|
|
“LATEN
WIJ UITGAAN”
Printversie:
Een
toespraak gehouden op zondagmorgen 26 juni 1864 door C.H. Spurgeon.
De
tekst is Hebreeën 13:13: “Laten wij derhalve tot Hem uitgaan buiten de
legerplaats en Zijn smaad dragen.”
MODERNE
belijders hebben een erg gemakkelijke vorm van godsdienst ontdekt. Er is
een methode waardoor een mens als christen een grote reputatie kan
verwerven en toch alle beproevingen van het leven van de gelovige kan
vermijden. Hij kan door de wereld gaan over een pad, dat zo’n effen
gazon is, als het vlees zich maar zou kunnen wensen. Gezegend met het
glimlachen van vriendelijke formalisten en met de bewondering van de
ongelovigen, kan hij, vanaf zijn eerste binnenkomst in de Kerk tot aan
zijn graf, zijn weg afleggen zonder zoiets als een enkele regenbui te
hebben ervaren, die zijn vreugde tempert; maar, integendeel, de zon kan
hem de hele weg door vriendelijk toelachen, de vogels kunnen zingen, geen
raaf hoeft het aan te durven om te krassen, geen uil hoeft te roepen; zijn
weg naar heerlijkheid en onsterfelijkheid zullen al datgene zijn, wat het
gemak zich zou kunnen wensen. Laat hem de moderne theorie van de
universele naastenliefde aanvaarden; laat hem geloven dat een leugen een
waarheid is en dat, of het nu een leugen of een waarheid is, dit helemaal
geen consequenties heeft; laat hem meegaand zijn ten opzichte van ieder
mens en met een gladde geoliede tong instemmen met de principes van ieder
ander mens, terwijl hij er zelf niet één heeft, die de moeite van het
noemen waard is; laat hem zijn zeilen bijstellen steeds wanneer de wind
verandert; laat hem in alles huilen met de wolven in het bos; laat hem te
allen tijde toegeven aan de opinie en zacht meedrijven met de stroom en
hij zal in de haven komen – hoewel ik vrees, dat het niet de gewenste
haven is – hij zal tenslotte in één of ander soort haven komen, zonder
onderweg storm of noodweer mee te maken. Maar er komt een duistere
gedachte bij iemand op. Is dit het soort godsdienst waarover we in de
bijbel lezen? Is dit de wijze waarop bijbelse heiligen naar de hemel
gingen? Het zou een zeer plezierig iets zijn, als we mensen konden behagen
en bovendien God konden behagen; als we werkelijk het beste zouden kunnen
maken van beide werelden en het fijne van deze wereld en ook van de
toekomstige zouden hebben: maar de bladzijden van de Heilige Schrift doen
een waarschuwende roep horen, want het Woord van God spreekt totaal
anders. Het spreekt over een nauwe en smalle weg en over weinigen, die hem
vinden; het spreekt over vervolging, lijden, smaad en zelfs ten bloede toe
weerstand bieden, worstelen tegen de zonde; het spreekt over het worstelen
en vechten, strijden en getuigen. Ik hoor de Heiland niet zeggen: “Ik
zend u als schapen temidden van groene weiden,” maar, “als schapen
temidden van wolven.” Ik hoor Hem profeteren dat we door alle mensen
gehaat zullen worden om Zijns naams wil. Deze dingen zijn genoeg om die
goede comfortabele zielen te doen opschrikken, die zo fijn voorwaarts
gaan; ongetwijfeld kunnen ze meteen vragen: “Kan het zijn dat deze
gladgestreken godsvrucht, deze erg blijde manier om in de hemel te komen,
de juiste kan zijn?” Is het niet allemaal zinsbegoocheling? Worden we
niet drijvend gehouden met valse hoop, als die hoop nooit wordt
aangevallen door moeilijkheden en vervolging? Het is niet alles goud wat
er blinkt: kan het zijn dat de glinsterende godsdienst van de velen
uiteindelijk slechts schijn en na-aperij is? O, u liefhebbers van
vleselijk gemak, wee u! Voor zover u niet het kruis opneemt, zult u nooit
de kroon winnen! De discipelen van Christus moeten erop voorbereid zijn
hun Meester te volgen, niet slechts in gehoorzaamheid aan Zijn leer, maar
ook in de smaad die zich opeenhoopt rond Zijn kruis. Ik constateer niet
dat Christus op de gebloemde bedden van het gemak naar Zijn troon wordt
gedragen; ik constateer niet dat er voor Hem geapplaudisseerd wordt met
universele bijval; integendeel, waar Hij ook gaat, protesteert Hij tegen
de dingen, die gevestigd zijn door menselijke wijsheid en in reactie
hierop zweren de mensen van de gevestigde orde met een eed Zijn ondergang
en zijn ze niet tevreden, totdat hun wrede ogen zich tenslotte verlustigen
aan Zijn martelaarschap aan het kruis. Jezus Christus heeft geen leven van
plezier en gemak; Hij wordt veracht en door mensen verworpen – een Man
van smarten en vertrouwd met ziekte; laten we maar als zeker aannemen dat,
als we getrouw ons getuigenis afleggen, we zullen ontdekken dat de
dienstknecht niet boven zijn Meester staat, noch de discipel boven zijn
Here: als ze de Meester van het huis Beëlzebub hebben genoemd, hoeveel
temeer zullen ze dan degenen van zijn huishouding titels geven, die even
smadelijk en schandelijk zijn. We moeten verwachten dat, als de
christensoldaat een echt soldaat is en niet alleen maar een na-aper van de
krijgskunst, hij zal moeten vechten, totdat hij zich voegt bij de
overwinnende schare. Als de gemeente op een juiste wijze wordt voorgesteld
door een schip, dan moet ze verwachten stormen mee te maken; en elke man
bij haar aan boord moet erop toezien zijn aandeel te leveren. Vanaf de
eerste dag, toen Kaïn en Abel het eerste gezin in twee legerkampen
verdeelden, zelfs tot nu toe, strijdt het vlees tegen de Geest; het kwade
vecht met het goede en het goede worstelt met het kwade. Waar ook de
waarachtigen en de goeden hun tent hebben opgeslagen, daar heeft de vijand
zich verzameld om het aan te vallen. Gerechtigheid streeft niet naar vrede
of wapenstilstand met de zonde: onze vreedzame Heiland kwam niet om zo’n
onheilig verbond te sluiten. Hoor Zijn eigen woorden – “Meen niet dat
Ik gekomen ben om vrede te brengen op de aarde: Ik ben niet gekomen om
vrede te brengen, maar het zwaard. Want Ik ben gekomen om tweedracht te
brengen tussen een man en zijn vader en tussen een dochter en haar moeder
en tussen een schoondochter en haar schoonmoeder en iemands huisgenoten
zullen zijn vijanden zijn.” Als ik de Schrift opsla, vind ik niets over
dit mooie extra pad door het weiland en zijn rustige keurige wandeling
naar de hemel. Ik vind niets over het rijden in de vergulde koetsen van
het gemak, of het wandelen op zilveren pantoffels, maar ik vind strijd en
worsteling en bestraffing en lijden en kruisdragen en als het nodig is,
ten bloede toe weerstand bieden, strijden tegen de zonde. Onze tekst lijkt
ons die gedachte heel sterk duidelijk te maken. Laten we die oppakken en
moge de Heilige Geest ons leiden naar haar echte betekenis.
