEESTELIJKE BOUWERS. Een veelvoorkomende
verzoeking bij hoorders van het Woord is, overeenkomstig de twee
gelijkenissen die we voor ons hebben, het verwaarlozen van het
funderingswerk, het gehaast afmaken van het eerste deel van het karwei en
het vlug opbouwen van het bouwwerk. Ze worden verzocht aan te nemen dat
alles wordt gedaan waarvan gezegd wordt dat het gedaan wordt; om als
vanzelfsprekend aan te nemen dat alles goed is waarvan gehoopt wordt dat
het goed is; en om dan zo snel mogelijk de muren op te stapelen. De grote
verzoeking bij jonge beginners in het godsdienstige leven is, denk ik, de
hand te lichten met het fundament en die dingen lichtvaardig te
behandelen, die van het grootste belang zijn. Dezelfde verzoeking komt
gedurende het hele leven tot ons, maar is vooral voor jonge beginners
levensgevaarlijk: satan wil graag dat zij de fundamentele principes
veronachtzamen, waarop hun toekomstige hoop en reputatie moeten rusten,
zodat zij in een toekomstig uur van beproeving vanwege de afwezigheid van
een stevig fundament misschien toegeven aan het kwaad en hun hele
levensbouwwerk verspelen.
Deze verzoeking is, ten eerste, des te gevaarlijker, omdat deze
jonge beginners geen ervaring hebben. Zelfs het meest ervaren kind
van God wordt vaak misleid, hoeveel te meer de pelgrim die nog maar net is
binnengegaan door de enge poort! De beproefde heilige houdt soms datgene
ten onrechte voor een deugdzaamheid, wat slechts een verguld gebrek is en
hij gelooft dat datgene echt is, wat alleen maar imitatie is; hoe kan dan
degene, zonder welke ervaring dan ook, die slechts een baby in de genade
is, ontsnappen aan misleiding, tenzij hij door genade beschermd wordt? Pas
ontwaakte, oprecht overgegeven en ijverige harten gaan in het
godsdienstige leven met veel haast aan de slag en grijpen aan wat het
eerst voor handen komt, terwijl zij bouwen in onvoorzichtige haast zonder
verplichte zorgvuldigheid en onderzoek. Er moet iets gedaan worden en ze
doen het zonder zich af te vragen of het volgens het onderwijs van de Here
is. Zij noemen Jezus “Here”, maar ze doen eerder wat anderen zeggen
dan wat Jezus zegt. Op zulke tijden is satan zeker in de buurt, opdat hij
de pas bekeerde er misschien toe kan brengen om in plaats van het berouw
volgens het evangelie een vals berouw als fundament te nemen, waarover men
berouw moet hebben; en om in plaats van het geloof van Gods uitverkorenen
een trotse aanmatiging of een ijdele droom te nemen. In plaats van die
liefde van God, die het werk is van de Geest van God, komt hij alleen maar
met een natuurlijke genegenheid voor een prediker aanzetten en zegt:
“Daar, dat is genoeg: je moet een huis hebben voor je ziel om in te
wonen. Daar zijn de materialen, stapel ze op.”
Zoals kinderen aan het spelen zijn op het strand, hopen deze
begerigen hun zandkastelen op en vermaken zichzelf daarmee, want zij zijn
onbekend met de listen van satan. Ik ben om deze reden dubbel verlangend
mijn geliefde jonge vrienden te behoeden voor de misleider. De
veelvoorkomende verzoeking is om in plaats van werkelijk berouw te hebben,
te praten
over berouw, om in plaats van echt te geloven, te zeggen: “Ik geloof”
zonder te geloven; om in plaats van echt lief te hebben, te praten over
liefde zonder lief te hebben; om in plaats van tot Christus te komen, te
praten over tot Christus komen en belijden tot Christus te komen en toch
helemaal niet te komen. Het karakter van meneer Praatziek in de
Pelgrimsreis is knap getekend. Ik heb de heer vele keren ontmoet en ik kan
ervan getuigen, dat John Bunyan een fotograaf was, voordat de fotografie
werd uitgevonden. Christen zei van hem: “Hij praat over gebed, over
berouw, over geloof en over de nieuwe geboorte, maar hij weet er alleen
maar over te praten.
Ik ben in zijn gezin geweest, en zijn huis was evenzeer zonder godsdienst
als het witte van een ei is zonder smaak.” We hebben teveel van zulke
personen rondom ons die, naar wat zij zeggen, alles zijn wat gewenst kan
worden en toch, door wat zij bewijzen te zijn, alleen maar bedriegers
zijn. Zoals de handelslieden dummy’s in hun winkels plaatsen, beplakt en
gelabeld om er uit te zien als echte goederen, terwijl het toch niets
dergelijks is, zo zijn deze
mensen gemerkt en gelabeld als christenen, maar de genade van God is niet
in hen. O dat jullie, jonge beginners, op jullie hoede mogen zijn, dat
jullie niet tevreden zijn met de vorm van godsvrucht, maar dat jullie
gedwongen worden de kracht ervan te ervaren.