We
hebben hier voor ons ten eerste van al: het pad van de gelovige;
ten tweede: zijn Leider; ten derde: zijn last;
en ten vierde: zijn reden om dat pad te volgen.
I. We hebben ten
eerste van al, HET PAD VAN DE GELOVIGE. Het pad van de gelovige is “Laten
we uitgaan buiten de legerplaats.” Het Goddelijke bevel is niet:
“Laten we in de legerplaats achterblijven en proberen die te hervormen
– de dingen zijn niet overal helemaal volmaakt, laten we daarom blijven
en de zaak in orde brengen”, maar de leus van de christen is: “Laten
we uitgaan.” Luther ving dit teken op. Er waren velen, die zeiden: “De
kerk van Rome herbergt goede en waarachtige mensen: laten we proberen haar
te hervormen. Haar kloosters zijn niet zonder vroomheid, haar priesters
zijn niet zonder een geheiligd leven – laten we proberen haar reinheid
te herstellen”, maar Luther hoorde de stem van God: “Ga uit van haar,
opdat gij geen deel hebt aan haar plagen” en daarom leidde hij de
voorhoede en nam dit als zijn wachtwoord: “Laten we uitgaan buiten de
legerplaats.” Tot op deze dag is de positie van de christen niet zich op
te houden in de legerplaats van de wereldgelijkvormigheid, in de hoop
“Misschien kan ik de hervormingsbeweging helpen”: het is niet de
plicht van de gelovige zich te conformeren aan de wereld en aan de
manieren van de wereld en te zeggen: “Misschien kan ik door dat te doen
een vaste voet verkrijgen en staat het hart van de mensen meer open om de
waarheid te ontvangen.” Nee, vanaf de eerste tot de laatste dag van de
gemeente Gods is de plaats van het getuigenis niet binnen, maar buiten de
legerplaats en het echte standpunt van de christen is uitgaan buiten de
legerplaats en de smaad van Christus dragen.
In
dit opzicht wordt Abraham een voorbeeld voor ons. Het eerste woord van de
Here tot Abraham is, dat hij zijn vader en zijn familie en het afgodische
huis, waarin hij woonde, moest verlaten en naar een land moest gaan dat
God hem zou wijzen. Weg moest hij; het geloof moest zijn gids zijn; de
voorzienigheid zijn voedselvoorraad en de levende God zijn enige Behoeder.
Het afgezonderde leven van Abraham temidden van de Kanaänieten is een
type van de afgezonderde wandel van de gemeente van God.
Nogmaals,
toen Israël naar Egypte was getrokken, kregen ze niet het bevel daar te
blijven en hun verdrukkers door wapengeweld te onderwerpen, of een verzoek
in te dienen bij de wetgevers dat ze een zachtere behandeling zouden
krijgen – nee, maar met een opgeheven hand en een uitgestrekte arm
leidde de Here Zijn volk uit Egypte, want Egypte was geen plaats voor het
zaad van Israël. Terwijl ze in de woestijn zwierven en later, toen ze
zich in afzondering vestigden in het midden van het beloofde land, werd
Gods Woord vervuld: “Het volk zal alleen wonen: zij zullen
niet worden gerekend tot de volkeren.” Om het beeld vast te
houden, staat het Joodse volk tot deze tijd, hoewel verspreid onder al de
volkeren van de wereld, zo afgezonderd als mensen maar kunnen zijn; u kunt
geen Jood tegenkomen zonder meteen aan zijn uiterlijk te zien dat hij
anders is en afgezonderd van heel de mensheid. Dit, zeg ik, is slechts een
type van de gemeente van God: de gemeente van God moet anders zijn en
afgezonderd zijn van alle andere genootschappen of gemeenschappen; haar
wetten komen niet bij een menselijk wetgever vandaan; haar beambten maken
geen aanspraak op een koninklijke aanstelling; haar donaties komen niet
uit de schatkist van de staat; haar onderdanen zijn een bijzonder volk en
haar Geest is niet van deze wereld.
Wat
wordt er dan, geliefde vrienden, bedoeld met dit “uitgaan buiten de
legerplaats”? Ik begrijp dat dit, ten eerste van al, betekent, dat elke
christen moet uitgaan door een openlijke belijdenis van zijn geloof.
U, die de Here liefhebt moet dat zeggen. U moet tevoorschijn komen en
ervoor uitkomen dat u aan Zijn kant staat. U kunt christen zijn en geen
belijdenis afleggen, maar ik of iemand anders kan daar dan geen zekerheid
over krijgen. Zolang u geen belijdenis aflegt, moeten we u, in grote mate,
beoordelen aan het niet-belijden en omdat u zelf niet erkent dat u een
deel van de Gemeente van Christus bent, worden we gedwongen te oordelen,
dat u geen deel van die Gemeente bent. We kunnen niet veronderstellen dat
u beter bent dan u belijdt te zijn, want de meeste mensen zijn niet half
zo goed als hun belijdenis. In de regel is geen mens zo goed als zijn
godsdienst is en zeker is geen mens ooit beter dan zijn godsdienst: als u
niet belijdt aan de kant van Christus te staan, worden we, in alle liefde,
ertoe gedwongen uw eigen belijdenis te aanvaarden, dat u geen belang bij
Jezus hebt. Kom naar voren, christenen, Uw Meester beveelt u en waarschuwt
u, dat als u zich voor Hem schaamt in dit geslacht, Hij Zich voor u zal
schamen op de dag van Zijn heerlijkheid. Hij gebiedt u Hem te erkennen,
want als u Hem belijdt voor de mensen, zal Hij u belijden wanneer Hij komt
in de heerlijkheid van Zijn heilige engelen. Ik vraag u dan, ga uit hun
midden weg, door de naam van christen aan te nemen. Wel, wat is er om voor
terug te deinzen? Bent u soldaat en wilt u niet het uniform van uw
Veldheer dragen? Wat! Hebt u Christus lief en schaamt u zich ervoor dat te
bekennen? U had blij moeten zijn deze gezegende beschuldiging te erkennen.
Waarom gaat u achteraan staan? Laat geen angst of schaamte u weerhouden.
Als u christen bent, zit daar werkelijk niets bij wat schandelijk is. Kom
op, sta schouder aan schouder met het volk van God en zeg: “Ik zal met u
gaan, omdat de Here met u is.”
Als
dit gedaan is, moet de christen zich afzonderen van de wereld wat
betreft zijn gezelschap. Hij moet kopen en verkopen en handel
drijven, zoals de andere mensen in de wereld, maar toch moet hij er zijn
boezemvrienden niet in vinden. Hij hoeft niet uit de maatschappij weg te
gaan en zichzelf in een klooster op te sluiten; hij moet in de wereld zijn
maar niet van de wereld; zijn meest geliefde gezelschap moet niet zijn
temidden van de loszinnigen, de onzedelijken, de goddelozen; nee, zelfs
niet onder alleen maar de fatsoenlijken – zijn meest geliefde gezelschap
moeten de heiligen van God zijn. Hij moet diegenen als zijn makkers
kiezen, die zijn metgezellen zullen zijn in de toekomstige wereld. Soort
zoekt soort. Zoals vogels met dezelfde veren elkaar opzoeken, zo zijn de
paradijsvogels graag bij elkaar. Zoals de gespikkelde vogels, worden ze
gepikt door de gewone zwerm. Zoals nietsdoende jongens gewoon waren op
straat de spot te drijven met buitenlanders, zo bespotten wereldlingen de
christenen; daarom vlucht de gelovige weg naar zijn eigen gemeenschap,
wanneer hij een goede kameraadschap wil. De christen moet uit de wereld
weggaan wat betreft zijn gezelschap. Ik weet dat deze regel menige innige
relatie zal verbreken, maar ga geen ongelijk juk aan met ongelovigen. Ik
weet dat het banden zal doen breken, die bijna even kostbaar zijn als het
leven, maar het moet gedaan worden. We moeten niet overheerst worden,
zelfs niet door onze eigen broeder, wanneer het gaat over de dingen van
God en het geweten. U moet Christus volgen, wat ook de vijandschap moge
zijn die u zou oproepen; bedenk daarbij dat, tenzij u Christus meer
liefhebt dan man, of vader, of moeder, ja, dan uw eigen leven, u Zijn
discipel niet kunt zijn. Als dit harde voorwaarden zijn, draai u dan om en
kom om in uw zonden. Bereken de kosten en als u zo’n prijs als dit niet
op kunt brengen, begin er dan niet aan een volgeling van Christus te
worden.
De
volgeling van Jezus gaat buiten de legerplaats wat betreft zijn
plezier. Hij is niet zonder zijn vreugde of zonder zijn recreatie,
maar hij zoekt ze niet waar de goddelozen ze vinden. De vrolijkheid, die
de wereldling opvrolijkt, maakt de christen verdrietig: het aas waarvan de
kraai geniet, zou de duif doen walgen; zo shockeren en bedroeven deze
dingen, die vrolijk en vol plezier zijn voor niet-wedergeboren mensen, het
hart van de wedergeborenen. Als u niet afgezonderd bent van de wereld wat
betreft uw plezier, dan is daarom uw hart, omdat dat over het algemeen in
uw plezier ligt, bij de goddelozen en bij hen zal ook uw verdoemenis zijn,
wanneer God komt om de mensheid te oordelen.
En
verder, de echte volgeling van Christus is gescheiden van de wereld wat
betreft zijn grondregels; hij onderschrijft niet de wetten
die over de meeste mensen in hun gezin en in hun zaken heersen. De mensen
zeggen over het algemeen: “Ieder voor zich en God voor ons allen.” Dit
is niet de christelijke grondregel. “Een ieder lette niet slechts op
zijn eigen belang, maar een ieder lette op dat van anderen”, is de regel
van de christenen. Sommige mensen zullen erg scherp op de wind zeilen: ze
zouden absoluut niet bedriegen, maar toch gaat het er dicht aan langs; ze
zouden niet liegen, maar hun bluf en reclame zijn niet helemaal de
waarheid: de christen minacht al dit dubieuze handelen en houdt zich in
alle zaken aan de regel van de oprechtheid. Als de gelovige trouw is aan
zijn Meester en buiten de legerplaats gaat om Hem te volgen, dan zijn
z’n daden zo helder als de middag; zijn woord bindt hem en in zijn
handel zou hij er evenmin aan denken om helemaal een dief te worden, dan
om zich te verlagen tot de gewone trucs van de handel. Vanuit mijn ziel
verafschuw ik die mensen, die onder het voorwendsel en belijdenis van
godsdienst de achtenswaardigheid van hun positie gebruiken om krediet te
verwerven bij anderen, opdat zij de zaak kunnen bedriegen door credit te
verkrijgen dat ze niet verdienen; zulke personen zijn de grootst mogelijke
schande voor de Christelijke Gemeente. De faillissementsrechtbanken kunnen
hen witwassen, maar de duivel heeft hen zo zwart gemaakt, dat de
faillissementsrechtbank hen met geen mogelijkheid kan reinigen; hun zwarte
verraderlijkheid schijnt er uiteindelijk weer doorheen. Mensen kunnen
ontsnappen aan berisping, wanneer ze voor de inschikkelijke balie van de
rechter-commissaris staan en een certificaat krijgen, maar ze zullen het
erg moeilijk vinden om een certificaat te krijgen wanneer God hen komt
oordelen op de laatste grote dag. Onze wetten in Engeland lijken me echt
gemaakt te zijn met het doel, dat mensen straffeloos kunnen stelen en
roven, zolang ze dat doen onder de vlag van de handel. Wel, als de
menselijke wet zulke mensen niet raakt, de Goddelijke wet zal dat wel doen
en de Gemeente moet er op toezien, dat ze zich zoveel mogelijk van hen
reinigt. Als we volgelingen van Christus zijn, moeten we uitgaan buiten
deze legerplaats van gebeunhaas en diefstal; we moeten een oprechte en
eerlijke godsdienst hebben, die ons geen haarbreed zal doen afwijken van
de rechte lijn van integriteit en oprechtheid.