Er is ook nog dit om de verzoeking te helpen, namelijk, dat dit
plan voorlopig een heleboel moeite bespaart. Uw geest is diep
bedroefd en u wilt troost; wel, het zal u troosten om te zeggen: “Here,
Here”, hoewel u niet de dingen doet die Christus zegt. Als u de
aanspraken van Jezus dat Hij Here is, erkent, zult u toch, zelfs hoewel u
niet uw vertrouwen op Hem stelt voor de redding, en zo het belangrijkste
veronachtzaamt wat Hij beveelt, enige verlichting ervaren in die
erkenning. Hij gebiedt u berouw te hebben van zonde, op Zijn bloed te
vertrouwen, Zijn woord lief te hebben en naar heiligheid te zoeken; maar
het is veel gemakkelijker deze dingen te bewonderen zonder ze in uw leven
na te volgen. Berouw en geloof simuleren is niet moeilijk, maar echte
godsvrucht is werk van het hart en vereist nadenken, verantwoordelijkheid,
oprechtheid, gebedsleven en waakzaamheid. Geloof me, echte godsdienst is
geen tijdverdrijf. Wie gered wil worden, zal merken dat het geen zaak is
om grappen over te maken. “Het Koninkrijk der hemelen ondervindt
geweld”, en wie de zaak licht opvat en denkt dat het niet meer is dan
het “hocus pocus” van de goochelaar, heeft een fatale beslissing
genomen. “Strijd”, zegt Christus, “om in te gaan door de enge
poort.” De Geest worstelt enorm in ons en spoort ons vaak aan tot
strijd. De kroon van de eeuwige heerlijkheid wordt niet gewonnen zonder
strijd, ook wordt de prijs van onze hoge roeping niet ontvangen zonder te
lopen; toch beeldt een mens zich in dat door gewoon een heilige belijdenis
af te leggen en door een uiterlijke vorm te beoefenen, hetzelfde resultaat
wordt voortgebracht als door de Here met zijn hele hart te zoeken en in de
Here Jezus te geloven. Als dat zo was, zou er een mooie brede weg naar de
hemel zijn en satan zelf zou zich veranderen in een pelgrim. Geloof me,
geliefde hoorders, dit besparen van moeilijkheden zal blijken een maken
van moeilijkheden te zijn, en voor de kwestie ten einde is, zal de
moeilijkste weg de makkelijkste weg blijken te zijn.
Dit soort bouwen zonder fundament heeft dit voordeel om de
verzoeking te ondersteunen: het
stelt een mens in staat heel vlug een godsdienst in elkaar te zetten.
Hij maakt schitterende voortgang. Terwijl het bezorgde hart grondig in het
innerlijk naar de waarheid zoekt en erom smeekt vernieuwd te worden door
genade, is zijn triomfantelijke vriend zo gelukkig als hij maar kan zijn
in een vrede die hij plotseling heeft verkregen zonder twijfel of
onderzoek. Deze snelle groeier vraagt zich nooit af: “Heeft mijn
godsdienst mijn gedrag veranderd? Gaat mijn geloof gepaard met een nieuwe
natuur? Woont de Geest van God in mij? Ben ik werkelijk wat ik belijd te
zijn of ben ik uiteindelijk maar een onechte belijder?” Nee, hij schuift
alle onderzoek als een verzoeking van de duivel aan de kant. Hij neemt
elke goede zaak als vanzelfsprekend aan en stelt vast dat alles goud is
wat er blinkt. Kijk eens hoe snel hij gaat! De mist is dicht, maar hij
stoomt er doorheen zonder te letten op gevaar! Hij heeft zich bij de
gemeente gevoegd; hij is een werk begonnen voor God; hij gaat prat op zijn
eigen capaciteiten; hij laat doorschemeren dat hij volmaakt is. Maar is
dit bouwwerk, dat als een paddestoel uit de grond schiet, veilig? Zal het
de toets doorstaan bij de laatste grote inspectie? Zal het blijven staan
als er een hevige storm komt? De schoorsteenpijp is hoog, maar is het
veilig? Ja, daar zit ’m de kneep. Dit is de vraag, die een einde maakt
aan het vele opscheppen overal rondom ons. Het is beter voor Gods Woord te
beven dan vrijpostig zich van alles aan te matigen. Het is beter bang te
zijn uit vrees dat we verworpenen zullen zijn, dan het voorhoofd te
verharden met ijdel vertrouwen. Wanneer een man op een verkeerde weg
reist, zal hij, naarmate hij sneller loopt, verder verdwalen. Denk aan het
advies zich langzaam te haasten en aan het oude spreekwoord dat zegt:
“Haastige spoed is zelden goed.” Als u snel bouwt omdat u zonder
fundament bouwt, worden uw tijd en uw ploeteren verspild.
Hoe veelvoorkomend, hoe misleidend is deze verzoeking! Want de
jonge beginner, de man die net is aangespoord om de Here te zoeken, zal zeer
velen vinden om hem te helpen bij zijn vergissing, als hij het
fundament zou verwaarlozen. Aardige, goede, christelijke vrienden zijn
vaak behulpzaam om zoekende zielen te misleiden, zonder eraan te denken
dat ze dat doen. “Ja”, zeggen ze, “je bent bekeerd”, en dat zou de
persoon misschien zijn, als alles wat hij zei waar was, maar het wordt
gezegd zonder gevoel; het komt alleen maar van de lippen en komt niet uit
het hart en daarom is het verderfelijk om hem aan te moedigen. Een
vriendelijke verzekering van een christelijke vriend kan een vals
vertrouwen doen ontstaan, als die verzekering per abuis werd gegeven. In
deze dagen komen we niet veel christenen tegen, die dwalen door te streng
te handelen met bekeerlingen; het gevaar komt nu van de andere kant. Onze
voorvaders waren misschien te argwanend en angstvallig bezorgd, maar
vandaag de dag dwalen we bijna allemaal in de tegenovergestelde richting:
we verlangen er zo naar iedereen tot Christus te zien gebracht, dat onze
wens de neiging kan hebben onszelf wijs te maken dat het zo is. We willen
zo graag diegenen die de Here zoeken, opvrolijken en troosten, dat we tot
de gewoonte kunnen vervallen vriendelijke dingen te profeteren en zo alles
te mijden, wat neigt tot onderzoeken en beproeven, en opdat het bovendien
niet zou ontmoedigen. Laten we ervoor oppassen, dat we niet uitroepen:
“Vrede, vrede”, waar geen vrede is. Het zal een trieste zaak zijn
huichelaars voort te brengen, terwijl we op zoek waren naar bekeerlingen.