Nogmaals
– en hier ligt een erg moeilijk deel van de loopbaan van de christen –
de christen moet niet alleen uitgaan uit het plezier van de wereld en de
zonde en de ongodsdienstigheid, maar er zijn tijden dat de echte
volgelingen van Christus uit moeten gaan uit de godsdienst van de
wereld, evenzeer als uit de ongodsdienstigheid. Elke natie heeft
een godsdienst. In de dagen van Abraham hadden al de kleine volkeren
rondom hem hun god. In de dagen van Christus was er een gevestigde
godsdienst in Judea en ik denk dat onze Here Jezus Christus met woede uit
hun synagogen werd gegooid. Er was een gevestigde godsdienst met de
bijbehorende priesters en trotse farizeïsche belijders, maar onze Here en
Heiland Jezus Christus protesteerde moedig tegen hun verdraaiingen van de
Schrift, hun gebrek aan echte geestelijkheid, hun wereldsgezindheid, hun
pracht en trots. In Zijn dagen was Jezus Christus even waarachtig een
dissenter als iemand van ons en Hij zonderde Zichzelf en Zijn kleine
gezelschap af van de gevolmachtigde en gevestigde kerkelijke legerplaats.
Het Judaïsme was nu niet de godsdienst van Abraham, ook waren de Farizeeën
niet de echte vertolkers en opvolgers van Mozes; daarom legde Christus met
brandende woorden, hoewel vol naastenliefde, met een liefhebbend hart,
maar met een donderende tong, een vreselijk getuigenis af tegen de
godsdienst van Zijn eigen tijd. Hij wist hoe de menigte die respecteerde
en hoe de aanzienlijken ervan leefden, maar ondanks dit alles, al moest
Hij Zijn leven afleggen voor Zijn protest, toch leidde Christus Zijn
discipelen weg van de nationale godsdienst naar iets beters, edelers en
verheveners. En ook u en ik, broeders, moeten erop toezien dat we nooit
meegaan met de godsdienst van de tijd, omdat het toevallig in de mode is
en omdat de menigte die volgt, of de wet van het land die begunstigt. Als
er ergens op aarde een gemeente bestaat, die als leer de bevelen van
mensen onderwijst, ga dan uit haar midden weg en leg uw getuigenis af voor
de waarheid. Ik zie nu voor mij een kerk, die de evangelische waarheid in
haar gemeenschap tolereert, maar terzelfder tijd met liefde het Puseyïsme
omarmt (RK-gezinden
in de Anglikaanse Kerk)
en ruimte vindt voor ongelovigen en voor mensen die de authenticiteit van
de Schrift loochenen. Dit is geen tijd voor ons om te praten over
vriendschap met zo’n verdorven instelling. De godvruchtigen in haar
midden worden misleid als ze denken, dat ze haar in een betere vorm kunnen
gieten. Hun bisschoppen zullen niets aan de begrafenisdienst doen, hoewel
vierduizend geestelijken een petitie hebben ingediend om hun geweten te
verlichten; ook willen ze niet in Gods eigen godsdienstoefening het lezen
opgeven van het smerige verhaal van “Suzanna en de oudsten”, of het
bakerpraatje van “Bel en de draak” – hoewel één van hun priesters
verzekert dat hij voor hetzelfde geld “Jaap en de bonestok” zou lezen.
We hebben lang genoeg gewacht; haar ruimte voor berouw is al te lang
geweest. Vlucht uit haar weg, allen die uw ziel liefhebt. Gaat uit van
haar; scheidt u af; raakt het onreine niet aan, opdat gij geen deel hebt
aan haar plagen, want haar plagen zijn vele. Vaak heb ik werken gelezen
waarin de Puseyieten de kerk van Rome hun zusterkerk noemen; wel, als dat
zo is, laten dan de twee hoeren samen een bondgenootschap vormen, maar
laten goede en eerlijke mensen uit beide afvallige kerken weggaan en zij
die de Here Jezus liefhebben, of het nu geestelijken zijn of leken, moeten
hen overlaten aan hun ondergang. Ik weet dat het moeilijk werk is; het
roept velen op om arm te worden en hun levensonderhoud op te geven, maar
ze moeten het doen. Schotland was een paar jaar geleden getuige van één
van de edelste scènes, die de wereld ooit zag. Mijn hart zou van vreugde
breken voor Engeland, als ik lang genoeg zou leven om zo’n dag en zo’n
heldendaad te zien, maar er is niet genoeg geest in ons overgebleven; er
is geen genade genoeg in ons overgebleven. Ik ben bang dat wij een
ontaarde tijd doormaken. Het “land van de bruine heide en het ruige bos,
het land van de berg en de vloed”, heeft een edel geslacht van dappere,
moedige mannen grootgebracht en dezen konden huis en haard en
levensonderhoud opgeven voor de waarheid van Gods zaak; maar zo is het
niet in Engeland. Nee, zij zullen hun geweten verkopen; zij zullen
wegkruipen en een leugen mompelen op het bevel van de staat; zij zullen
overspeligen en verleiders begraven in de vaste en zekere hoop van een
heerlijke opstanding. Zij zullen een catechismus onderwijzen waarvan hun
geweten hen zegt dat die onwaar is, om de centen en om de rang; ter wille
van de broden en de vissen zullen de mannen Gods (en we hopen dat velen
van hen dat zijn) vast blijven houden aan de valse kerk. Maar wij
protesteren luid tegen haar en onze voeten staan helemaal buiten de
legerplaats. Gaat uit van haar; scheidt u af; raakt haar niet aan; hebt
geen gemeenschap met haar valse leer. Wat betreft een ieder van ons die de
waarheid kent: onze plaats is bij Christus buiten de legerplaats, waar we
Zijn smaad dragen. Ik ben er zeker van dat mijn tekst dit alles en nog
meer behelst en ik zou wensen dat God het zo maakte dat Zijn gemeente nu
haar echte positie zou innemen en zich in alle dingen zou afscheiden van
alles dat verontreinigt en de waarheid verdraait.
II.
Maar nu, ten tweede, we hebben in de tekst, DE LEIDER VAN DE
CHRISTEN.
Er
wordt niet slechts gezegd: “Laten we uitgaan buiten de legerplaats”,
maar, “Laten we daarom uitgaan tot Hem.” Geliefden, we
kunnen de maatschappij verlaten – we kunnen alle conventionele vormen
opgeven en Nonconformisten worden in de breedste betekenis – en toch
niet de tekst uitvoeren, want de tekst is: “Laten we uitgaan tot
Hem.” O geliefden, juist dit punt zou ik bij u willen
benadrukken! Ik ben geen politicus; ik geef er geen cent om welke kerk
staatssubsidie heeft, of welke die niet heeft; ik geef niet om afwijkende
politieke meningen; maar ik geef wel om het godsdienstig volgen van het
Woord van mijn Meester en Zijn wil; en wanneer ik deze tekst lees,
“Laten we derhalve tot Hem uitgaan”, dan doe ik mijn
best te weten te komen wat het Woord betekent.
Het
betekent ten eerste, laten we gemeenschap met Hem hebben. Hij
werd veracht; Hij hoefde niet op menslievendheid te rekenen; op straat
werd Hij bespot; Hij werd uitgefloten; Hij werd uit de maatschappij
weggejaagd. Als ik de gemakkelijke kant kies, kan ik geen gemeenschap met
Hem hebben: gemeenschap vereist eenzelfde ervaring. Kom dan mijn ziel,
trek de mantel van uw Heiland aan, loop met Hem door de modder; doe die
zilveren pantoffels van u uit – ga barrevoets met Christus; wees zoals
de braambos die brandt, maar niet wordt verteerd; wees tevreden dat uw
schouders ruw zouden worden onder Zijn ruwe kruis – Hij droeg het –
schrik niet terug voor het werk. Verwacht niet de kroon te dragen waar
Christus het kruis droeg, maar volg Hem omwille van de gemeenschap.
Nogmaals,
als ik Hem moet volgen, moet ik Zijn voorbeeld volgen. Wat
Christus deed, dat moet ik doen. Ik moet uitgaan tot Hem. Iets moet nooit
een regel voor mij worden, omdat meneer Die-en-die dat ene speciale deed,
of mevrouw Zo-en-zo; wat Christus deed, moet mijn regel zijn. Sommige
mensen blijven vasthouden aan wat Luther deed, of wat Calvijn deed; dat is
niets voor de christen; hij zegt: “Ik moet uitgaan tot Jezus.” Jezus
Christus volgen en niemand anders dan Jezus Christus en dan zult u
inderdaad afgezonderd zijn van de rest van de mensen.
Ik moet uitgaan tot
Hem: dat is: ik moet uitgaan tot Zijn waarheid. Steeds
wanneer ik Zijn waarheid zie, moet ik het omhelzen: steeds wanneer ik
dwaling zie, moet ik het zonder aarzeling afkeuren. Ik moet Zijn Woord
nemen als mijn enige maatstaf; en juist waar Zijn Woord mij leidt, daar
moet ik gaan, het maakt niet uit waar. Ik kan op een bepaalde manier zijn
opgeleid, ik moet mij laten scholen door dit boek; ik kan vooroordelen
hebben ontwikkeld, maar ze moeten aan de kant voor Zijn waarheid; ik kan
misschien weten dat een bepaald geloof voordelig voor mij is, maar mijn
winst stelt niets voor in vergelijking met het Woord van God.
En dan moet ik
voortgaan met het getuigenis afleggen van Christus. De
tegenwoordige tijd gelooft niet in het getuigenis afleggen, maar de hele
bijbel staat er vol mee. De plicht van elke christen is getuigenis af te
leggen van de waarheid. Christus zegt: “Hiertoe werd ik geboren en
hiertoe ben ik in de wereld gekomen.” Wie de waarheid kent, maar de
vinger van stilzwijgen op zijn lippen legt en daarbij zegt: “Vrede,
vrede”, terwijl er geen vrede is, is een ellendig christen. Maar als u
gewassen bent in het bloed van Jezus en gered bent door Zijn
gerechtigheid, dan smeek ik u, neem uw plaats in bij Christus
en leg getuigenis af van de waarheid, zoals die in Jezus is. Mijn
Meester heeft vandaag een groep mannen en vrouwen nodig, die erop
voorbereid zijn om alleen te staan, als alleen staan het juiste is; Hij
heeft mannen en vrouwen nodig met een moedig, consequent leeuwenhart, die
Christus in de eerste plaats liefhebben en vervolgens Zijn waarheid; en
Christus en Zijn waarheid meer dan heel de wereld; mannen en vrouwen ook,
wier heilig leven en standvastig spreken niet verdraaid kan worden door de
omkoperijen van deze wereld en wier getuigenis noch vervormd noch tot
zwijgen kan worden gebracht door gefronste wenkbrauwen of door glimlachen.
Gelukkige zielen zullen zij zijn, die vandaag de kant van Christus durven
kiezen. De worstelingen van de Covenanters van vroeger moeten op dit
ogenblik weer actueel worden. De strijd van de Puriteinse tijd moet
nogmaals tot de gemeente terugkeren; en wat maakt het uit als de
brandstapels van Smithfield terugkomen! En wat als de tijden van
vervolging tot ons terugkeren! Het goede, oude schip, dat de bloedrode
storm weerstond, zal die nog steeds doorstaan en ze zal haar haven
bereiken met al haar passagiers en bemanning veilig aan boord, om
ontvangen te worden door de Koning en geëerd te worden met Zijn
goedgunstige glimlach.