Ik heb gehoord van iemand die een dozijn keer in de nazorgkamer was
geweest en toen zij bij een volgende gelegenheid werd uitgenodigd daarheen
te gaan zei ze: “Ik weet werkelijk niet waarom ik zou gaan, want er is
mij verteld dat ik al twaalf keer gered werd en ik ben nog geen haar beter
dan voordat ze mij dat vertelden.” Het zou beter zijn sommigen veeleer
huilend naar huis te sturen dan juichend. Menige wond heeft meer het
operatiemes nodig dan een pleister. U kunt getroost worden door
goedbedoelde verzekeringen van liefhebbende vrienden en toch kan die
troost helemaal een leugen zijn. Ik waarschuw u daarom voor elke vrede
behalve de vrede die voortkomt uit het doen wat Jezus gebiedt, of met
andere woorden, voor elk vertrouwen behalve het vertrouwen dat rust in
Jezus alleen en vergezeld gaat van berouw, geloof en een leven in
gehoorzaamheid aan uw Here.
Ongetwijfeld worden velen aangemoedigd om oppervlakkig te bouwen
door het feit, dat zoveel naamchristenen mooie sier
maken en dat toch hun bouwwerk zonder fundament is. We kunnen onze
ogen niet sluiten voor het feit dat er in alle gemeenten personen zijn,
die geen diepe geestelijke wortels hebben en, zo vrezen we, geen echt
geestelijk leven. We kunnen hen niet uittrekken, hoewel we vrezen dat zij
onkruid zijn, want ons wordt verzekerd dat we onvermijdelijk tarwe met hen
mee zouden uittrekken en dit verbiedt onze Meester. Er is niets in hun
uiterlijk gedrag, wat we zouden kunnen aangrijpen als bewijs van het feit
dat ze misleiders zijn, en toch loopt er een koude rilling over onze rug,
wanneer we met hen praten, want ze hebben geen warmte, geen leven en niets
van de Here in zich. We missen in hun gesprek die fijne geestelijkheid,
die heilige zalving, die gezegende nederigheid, welke zeker aanwezig
zullen zijn, wanneer mensen werkelijk bekend zijn met de Here en een
levende eenheid met Hem zijn aangegaan. Mensen van dit soort vermengen
zich met ons op onze heilige bijeenkomsten, en wanneer ze pas ontwaakte
mensen tegenkomen, praten ze over Goddelijke dingen op zo’n nonchalante
en lichtzinnige manier, dat ze ernstig kwaad doen. Ze spreken over de
bekering alsof het maar een bagatel is, een zaak die even gemakkelijk is
als het geven van een handkus; zo worden zij, die veelbelovend zijn en
jegens wie ons hart met liefde is vervuld, door hen van ons afgekeerd.
Jongemannen zijn geneigd om te denken: “Die –en –die is lid van de
gemeente en hij is nooit erg nauwgezet. Als een lauwe belijdenis hem
tevreden stelt, waarom zou het mij dan niet tevredenstellen!” Ach mijn
lieve vrienden, maar dat zou u in de zakenwereld niet zeggen. Als u wist
dat een man handel dreef zonder kapitaal en waarschijnlijk failliet zou
gaan, dan zou u niet zeggen: “Ik kan hetzelfde doen.” Als u een man,
die niet kon zwemmen, zich in diep water zag wagen, en u was er zeker van
dat hij uiteindelijk zou zinken, dan zou u niet zijn voorbeeld volgen en
ook verdrinken. Nee, nee, laten deze oppervlakkige belijders
waarschuwingssignalen voor u zijn. Ga bij meneer Praatziek vandaan, opdat
hij niet een even holle trommel van u maakt als hijzelf is. Pas op voor
lichtzinnige belijders, die zijn als de lichten van strandjutters, die
mensen naar de rotsen lokken. Ga betrouwbaar te werk voor de eeuwigheid en
gebied beuzelaars te verdwijnen.
Nogmaals, er zit achter dit alles altijd een motivatie om zonder
fundament te bouwen, omdat het
niet bekend zal worden en mogelijk jarenlang niet ontdekt zal worden.