We
moeten er echter voor zorgen, dat we naar Christus toegaan; niet naar een
partij, niet naar een denominatie; maar naar niets anders dan alleen
Christus en Zijn waarheid. Weg met het denominationalisme, of iets anders
dat niet de geur van Christus Jezus heeft! Of het nu de baptistenkerk is,
of de Episcopaalse kerk, of de Presbyteriaanse kerk, die afdwaalt van de
weg van Christus, het maakt een ieder van ons niets uit welke het mag
zijn; het is Christus waar we om geven en Christus’ waarheid en dit
moeten wij volgen over heggen en sloten van menselijke makelij, regelrecht
naar Christus, ons vastklemmend aan de mantel van Christus, ons een weg
vechtend door datgene waar Hij Zichzelf een weg doorheen vocht en het pad
opende naar Zijn kroon. Zo hebben we dan gesproken over de Leider van de
christen
III. Nu, in de derde
plaats, hebben we DE LAST VAN DE CHRISTEN. Hij moet de smaad van de Here
dragen.
De
smaad van Christus neemt in deze dagen deze vorm aan. “O,” zeggen ze,
“de man is te precies. Hij heeft gelijk; maar toch, de waarheid moet
niet altijd hardop gezegd worden. De zaak, die hij aan de kaak stelt, is
verkeerd, ongetwijfeld, maar de tijd is nog niet gekomen; we moeten
toegeeflijk zijn ten opzichte van deze dingen. De man heeft gelijk in wat
hij zegt, maar we moeten vandaag de dag niet te precies zijn. We moeten
een beetje geven en een beetje nemen – er moet mildheid zijn.” Gods
Woord wordt in deze tijd een geringe zaak genoemd; sommigen geloven zelfs
niet dat het geïnspireerd is; en zij die belijden het te eerbiedigen,
plaatsen andere boeken in een soort wedijver ernaast. Wel, er zijn
tegenwoordig hoge kerkelijke waardigheidsbekleders, die tegen de bijbel in
schrijven en toch bisschoppen vinden om hen te verdedigen. “Denk er geen
ogenblik aan om hun boeken of hen te veroordelen; zij zijn onze geliefde broeders en moeten niet worden geboeid in
hun denken.” Hoeveel dagen is het geleden dat een bisschop op deze
manier sprak op een provinciale synode. Sommigen geloven in het pausdom,
maar opnieuw zal hier het pleidooi zijn: “Zij zijn onze geliefde
broeders.” Sommigen geloven in helemaal niets, maar ze worden allen
veilig in één kerk gehuisvest, net als de dieren, rein en onrein, in de
ark van Noach. Zij die voor Christus uitkomen, krijgen deze smaad: “Ze
zijn te precies; feitelijk zijn ze dwepers.” Dat is wat de wereld
tenslotte zegt: “Dwepers!” – “Een stelletje dwepers!” Ik heb
horen zeggen dat het woord “bigot” (dweper) van oorsprong hier vandaan
komt: dat een bepaalde protestantse edelman, die bevolen werd neer te
knielen en op de één of andere manier de daad van afgoderij te plegen
ten opzichte van de leenheer om zijn land te verkrijgen, zei, toen hij
tenslotte bij dat punt kwam: “Bij God, ik wil niet;” en ze noemden hem
voortaan een “By God.” Als dat de betekenis van het woord “bigot”
(dweper) is, aanvaarden we blij de titel; en als het juist zou zijn om te
zweren, zouden we verzekeren: “Bij Hem Die leeft! – Bij de hemel! –
Wij kunnen geen leugen spreken en we kunnen onze knie niet buigen voor de
tempel van Baäl, dwepers of geen dwepers.” De waarheid komt eerst en
onze reputatie daarna. Dan zeggen ze: “Ach! Deze mensen lopen achter bij
hun tijd; de wereld heeft zo’n grote vooruitgang gemaakt; we leven in de
negentiende eeuw; u zou toch beter moeten weten; de ontdekkingen van de
wetenschap maken dat uw bekrompen denkbeelden niet meer meetellen.” Heel
goed, christen, wees tevreden om achter te lopen bij de tijd, want de tijd
komt dichter bij het oordeel en de laatste plagen. “Ach!”, maar ze
zeggen,“deze mensen lijken ons zo eigengerechtigd; zij vinden zichzelf
goed en niemand anders.” Heel goed, christen, als u gelijk hebt,
beschouw uzelf dan als juist zijnde; en als ieder ander u eigengerechtigd
zou noemen, dan wordt u dat daardoor nog niet. De Here weet hoe we ons
vastklemmen aan het kruis en als arme zondaren opzien naar Christus en
Jezus Christus alleen. Ons geweten is vrij van beschuldiging in deze zaak.
“Ach,” zeggen ze, “ze zijn niet waard om erop te letten, het is een
stelletje dwazen.” Het is erg opmerkelijk dat in het oordeel van hun
eigen tijd goede mensen altijd dwazen zijn geweest. Dwazen zijn de mensen
geweest, die de wereld op de kop hebben gezet. Luther en Calvijn, Wesley
en Whitfield waren allemaal dwazen; maar op de één of andere manier
slaagde God erin door deze dwazen een heerlijke overwinning voor Zich te
verkrijgen. En dan draaien ze zich om en zeggen: “Het zijn alleen maar
de armen – alleen de lagere rangen. Zitten er sommige van de edelen en
de deftige mensen bij hen?” Wel, deze smaad kunnen we heel gemakkelijk
dragen, omdat het de oude maatstaf van Christus is, dat de armen het
evangelie gepredikt krijgen; het is altijd een fijne gedachte dat velen
die arm zijn geweest in deze wereld, rijk zijn gemaakt in het geloof.
Broeders, u moet verwachten, als u Christus volgt, smaad te verdragen van
één of ander soort. Laat me u er juist aan herinneren welke smaad uw
Meester had te dragen. De wereldse kerk zei van Christus: “Hij is een
misleider: Hij misleidt het volk.” De vleesgeworden waarheid en toch een
misleider! Dan zeggen ze: “Hij stookt het volk op: hij bewerkt opstand.
Hij is geen vriend van de goede orde: Hij stookt op tot anarchie, Hij is
alleen maar een demagoog.” Dat was de roep van de wereld tegen Christus
en, alsof dat nog niet genoeg was, gingen ze verder en zeiden: “Hij is
een godslasteraar”; zij brachten Hem ter dood op de beschuldiging dat
Hij een godslasteraar was. Ze fluisterden tegen elkaar: “Heb je dat
gehoord? Hij zei afgelopen sabbat dat-en-dat in Zijn preek. Wat een
shockerend iets deed Hij op zo’n plaats! Hij is een godslasteraar.”