Het funderingswerk is helemaal buiten het gezichtsveld en het huis kan in
elkaar gezet worden en op een heleboel manieren erg nuttig zijn; het kan
een hele poos blijven staan zonder het werk onder de grond, want huizen
zonder fundament vallen niet meteen om; zij kunnen heel goed jaren blijven
staan; niemand weet hoelang ze overeind kunnen blijven; misschien kunnen
ze zelfs met comfort bewoond worden tot de laatste grote vloed. De dood
alleen zal sommige bedriegerijen openbaren. Omdat het slecht gefundeerde
huis voor het heden goed genoeg is, gebruikt kan worden en onmiddellijk
gemak oplevert, achten veel mensen het economisch verantwoord om het
fundament weg te laten als een overbodigheid. Als zij worden ondervraagd
wat betreft hun levende godsvrucht, worden ze boos: “Welk recht hebt u
zich te verdiepen in mijn privé zaken? Waarom moet u zich bemoeien met de
geheimen van mijn ziel?” Ach, lieve vriend, als we wreed voor u waren en
wensten dat u misleid werd, dan zouden we onze mond houden of met een
vleiende tong tot u spreken, maar aangezien wij u liefhebben en wij de
komende jaren gezegend hopen te worden door uw echte en heilige toewijding
aan Christus, zijn wij intens ernstig dat u op de goede manier begint. Wij
zouden graag willen dat u iets bouwt wat niet weer afgebroken hoeft te
worden, een werk dat zal standhouden wanneer de rivier buiten de oevers
treedt en de stroom er onstuimig tegenaan beukt. Ik vrees, dat een mens,
die zonder godsdienst is, zal omkomen, maar ik vrees nog veel meer dat een
mens zal omkomen met de godsdienst en zal merken dat zijn geloof
uiteindelijk vals is geweest. Als u bouwt, bouw dan iets wat de moeite van
het bouwen waard is: als u bouwers voor uw ziel moet zijn, en zeker moet u
dat, of anders zult u zonder schuilplaats zijn, pas dan op, op wat voor
fundament u bouwt en wees voorzichtig wat u daarop bouwt, opdat u
uiteindelijk niet te maken krijgt met het verlies van al uw werk op die
laatste vreselijke dag. Hoe triest zal het eruit zien om in de buurt van
de poorten van de hemel te wonen en uw leven door te brengen temidden van
degenen die de toekomstige bewoners ervan zullen zijn en dan vanwege
gebrek aan oprechtheid en waarheid buiten de eeuwige stad gesloten te
worden. Hoe vreselijk om door ervaring te ontdekken dat er ook een
achteraf weg naar de poorten van de hel is, zelfs vanaf de poorten van de
hemel. God geve dat het niet zo is met iemand van ons, die hier aanwezig
is. O bouwers, zorg niet alleen voor het heden, maar bouw voor de dood,
het oordeel en de eeuwigheid!
Dit deel van onze toespraak is niet alleen voor jonge mensen, maar
voor ons allemaal - voor zowel ouderen als jongeren. Ga er maar vanuit dat
er niemand in ons midden is of hij heeft er behoefte aan zichzelf te
doorzoeken en te zien of het fundament van zijn geloof naar waarheid
gelegd is of niet.
II.
Hiermee breng ik de tweede stap ter sprake en zullen we een
VERSTANDIGE voorzorgSMAATREGEL overdenken, die veilige bouwers nooit
vergeten. Zij graven diep en rusten nooit totdat ze een goed solide
fundament krijgen: ze zijn blij het laagste punt van al de losse aarde te
bereiken en op de rots te bouwen. Laat me deze verstandige
voorzorgsmaatregel bij u allen aanbevelen.
Volg de tekst en zie toe op uw oprechtheid.
De Here Jezus zegt: “Waarom noemt gij Mij Here, Here en doet niet wat ik
zeg?” Moge de Heilige Geest u door en door oprecht maken. Wees bang om
een woord meer te zeggen dan u ervaart. Sta uzelf nooit toe te spreken
alsof u een ervaring had waarvan u alleen maar hebt gelezen. Laat niet uw
uiterlijke aanbidding een stap verdergaan dan de innerlijke emotie van uw
ziel. Als Christus werkelijk uw Here is, zult u Hem gehoorzamen, als Hij
niet uw Here is, noem Hem dan niet zo. Het is van groot belang in al uw
godsdienstige gedachten, geloofsovertuigingen, woorden en daden om in
alles een bewogen hart te hebben. Het is iets vreselijks een gewichtige
belijdenis van heiligheid af te leggen en toch te leven in de
toegeeflijkheid aan een verborgen slechte gewoonte: zulke personen zullen
naar mijn opmerkingen luisteren en mij prijzen om mijn betrouwbaarheid en
toch doorgaan in hun huichelarij. Dit is zeer pijnlijk. Deze mensen kunnen
de Joodse taal spreken en toch gaat de spraak van Babylon hen veel
gemakkelijker af: zij volgen Christus, maar hun hart is bij Belial. Wee
mij! Mijn ziel wordt misselijk bij de gedachte aan hen. Wees waarachtig!
Wees waarachtig! Als de waarheid u niet verder zal brengen dan wanhoop, is
het beter dat u in wanhoop blijft dan hoop te krijgen door een leugen.
Teer niet op fantasie, belijdenis en aanmatiging. Eet wat goed is en voed
u slechts met de waarheid. Bedenk dat wanneer u bouwt met hout, hooi en
stro van alleen maar ideeën, u slechts materialen verzamelt voor uw eigen
brandstapel op die dag, wanneer het vuur alle liefhebbers en makers van de
leugen zal verteren. Wees waarachtig als staal! Iedere verstandige bouwer
van een huis voor zijn ziel moet daaraan denken.
Het volgende is grondigheid.
Want let op, volgens onze Here groef de verstandige bouwer diep. U kunt
iets, wat juist is, niet te goed doen. Graaf diep, als u echt een
fundament uitgraaft. Als het berouw is, laat het dan een intens ernstig
berouw zijn, inclusief een felle haat voor elke vorm van zonde. Als u een
belijdenis aflegt voor God, belijd het dan met uw hele ziel en niet alleen
maar met uw lippen: leg uw geest bloot voor de blik van de Godheid. Als
het geloof is, waarover u praat, geloof dan ten volle. Laat u niet in met
dat soort sceptisch geloof, dat vandaag de dag gewoon is. Als u gelooft,
geloof dan. Als u berouw hebt, heb dan berouw. Bij het reinigen van de
ziel is er niets zo goed als het naar buiten vegen van elk deeltje van het
oude zuurdeeg van leugen; en bij het naar binnen brengen van de goede
dingen in het hart is er niets zo goed als het naar binnen brengen van
alles wat Christus voorschrijft, opdat wij uit Zijn volheid mogen
ontvangen, niet slechts genade, maar genade voor genade, genade op genade,
al de genade die nodig is. Wees oprecht in alles. De verstandige bouwer
spitte in de grond en ging door met zijn graven totdat hij de rots
bereikte; toen hakte hij in de rots een greppel uit, waarin hij zijn
fundament zou kunnen leggen, want hij kon niet tevreden zijn, tenzij hij
er betrouwbaar en grondig werk van maakte. Oprechtheid en grondigheid zijn
uitstekende bouwmaterialen.
Vervolgens, voeg hier zelfverloochening aan toe,
want dat staat in de gelijkenis. Wanneer een man een diep fundament
uitgraaft, moet hij veel aarde weggooien. Dus hij, die voor de eeuwigheid
bouwt, moet heel veel kwijtraken. Eerst moet het zelfvertrouwen
verdwijnen; liefde tot de zonde moet volgen; wereldsgezindheid, trots, egoïsme,
allerlei ongerechtigheid, - deze moeten aan de kant worden gegooid. Er is
erg veel puin en het puin moet verdwijnen. U kunt geen betrouwbaar werk
voor de eeuwigheid doen zonder veel op te ruimen, wat vlees en bloed graag
zouden willen behouden. Let hierop en bereken de kosten.
Dan moet er een vast
grondbeginsel komen. De man, die vastbesloten is dat, als hij
bouwt, hij betrouwbaar zal bouwen, graaft naar beneden tot op de rots. Hij
zegt: “Ik geloof in God; Hij is mijn Helper. Ik geloof in Christus Jezus
en op Zijn verzoenend offer en levende voorspraak bouw ik mijn eeuwige
hoop. Ik bouw ook op de leer van de genade, want de Here heeft gezegd:
‘Door genade zijt gij behouden, door het geloof.’ Ik bouw op de
Schrift: niets dan de volmacht van het Woord is voldoende voor mij.” Wat
God heeft gezegd, is een rots; wat de mens leert, is alleen maar
drijfzand. Wat is het een gezegend iets om toe te komen aan de eeuwige
grondbeginselen van Goddelijke waarheid! U die uw godsdienst geleerd hebt
van uw vader en moeder, u die het volgt omdat het toevallig in de familie
zit, wat bent u waard op de dag van tegenspoed? U wordt omvergeblazen als
een marktkraam of een hut van takken. Maar u, die weet wat u gelooft en
waarom u het gelooft, u, die wanneer u uw voet op de grond zet, weet waar
u op staat en overtuigd bent dat u een vaste rots onder u hebt, u bent de
mensen, die zullen standhouden wanneer zij, die alleen maar huichelaars
zijn, van hun plaats worden gesmeten. O mijn dierbare zoekende vrienden,
kies voor waarachtige grondbeginselen en wees niet tevreden met leugen.
Men moet met
beslistheid vasthouden aan deze waarachtige grondbeginselen.
Verbind uw gebouw met de rots. Een huis zal niet blijven staan, enkel
omdat het op
de rots staat; u moet het fundament ervan in de rots zien te krijgen. Het
huis moet houvast aan de rots
hebben en de rots moet het huis vasthouden. Hoe meer u het huis een deel
van de rots kunt laten zijn en de rots, als het ware, kunt laten overgaan
in het huis, des te veiliger u bent. Het heeft geen zin om te zeggen:
“Ja, ik vertrouw op Christus, op genade, op openbaring”, tenzij uw
hele leven deel uitmaakt van deze dingen en zij deel uitmaken van u.
Huichelaars, zegt Job, worden in de nacht gestolen, zo gemakkelijk zijn ze
weg te halen. De bedenker van een of andere nieuwe gedachte komt voorbij,
prijst zijn nieuwe waren aan en onnozele zielen worden meteen door hem
beetgenomen. Christus kan vertrekken, genade kan vertrekken en de Bijbel
kan ook vertrekken; hun nieuwe meester heeft hen volledig in zijn macht.
Wij wensen niet zulke slappe mensen; wij houden niet van deze speculerende
bouwers, wier geraamten overal rondom ons liggen. We hebben genoeg van
luchtkastelen; we hebben waarachtige mannen nodig, die vast zullen staan
als bergen, terwijl dwalingen als wolken over hen heen waaien. Denk aan de
kolossale mijnschacht bij Bradford en hoevelen er werden gedood door de
val ervan, en laat het u leren fundamentele waarheden stevig vast te
houden en hier nooit van af te wijken.
De man in de tweede gelijkenis bouwde niet zoals hij moest bouwen;
wat kan ik van hem zeggen? Ik zal drie dingen zeggen. Ten eerste was hij
een man die buiten het zichtbare, niets had.