Toen kwam de climax; ze zeiden allemaal dat Hij een duivel had en dat Hij
gek was. Zeker konden ze niet verder gaan dan dit, maar ze voegden er nog
iets aan toe door te zeggen, toen Hij duivelen uitwierp, dat Hij het deed
door Beëlzebul, de overste van de duivels. Een ellendig leven had uw
Meester, zoals u ziet. Al het vuil uit de aardse hondenhokken werd naar
Hem gegooid door godslasterlijke handen. Geen etiket werd grof genoeg
gevonden; geen terminologie was hard genoeg; Hij was het lied van de
dronkaard en zij, die in de poort zaten, spraken zich uit tegen Hem. Dit
was de smaad van Christus en we moeten ons niet verbazen, als wij evenveel
te dragen krijgen. “Wel,” zegt iemand, “ik zal geen christen worden,
als ik dat moet dragen.” Kruip dan terug, jij lafaard, naar je eigen
verdoemenis, maar o!, mensen die God liefhebben en die de eeuwige beloning
zoeken, ik vraag u, schrik niet terug voor dit kruis. U moet het
dragen. Ik weet dat u misschien kunt leven zonder dat, als u zult vleien
en kruipen en een deel van de prijs zult achterhouden, maar doe dit niet,
het is uw menselijke natuur onwaardig, het is nog meer uw christen-zijn
onwaardig. Wees zo heilig en zo waarachtig voor God en voor Christus, dat
u de wereld dwingt haar beste erkenning te geven van uw goedheid door u
uit te schelden – meer kan zij niet doen, minder zal zij niet doen. Wees
tevreden deze schande te dragen, want er is geen hemel voor u als u dat
niet wilt – geen kroon zonder het kruis, geen juwelen zonder het vuil. U
moet aan de schandpaal staan, als u in de heerlijkheid wilt zitten; u moet
bespuugd worden en met schande behandeld worden als u eeuwige eer zou
willen ontvangen; als u het ene verwerpt, verwerpt u het andere.
IV. We sluiten af door
te letten op DE REDEN VAN DE CHRISTEN OM ZIJN SMAAD TE DRAGEN EN BUITEN DE
LEGERPLAATS TE GAAN.
Het
staat in de tekst: “Laten we daarom uitgaan” – daar is
de reden. Waarom dan? Ten eerste, omdat Jezus het deed.
Jezus Christus kwam rein en heilig in de wereld; Zijn leven en Zijn
getuigenis waren een stellingname tegen de zonde. Jezus Christus wilde
Zich niet aanpassen. Als Hij dit maar had gedaan, was Hij misschien Koning
der Joden geworden. Maar nee, de meest liefhebbende Geest Die ooit leefde
was ook de meest standvastige. Niemand zal zeggen, dat Christus òf
eigengereid òf hard was, of dat Hij andere mensen haatte – niets van
dat alles; nooit was er ooit zo’n reine edelmoedigheid, zo’n
overvloeiend medegevoel voor mensen, als u vindt in Christus. Maar de
waarheid opgeven, de heiligheid opgeven? Nee, nooit! Geen greintje ervan.
Zich stilhouden? Nee, Hij bestraft de Farizeeën. En wanneer de
wetgeleerde aan Zijn mouw trekt en zegt: “Meester, door dat te doen
bestraft Gij ook ons”, dan begint Jezus Christus met: “Wee u, gij
wetgeleerden.” Alle klassen krijgen hun deel uit Zijn mond. De
Herodianen komen tot Hem; geeft Hij een ogenblik aan hen toe, of wanneer
de tegenpartij probeert te verzoeken, kiest Hij dan hun kant? Kiest Hij òf
voor de Sadduceeën òf voor de Farizeeën? Nee, de weg van Christus was
altijd een onafhankelijke; Hij vertrouwde Zichzelf aan geen mens toe, want
Hij wist wat er in de mens was. Zijn hele leven door kunt u Hem niet
verwisselen met een Farizeeër, of een Sadduceeër, of met één van de
andere leraren. Hij staat daar als een eenzame berg van licht, afgezonderd
en los van de keten van donkere bergen; en dat moet de christen ook.
Christus was afgezonderd en dat moet u ook zijn. Christus was rein,
heilig, waarachtig; dat moet u ook zijn. Ik vraag u òf uw belijdenis in
te trekken, of anders genade te zoeken om het ten uitvoer te brengen.
Bovendien,
het tekstverband vertelt ons dat Christus Zijn volk apart gezet
heeft door buiten de legerplaats te gaan. Opdat Hij Zijn volk zou
heiligen, leed Hij buiten de legerplaats. Christus’ afzondering was er,
opdat Zijn volk afgezonderd zou worden. Het Hoofd is niet van de wereld,
zullen de leden er dan wel van zijn? Het Hoofd wordt veracht en verworpen
– zullen de leden worden geëerd? “Indien iemand de wereld liefheeft,
de liefde van de Vader is niet in hem.” De wereld verwerpt Christus –
zal de wereld ons aannemen? Nee, als wij waarachtig één zijn met
Hem, moeten we verwachten ook verworpen te worden. De afzondering van
Christus is het type en het symbool van het afgezonderd zijn van al de
uitverkorenen.