U kon zijn gehele huis zien, als u ernaar keek. Als u de hele godsdienst
van een man in één oogopslag kunt zien, heeft hij geen godsdienst die de
moeite van het hebben waard is. Godsvrucht ligt het meest in verborgen
gebed, stille tijd en innerlijke genade. De verstandige bouwer had het
meest kostbare deel van zijn huis in de grond begraven, maar de andere man
toonde alles wat hij had boven de grond. Wie geen voorraad heeft maar
alles in de etalage zet, is een onbeduidende handelsman. Wie geen kapitaal
heeft, zal het niet lang volhouden. Wie van binnen geen ruggegraat heeft,
kan niet lang staan. Pas op voor een schijngodsdienst.
Vervolgens,
deze man had niets
om zich aan vast te houden. Hij bouwde een huis, maar het stond op
losse grond. Hij groef daar gemakkelijk in en zette zijn huis overeind,
maar zijn muren hadden geen houvast. Pas op voor een godsdienst zonder
houvast. Maar als ik aan een leer vasthoud, noemen ze mij een
fanatiekeling. Laten ze dat doen. Fanatisme is een gehaat iets en toch is
datgene wat nu beschimpt wordt als fanatisme, een grote deugd en hard
nodig in deze lichtzinnige tijden. Ik heb de laatste tijd de neiging
gekregen om een nieuwe denominatie op te richten en die te noemen: “de
Gemeente van de Fanatici.” Iedereen is bezig zo gladjes, zo kneedbaar,
zo onwaarachtig te worden, dat wij een geslacht van steile calvinisten
nodig hebben om ons te leren hoe te geloven. Die ouderwetse mensen, die in
vroegere eeuwen iets geloofden en dachten dat het tegenovergestelde ervan
een leugen was, waren een oprechter volk dan de huidige weerhanen. Ik zou
graag de godgeleerden van de vrijzinnige school vragen of er een leer is
die het waard is, dat een mens ervoor sterft. Zij zouden moeten
antwoorden: “Wel natuurlijk, als een man naar de brandstapel zou moeten
gaan òf zijn zienswijzen zou moeten veranderen, dan zou de juiste manier
zijn die zienswijzen met veel schroom uiteen te zetten en buitengewoon
respectvol te zijn voor de tegenovergestelde school.” Maar veronderstel
dat van hem wordt geëist de waarheid te loochenen? “Wel, er valt voor
beide kanten veel te zeggen en vermoedelijk kan de negatieve kant een mate
van waarheid in zich hebben, evenals de positieve kant. Tenminste, het kan
niet iets voorzichtigs zijn om zich de schande van verbrand te worden op
de hals te halen en daarom zou het misschien de voorkeur verdienen de zaak
voorlopig een open vraag te laten blijven.” Ja, en aangezien deze heren
het altijd onplezierig vinden om onpopulair te zijn, verzachten zij de
strenge dreigementen van de Schrift wat betreft de toekomende wereld en
stellen elke leer bij, waartegen wereldwijze mensen bezwaar maken. De
leraren van de twijfel zijn zeer dubieuze leraren. Een mens moet iets
hebben om zich aan vast te houden of hij zal noch voor zichzelf noch voor
anderen een zegen zijn. Breng alle schepen naar het diepe gedeelte van een
rivier, maar laat hen niet voor anker gaan of leg hen niet vast; laat
iedereen vrij zijn! Wacht dan op een stormachtige nacht en ze zullen tegen
elkaar beuken en er zal groot onheil van deze vrijheid komen. Volmaakte
liefde en liefdadigheid zullen niet komen, doordat wij helemaal de trossen
losgooien, maar doordat een ieder zijn eigen ankerplaats heeft en zich
daaraan vasthoudt in de naam van God. U moet iets hebben om u aan vast te
houden, maar de bouwer in de gelijkenis had dat niet en zo kwam hij om.
De dwaze bouwer had niets
om de omstandigheden, die van buitenaf kwamen, te weerstaan. Op
zomerdagen was zijn huis een geliefd ontspanningsoord en werd in alle
opzichten even goed geacht als dat van zijn buurman. Vaak wreef hij zich
in de handen en zei: “Ik kan het niet anders zien of mijn huis is net zo
goed als het zijne en misschien een beetje beter; het feit is dat ik een
paar pond kon besparen, die ik niet in de grond begroef zoals hij deed;
daarmee heb ik heel wat kleine ornamenten gekocht, zodat mijn woning er
mooier uitziet dan zijn bouwwerk.” Zo leek het, maar toen de stortvloed
de berghelling af kwam razen, viel zijn gebouw meteen om, omdat het niets
had waarmee het weerstand kon bieden aan het geweld van de vloed, en geen
spoor bleef ervan over, toen de storm was gaan liggen. Zo falen mensen,
omdat zij geen weerstand bieden aan krachten die hen tot zonde drijven; de
grote stroom van het kwaad vindt in hen slachtoffers en geen tegenpartij.
III. Ten derde willen we nu uit onze tekst een
stel argumenten halen die ons aansporen te zorgen voor het fundament.
Ik zal vluchtig bij deze argumenten langs lopen, terwijl ik van harte
wens, dat ik tijd had om ze te benadrukken. De eerste is deze. Wij behoren
bij de aanvang te bouwen met een goed fundament, omdat we anders
geen enkel ander gedeelte van het huis goed zullen bouwen. Slecht
werk in de fundering beïnvloedt al de overige bouwlagen. In de Nieuwe
Vertaling lezen we aan het einde van vers 48 in plaats van “…want het
was op een rots gefundeerd”, “…omdat het goed gebouwd was”. Het
huis was in de grond goed gebouwd en dat bracht de werkman ertoe het hele
stuk naar boven toe goed werk te leveren, zodat het helemaal “goed
gebouwd was”. De andere man bouwde onder de grond slecht en deed
hetzelfde tot aan het dak. Wanneer u de gewoonte krijgt om in het
verborgene slordig werk te leveren, bestaat de tendens om ook slordig te
zijn, wanneer het voor iedereen zichtbaar is. Als het ondergrondse deel
van onze godsdienst niet stevig op Christus is gelegd, dan zal er in het
bovengrondse gedeelte waardeloos werk, halfbakken bakstenen, modder in
plaats van specie, en over ’t algemeen een afraffelen van alles zijn.
Toen een groot Grieks kunstenaar bezig was een beeld voor de tempel te
maken, was hij met toewijding de achterkant van de godin aan het bewerken
en iemand zei tegen hem: “U hoeft dat deel van het beeld niet af te
maken, omdat het in de muur gebouwd moet worden.” Hij antwoordde: “De
goden kunnen in de muur kijken.” Hij had een goed idee van wat God
toekomt. Dat deel van mijn godsdienst, wat geen mens kan zien, moet even
volkomen zijn als het zou zijn als het door allen werd gadegeslagen. De
dag zal het doen blijken. Wanneer Christus zal komen, zal alles voor het
heelal bekend en openbaar gemaakt worden. Let er daarom op dat het
geschikt is om zo bekendgemaakt te worden.
Zie opnieuw, dat we goede fundamenten behoren te hebben, wanneer we
kijken
naar de plaats, waarop het huis moet worden gebouwd. Het is uit
deze gelijkenis duidelijk dat deze beide huizen werden gebouwd op plaatsen
niet ver van een rivier, of waar men kon verwachten, dat er overstromingen
zouden komen. Bepaalde gedeelten van het zuiden van Frankrijk lijken
verbazend veel op Palestina en misschien lijken ze op het huidige moment
meer op wat het Heilige Land was in de dagen van Christus dan het Heilige
Land nu. Toen ik het afgelopen jaar in Cannes aankwam, merkte ik dat er
een overstroming in de stad was geweest. Deze overstroming kwam niet ten
gevolge van een rivier die buiten de oevers getreden was, maar door een
stortvloed van regen. Een waterhoos schijnt de heuvelhelling overvallen te
hebben, maakte aarde, rotsblokken en stenen los en ging toen met een vaart
naar beneden naar de zee. Hij raasde over het spoorwegstation en stroomde
naar beneden door de straat, die naar het station leidde, waarbij in het
voorbijgaan verscheidene mensen verdronken. Toen ik daar was, werd een
groot hotel - ik zou denken vijf verdiepingen hoog - gestut met balken en
werd klaarblijkelijk als verloren beschouwd, want toen deze stroom door de
nauwe straat naar beneden raasde, ondermijnde hij de onderste steenlagen
van het gebouw en aangezien geen enkel fundament in staat was zo’n test
te doorstaan, werd het hele gebouw daardoor onveilig gemaakt. De Heiland
stond zo’n soort geval voor ogen. Een stortvloed van water zou langs de
berghelling naar beneden komen razen en als een huis alleen maar gebouwd
was op aarde, zou het meteen worden meegesleurd, maar als het vastgemaakt
was in de rots, zodat het een onderdeel ervan werd, dan zou de stortvloed
er aan alle kanten omheen kunnen stromen, maar hij zou de muren niet doen
wankelen. Geliefde bouwer van een huis voor uw ziel, uw huis is zo
gesitueerd dat het één dezer dagen plotseling in grote moeilijkheden zal
komen. “Hoe weet u dat?” Wel, ik weet dat het huis waarin mijn ziel
woont, precies is neergezet waar de winden waaien, de golven komen
opzetten en de stormen beuken. Waar is het uwe? Woont u in een beschutte
hoek? Ja, maar één dezer dagen zult u merken dat de beschutte hoek niet
meer beschermd zal zijn dan de open rivieroever, want God beschikt de
voorzienigheid zo dat ieder mens vroeg of laat zijn test krijgt. Het kan
zijn dat u denkt, dat u niet meer te verzoeken bent, maar die gedachte is
een waanidee, zoals de tijd zal laten zien. Misschien kan juist een
bijzondere verzoeking u overkomen vanwege het feit, dat u buiten schot
lijkt te zijn. Daarom verzoek ik u dringend, vanwege de kwetsbare toestand
van uw levensbouwwerk, op een goed fundament te bouwen.
Het volgende argument is: bouw diep vanwege de puinhoop, die het resultaat van een slecht fundament zal zijn.
Het huis van de dwaze bouwer was zonder fundament. Let op dat woord “zonder
fundament.” Schrijf de uitdrukking op en zie of het al dan niet
op u van toepassing is. Wat gebeurde er met dit huis zonder fundament? De
stroom beukte er krachtig tegenaan. De bedding van de rivier was lang
droog geweest, maar plotseling trad die buiten zijn oevers en de
stortvloed golfde met ontzagwekkende kracht. Misschien was het vervolging,
misschien was het voorspoed, misschien was het tegenslag, misschien was
het verzoeking, misschien was het het wijd verspreide scepticisme,
misschien was het een sterfgeval, maar in elk geval sloeg de vloed
krachtig tegen dat huis en nu lezen we het volgende woord: “en het stortte terstond in”. Het doorstond niet een langdurige
aanval, het werd meteen veroverd. “Terstond stortte het in.” Wat! Is
in één minuut heel die mooie belijdenis weg? “Terstond stortte het
in.” Wel, dat is de man die ik onlangs op een zondag een hand gaf en hem
“Broeder” noemde, en nu heeft men hem dronken gezien! Of hij is in een
werelds gezelschap geweest en gebruikte goddeloze taal! Of hij is heel
plotseling een volslagen twijfelaar geworden! Het is droevig werk om onze
vrienden te begraven, maar het is een nog veel droeviger werk hen op deze
wijze te verliezen en toch verdwijnen zij zo. Ze zijn weg, zoals Job zegt:
“De oostenwind voerde hem mee en hij vertrok.” “Terstond” vallen
zij en wij hadden een hoge dunk van hen en zij hadden een hoge dunk van
zichzelf. “Terstond stortte het in”, hun belijdenis kon de beproeving
niet doorstaan en dat allemaal omdat het geen fundament had.