Nogmaals,
Christus wilde Zijn volk afgezonderd hebben voor hun eigen
heiligmaking. U kunt niet in grote mate groeien in de genade
terwijl u gelijkvormig bent aan de wereld. Het pad van afzondering kan een
pad van verdriet zijn, maar het is het pad van veiligheid; hoewel u het
menige pijnscheut kan kosten en het uw leven tot een lang martelaarschap
kan maken met elke dag strijd, toch is het uiteindelijk een gelukkig
leven. Er bestaat geen mooier leven als dat, welke de soldaat van Christus
leidt, want hoewel mensen hem afkeurend aankijken, glimlacht Christus hem
zo vriendelijk toe, dat hij zich niets van mensen aantrekt. Christus
openbaart Zich als een fijne verfrissing aan de krijgsman na de strijd en
het visioen is zo gezegend, dat de krijgsman meer kalmte en vrede ervaart
op de dag van de strijd, dan in zijn uren van rust. Geloof me, de hoofdweg
van heiligheid is de hoofdweg van gemeenschap. U kunt niet in de nabijheid
van Christus leven en toch u kruiperig onderwerpen. Een smet op uw geweten
zal zeker Christus van u afzonderen, wat betreft de gemeenschap. Weest
zuiver, weest helder, weest rein, als voor de Here en u kunt op de
bergtoppen wandelen, als u Christus als uw metgezel hebt en met Hem geniet
van een hemel op aarde. De Covenanters en de martelaren vertellen ons in
hun dagboeken, dat ze nooit zo gelukkig waren als wanneer ze alleen in de
kerker waren met Christus als gezelschap; ja, hun beste dagen waren vaak
hun dagen van verbranding: ze noemden die hun trouwdag en ze gingen naar
de hemel, terwijl ze het overwinningslied zongen en galmden, als ze in hun
wagens van vuur stapten.
Laten
we afsluiten met deze laatste gedachte en reden. Zo zullen we hopen
de kroon te winnen als we door Goddelijke genade in staat worden
gesteld Christus in alle opzichten getrouw te volgen. O! De kroon! De
kroon! De kroon! Kom, laat me u die voorhouden! Is dit niet een schat?
Eeuwig leven, gelijkvormig aan Christus, zitten aan Zijn rechterhand?
Hoort u ze niet – de harpen van de engelen – de gezangen van de
verlosten? Hoort u ze niet, zeg ik, als in een voortdurende psalm van
blijdschap ze de Here hun God groeten met dankzegging? Het is hier slechts
een vlooienbeet en dan een eeuwigheid van zegen; de schande van een
ogenblik en dan een eeuwige eer; een klein poosje van getuigen, een klein
poosje van lijden, een klein poosje van berispt worden en dan “voor
eeuwig bij de Here”. Deze beloning is zo groot, dat het de lichte
beproeving, die slechts een ogenblik duurt, overstijgt. Ik wil niet zo’n
klein beetje schande tegenover dit alles zetten. Wel, in deze tijd lijden
we niets: een paar harde woorden, een spottende opmerking, wat sarcasme
– nu en dan een vriend die ons verlaat omdat we de waarheid zeggen; maar
wat is dat? O broeders, ons wordt de eer ontzegd van die begunstigde
heiligen, die stierven voor Jezus. Onze zwakke geest houdt van deze
slappere tijd, maar uiteindelijk waren de eervolle dagen de dagen van
vervolging. En de tijden, toen de heiligen de schitterendste kronen
verwierven, waren die, toen ze het meest leden. Ik ben bang dat de
gemeente van Christus slaperig aan het worden is. De mannen Gods zijn de
spieren en zenuwen kwijt. Onze voorvaderen stierven voor een halve
waarheid, en wij zullen nog geen berisping verdragen voor een hele. Twee
vrouwen werden vastgebonden aan de paal bij Wigton en verdronken bij het
opkomend tij – weet u waarom? Eenvoudig omdat ze niet wilden zeggen:
“God spare de koning”. U zegt: “Wat maakt dat uit?” Wel, het was
naar verhouding een theologische kleinigheid. Zij hielden er een bepaalde
theorie op na over de betekenis van het Hoofdschap van Christus boven de
politieke positie van de koning. Omdat zij dachten dat de zaak verkeerd
was – hoewel ik, wat mij betreft, duizend keer “God spare de koning”
zou zeggen, wilden zij het niet één keer zeggen en stierven zij in
standvastigheid aan hun geloof. De twee vrouwen werden gewoon aan palen
bij de kust vastgebonden. Het getij kwam op en toen de oudste vrouw van de
twee verdronken was, vroegen ze aan de jongste of zij het nu wilde zeggen.
Maar nee, ze wilde niet. Ze geloofde dat het een waarheid was omtrent
Christus en Zijn Koninkrijk en hoewel het wel één van de kleinste
juwelen van Zijn Kroon betrof, wilde ze het toch niet doen en daarom kwam
het murmelende water tot aan haar kin en golfde tenslotte boven haar, die
getrouw getuigenis had afgelegd van een deel van de waarheid, die ons
vandaag de dag erg gering schijnt, maar die voor haar de moeite waard leek
om voor te sterven. Vandaag de dag, zeg ik, zouden we niet sterven voor de
hele bijbel, hoewel in andere tijden heiligen gestorven zouden zijn voor
de stip op de i. Wij draaien bij en zijn bang omdat iemand iets
hards tegen ons heeft gezegd voor het verdedigen van de waarheid wat
betreft Jezus en waarin de redding van de mens ligt opgesloten. Ik zeg dat
wij niet kunnen vechten voor het grote en zij wilden vechten voor het
kleine. O, geliefde vrienden, moge God aan ons teruggeven meer genade,
meer vroomheid, meer liefde voor zielen, meer zorg voor het Koninkrijk van
Christus, een krachtiger prijzen van de waarheid en een vastbeslotenheid,
die plechtig voor de Here der Heerscharen uitgesproken heeft, dat, wat er
ook moge komen, we vurig voor het geloof zullen strijden, dat eenmaal de
heiligen is overgeleverd. We staan op de Rots der Eeuwen, in het
vertrouwen dat God het goede zal verdedigen en dat het goede aan het einde
de overwinning zal behalen. God geve u genade – vooral u, de leden van
mijn gemeente – om vanaf deze dag, meer dan u ooit hebt gedaan, uw
plaats buiten de legerplaats in te nemen en blij en vrolijk de smaad van
Christus te dragen.
Sommigen
van u kunnen dit niet doen; u kunt Zijn smaad niet dragen; u kunt niet
buiten de legerplaats gaan, want u hebt geen levend geloof – u gelooft
niet in Jezus. O zondaar, u moet niet eerst het kruis van Christus dragen,
maar u moet naar dat kruis zien voor
redding; en wanneer Hij u gered heeft, zoals Hij dat zal doen als u
op Hem vertrouwt, neem dan uw kruis op en draag het en prijs de naam van
God voortaan, ja voor eeuwig.
©
Copyright vertaling 2005 B. Kroeze, Doldersum. Alle rechten voorbehouden. info@mannavoorpelgrims.nl
Zie voor copyrightregels: www.mannavoorpelgrims.nl
|