Dan wordt eraan toegevoegd: “En het huis werd één grote
bouwval.” Het huis stortte met een klap in elkaar en het was alles wat
de man had. De man was een uitstekende belijder en daarom was zijn
ondergang des te opmerkelijker. Het was een grote smak, want het kon nooit
weer opgebouwd worden. Wanneer een mens als huichelaar sterft, is er zeker
geen hoop op herstel voor hem. Door de stroom werden de brokstukken van
het verwoeste huis meegesleurd; niets bleef er over. O mensen, als u een
strijd verliest kunt u weer gaan vechten en een volgende winnen; als u in
zaken mislukt, kunt u opnieuw beginnen in de handel en een fortuin
verdienen, maar als u uw ziel verliest, is het verlies onherstelbaar. Eens
verloren, eeuwig verloren. Er zal geen herkansing zijn. Houd uzelf hierin
niet voor de gek. Daarom, graaf diep en leg elke steen heel stevig op het
fundament van de rots.
Want tenslotte, en dit zal misschien het beste argument zijn, let
op het effect van dit goede, betrouwbare bouwen, dit diepe bouwen.
We lezen, dat toen de watervloed tegen het huis van de verstandige man
beukte, “hij
het niet aan het wankelen kon brengen.” Dat is erg mooi. Hij kon
het niet alleen niet meesleuren, maar “hij kon het niet aan het wankelen
brengen.” Ik zie de man: hij verloor zijn geld en werd arm, maar hij gaf
zijn geloof niet op: “Hij kon het niet aan het wankelen brengen.” Hij
werd bespot en belasterd en veel van zijn vroegere vrienden behandelden
hem koeltjes, maar “hij kon het niet aan het wankelen brengen.” Hij
ging naar Jezus in zijn grote beproeving en hij werd ondersteund: “Hij
kon het niet aan het wankelen brengen.” Hij was erg ziek en zijn geest
was neerslachtig in hem, maar toch hield hij zijn vertrouwen in Christus:
“Hij kon het niet aan het wankelen brengen.” Hij lag op sterven; hij
wist dat hij spoedig uit deze wereld moest vertrekken, maar al het lijden
van de dood en de zekerheid van de ontbinding konden hem niet aan het
wankelen brengen. Hij stierf zoals hij had geleefd, vast als een rots,
evenzeer in blijdschap als altijd, ja in grotere blijdschap, omdat hij
dichter bij het Koninkrijk en bij de verwezenlijking van zijn enige hoop
was. “Hij kon het niet aan het wankelen brengen.” Het is iets groots
om een geloof te hebben dat niet aan het wankelen kan worden gebracht. Op
een dag zag ik een aantal beukenbomen die een bos hadden gevormd: ze waren
allemaal door een storm op de grond gevallen. Het feit was dat zij in
grote mate op elkaar hadden geleund en de dichtheid van het bos voorkwam,
dat elke boom een vaste greep op de grond kreeg. Zij hielden elkaar
overeind en noodzaakten elkaar ook om lang en dun op te groeien met
verwaarlozing van de wortelgroei. Toen de hevige storm de eerste paar
bomen omver duwde, volgden de anderen meteen, de één na de ander.
Dichtbij diezelfde plaats zag ik een andere boom in het open veld, die
dapper de rukwinden trotseerde in eenzame kracht. De orkaan had er
tegenaan geslagen, maar hij had al de kracht ervan onbeschut doorstaan.
Die eenzame en dappere boom leek beter geworteld dan voor de storm. Ik
dacht: “Is het niet zo met belijders?” Zij houden zich vaak aan elkaar
vast en helpen elkaar op te groeien, maar als ze geen stevig persoonlijk
wortelstelsel hebben, vallen ze, als de storm opsteekt, om in rijen. Een
prediker sterft of bepaalde leiders worden weggenomen en de lidmaten lopen
over door van het geloof en de heiligheid af te wijken. Ik wil dat u op
uzelf staat en dat ieder mens zelf in Christus groeit, geworteld en
gegrondvest in liefde en geloof en elke heilige genadegave. Wanneer dan de
ergste storm die ooit over de sterfelijke mens zal komen, opsteekt, zal er
van uw geloof worden gezegd: “Hij kon het niet aan het wankelen
brengen.” Ik smeek u, die nu Christus zoekt, ervoor te zorgen dat u goed
bouwt, opdat u lang mag staan in ons Sion, standvastig en onwankelbaar.
God geve het ter wille van Christus. Amen.
© Copyright vertaling 2008
B. Kroeze, Doldersum. Alle rechten voorbehouden. info@mannavoorpelgrims.nl
Zie voor
copyrightregels: www.mannavoorpelgrims.nl
|